Aanpassing van het verschoningsrecht

  

Aanpassing van het verschoningsrecht

Gepubliceerd in: Tijdschrift Formeel Belastingrecht 2017/04
Datum: 21-06-2017
Auteur(s): B.J.G.L. Jaeger, N. van den Hoek

Bekijk PDF

Het verschoningsrecht staat onder druk. In het wetsvoorstel Modernisering Wetboek van Strafvordering dat op 7 februari 2017 is
gepubliceerd, stelt de minister van Veiligheid en Justitie voor de jurisprudentie omtrent het verschoningsrecht te codificeren.
[1]Zodoende moet advocaten duidelijker worden dat zij niet voor alle werkzaamheden verschoningsrecht hebben.[2]Begin dit jaar,
mede naar aanleiding van de Panama Papers, kondigde staatssecretaris van Financiën Wiebes aan nog dit jaar een voorstel te
doen om het fiscale verschoningsrecht aan te passen.[3]Op die aankondiging is door de NOvA fel gereageerd. De staatssecretaris
zou het basisprincipe van het verschoningsrecht miskennen en zijn bezwaren jegens het verschoningsrecht in de huidige vorm niet
goed motiveren. VDD, D66 en SP hebben op 22 februari jl. de staatssecretaris om opheldering gevraagd over de noodzaak van
een aangepast verschoningsrecht.


Indeze bijdrage wordt betoogd het verschoningrecht aan te passen naar een ruim op te vatten materieel criterium, zodat het belang dat
met het verschoningsrecht is gediend ook in de toekomst blijft gewaarborgd.


1 De klacht: het verschoningsrecht als sta-in-de-weg voor waarheidsvinding


Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) klaagt al geruime tijd dat het verschoningsrecht door advocaten te ruim wordt uitgelegd en
zodoende een sta-in-de-weg vormt voor effectieve fraudebestrijding.[4]Zo zouden advocaten worden misbruikt om allerhande
civielrechtelijke transacties buiten het zicht van de overheid te houden en is het beeld opgeroepen dat (bedrijfs)administraties op
kruiwagens onder het verschoningsrecht van advocaten worden gebracht. De klacht spitst zich niet zozeer toe op een te ruime werking
van het verschoningsrecht, maar met name op het (alsmaar) ‘moeten procederen’ om het gelijk te halen.[5]Namens de Belastingdienst
is vorig jaar in ruimere zin geklaagd over de onpraktische keerzijde van de inschakeling van rechtsbijstand door belastingplichtigen.
[6]Advocaten en belastingadviseurs zouden beschikken over een ‘een waslijst met manieren’ en ‘een spervuur van verdedigingslinies’
om de Belastingdienst af te schepen.[7]Het voornemen van Wiebes heeft vermoedelijk eveneens te maken met de klacht van het OM
dat een consequent beroep op het verschoningsrecht door advocaten de opsporing van fraude bemoeilijkt. Belastingheffing is niet
moralistisch en de fiscus pikt derhalve graag een graantje mee van criminele winsten.


2 De grondslag van het verschoningsrecht


De geheimhoudingsplicht van advocaten, en het in het verlengde daarvan liggende verschoningsrecht, vindt zijn grondslag in de
gedachte dat eenieder zich in goed vertrouwen tot een deskundige moet kunnen wenden voor onafhankelijk juridisch advies, zonder
angst dat de informatie die hij in dat kader verstrekt vervolgens openbaar kan worden. De Hoge Raad omschrijft het als volgt:


‘Degrondslag van het aan een beperkte groep van vertrouwenspersonen toekomende verschoningsrecht moet worden gezocht in
een in Nederland geldend algemeen rechtsbeginsel dat meebrengt dat bij zodanige vertrouwenspersonen het maatschappelijk
belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en
zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden.’

Art. 218 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) bepaalt:


‘Van het geven van getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen kunnen zich ook verschoonen zij die uit hoofde van
hun stand, hun beroep of hun ambt tot geheimhouding verplicht zijn, doch alleen omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan hen
als zoodanig is toevertrouwd.’


In het wetsvoorstel Modernisering Wetboek van Strafvordering is de achtergrond van het verschoningsrecht als algemeen rechtsbeginsel
expliciet vervat in de (concept)tekst van een in te voeren art. 1.6.2.2.2 (als vervanging van het huidige art. 218 Sv):


‘Getuigendie in de uitoefening van hun ambt, beroep of stand verplicht zijn tot een geheimhouding waarin besloten ligt dat het belang
van de waarheidsvinding moet wijken voor het maatschappelijke belang dat ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaring om
bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden, kunnen zich van het beantwoorden van bepaalde vragen verschonen. Zij kunnen
zich slechts verschonen omtrent de wetenschap over hetgeen rechtstreeks verband houdt met deze specifieke taakuitoefening.’


Art. 53a, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) bepaalt:


‘Voor een weigering om te voldoen aan de verplichtingen ten behoeve van de belastingheffing van derden kunnen alleen bekleders
van een geestelijk ambt, notarissen, advocaten, artsen en apothekers zich beroepen op de omstandigheid, dat zij uit hoofde van hun
stand, ambt of beroep tot geheimhouding verplicht zijn.’


Het verschoningsrecht komt toe aan de advocaat en dus niet aan diens cliënt.[8]Dit brengt mee dat indien verschoonbare informatie bij
de cliënt in beslag wordt genomen, deze zich op het afgeleide verschoningsrecht van de advocaat kan beroepen.[9]Dit betekent
eveneens dat in het geval waarin cliënt toestemming geeft te verklaren, de advocaat zich toch van een af te leggen getuigenis kan
verschonen. Daarnaast geldt dat door de advocaat ingeschakelde medewerkers of derden een (afgeleid) verschoningsrecht hebben.


Opgrond van art. 11a Advocatenwet is de advocaat tot geheimhouding verplicht van ‘al hetgeen waarvan hij uit hoofde van zijn
beroepsuitoefening als zodanig kennis neemt’. Art. 218 Sv hanteert met ‘als zodanig toevertrouwd’ een vergelijkbaar begrip.


Overigens erkent de Hoge Raad (ook) voor niet-verschoningsgerechtigden een geheimhoudingsrecht in het kader van het fair playbeginsel:


‘Hettot de algemene beginselen van behoorlijk bestuur te rekenen beginsel van fair play verzet zich ertegen dat een inspecteur van
zijn bevoegdheid ex art. 47 AWR gebruikmaakt om kennis te krijgen van rapporten en andere geschriften van derden voorzover zij
ten doel hebben de fiscale positie van de belastingplichtige te belichten of hem daaromtrent te adviseren. Dat geldt ook voor de
onderdelen van die geschriften die met dat doel gegevens van feitelijke of beschrijvende aard bevatten. De resterende (niet op dat
doel betrekking hebbende) onderdelen dienen wel – desgevraagd – te worden verstrekt, waartoe het nodig kan zijn dat het document
wordt gesplitst of geschoond.’


3 De reikwijdte van het verschoningsrecht


Het verschoningsrecht ziet in beginsel op alle (dus ook van derden afkomstige) gegevens die een verschoningsgerechtigde in het kader
van zijn beroepsuitoefening verkrijgt. Ook gegevens die niet speciaal voor de verschoningsgerechtigde zijn opgesteld, kunnen onder het
verschoningsrecht vallen. In een zaak uit 2006 ging het om het dagboek van de moeder van een minderjarige verdachte dat onder de
advocaat van de minderjarige in beslag was genomen. De Hoge Raad overwoog dat de stelling dat ‘onder het verschoningsrecht
uitsluitend brieven en andere geschriften vallen die aan of door de geheimhouder als zodanig zijn geschreven’ in haar algemeenheid
geen steun in het recht vindt.[10]Meer – of naar de smaak van het OM te weinig – discussie is er over de vraag wanneer een advocaat
‘als zodanig’ optreedt. De Hoge Raad hanteert de volgende maatstaf:


‘Eenadvocaat komt daarom alleen een verschoningsrecht toe in het kader van zijn juridische dienstverlening aan een rechtzoekende
die zich tot hem heeft gewend vanwege zijn hoedanigheid van advocaat.’


Bij de vraag wanneer iets aan een advocaat ‘als zodanig’ is toevertrouwd, gaat het volgens A-G Knigge om het beroep dat de wetgever
voor ogen stond toen hij het verschoningsrecht toekende.[11]Die stelling is voor discussie vatbaar, niet in de laatste plaats omdat het
verschoningsrecht tevens een algemeen rechtsbeginsel is dat als zodanig niet alleen kan worden uitgelegd aan de hand van de
bedoeling van de wetgever. Wat precies de normale beroepsuitoefening is van de advocaat is niet glashelder. Fanoy merkt hierover
terecht op dat het geen statisch gegeven is.


Dekerntaak van de advocaat is het waarborgen van de rechtspositie van de cliënt. Deze kerntaak omvat zowel het geven van juridisch
advies als het vertegenwoordigen en bijstaan van de cliënt in juridische procedures en conflicten.[12]Evident lijkt dan dat de advocaat
geen verschoningsrecht toekomt als hij optreedt als directeur van een vennootschap of ‘protector’ van een trust.[13]Rechtbank Den
Haag oordeelde op 14 januari 2015 over het governance-rapport dat door de advocaten van De Brauw werd opgesteld over de
derivatenpositie van Vestia. Dit oordeel is evenwel kritisch ontvangen.[14]In die zaak oordeelde de rechtbank dat het rapport niet
onder het verschoningsrecht viel, omdat het enkel feiten en geen juridisch advies betrof. Van Breukelen annoteerde bij die uitspraak dat
door de advocaat geselecteerde feiten binnen de reikwijdte van het verschoningsrecht zouden moeten vallen. ‘Dit vormt de door de
advocaat aangelegde basis om te adviseren over de rechtspositie van Vestia.’ Wij menen dat die kritiek terecht is.


Daarbij komt dat het in beginsel aan de verschoningsgerechtigde is om te bepalen of hij zich in een specifiek geval kan verschonen.
[15]Het standpunt van de verschoningsgerechtigde dient daarbij door het OM en de rechter te worden geëerbiedigd, tenzij
redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is.[16]Een ruimere beoordelingsmarge en een meer
genuanceerde afweging van de met het concrete geval gemoeide tegenstrijdige belangen achteraf zou tot een zodanige onzekerheid
omtrent de reikwijdte van het verschoningsrecht leiden, dat het daardoor op een onaanvaardbare wijze zou worden aangetast.
[17]Afgezien van de vraag of in dit geval aan die zware toets is voldaan, gaat het bij het verschoningsrecht in dit soort gevallen ook om
de principiële vraag of het maatschappelijk belang dat dergelijke onderzoeken op initiatief van de belanghebbende zelf worden
uitgevoerd groot genoeg is om geen drempels daartegen op te werpen, in de zin dat het rapport van het onderzoek vervolgens door
justitie en de fiscus kan worden opgehaald. Naast een beroep op basis van het verschoningsrecht zou ‘fair play’ zich ook al snel
verzetten tegen de plicht om de bevindingen van dit soort onderzoek te openbaren.


4 Doorbreking van het verschoningsrecht


Het verschoningsrecht is niet absoluut. Geen verschoningsrecht geldt ten aanzien van voorwerpen waarmee het strafbare feit is begaan
dan wel die daarbij behulpzaam zijn geweest, zogenaamde corpora et instrumenta delicti.[18]Daarnaast heeft de Hoge Raad in zijn
jurisprudentie erkend dat in zeer uitzonderlijke individuele gevallen het belang van de waarheidsvinding kan prevaleren boven het belang
dat met het verschoningsrecht wordt beschermd.[19]In een dergelijk geval kan het professioneel verschoningsrecht worden
‘doorbroken’. Van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn bij een redelijk vermoeden van schuld aan een
ernstig strafbaar feit – gepleegd door de advocaat – zoals lidmaatschap van een criminele organisatie.


Hetis overigens opvallend, en voor de discussie over redenen om het verschoningsrecht te beperken niet doelmatig, dat de voorbeelden
die het OM aandraagt, alle zien op situaties waarbij het verschoningsrecht in uitspraken niet is erkend en dus geen (verdere) beperking
(meer) behoeft. De discussie is echter wel schadelijk voor de beeldvorming (over advocaten en hun verschoningsrecht).


5 Voorgestelde oplossingen


Zoals gezegd betrekt de minister van Veiligheid en Justitie het verschoningsrecht expliciet in de modernisering van het Wetboek van
Strafvordering. Daarbij dient het ‘rechtstreeks verband houden’-criterium er volgens de minister onder meer toe te verduidelijken dat
informatie die enkel aan een verschoningsgerechtigde is verstrekt om de beschikking hierover aan politie en justitie te onthouden, niet
onder het verschoningsrecht valt.[20]Staatssecretaris Wiebes is tot op heden (nog) minder concreet over wat precies moet worden
verstaan onder de aankondigde ‘aanpassing van het fiscale verschoningrecht’. Wiebes merkt op dat hij de reikwijdte van het huidige
fiscale verschoningsrecht ‘zeer breed’ en ‘te ongericht’ vindt. Hij verwijst daarbij naar een rapport van de OESO uit 2013, waarin het
volgende is opgemerkt:


‘It is recommended that the Netherlands’ authorities make it clear that the privilege which can be claimed by lawyers under Article
53(a) of the GSTA only relates to confidential communication produced for the purpose of seeking or providing legal advice or
produced for the purpose of use in existing or contemplated legal proceedings.’


Wiebes geeft aan nog dit jaar het voorstel tot aanpassing van het fiscale verschoningsrecht ter consultatie voor te willen leggen. Hij
overweegt de optie om bij deze aanpassing (gedeeltelijk) aan te sluiten bij de formulering van de zogenoemde ‘procesvrijstelling’ in de
Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: Wwft).


6 De procesvrijstelling in de Wwft


Op grond van de Wwft zijn onder meer accountants, advocaten, notarissen en belastingadviseurs gehouden cliëntonderzoek te
verrichten en ongebruikelijke transacties te melden. De Wwft is expliciet niet van toepassing op werkzaamheden voor een cliënt
‘betreffende de bepaling van diens rechtspositie, diens vertegenwoordiging en verdediging in rechte, het geven van advies voor, tijdens
en na een rechtsgeding of het geven van advies over het instellen of vermijden van een rechtsgeding’.[21]Deze ‘procesvrijstelling’ is
materieel van aard en geldt dus evenzeer voor accountants en belastingadviseurs als voor advocaten en notarissen. In de aanwijzing bij
de voorloper van de Wwft, de Wet Melding ongebruikelijke transacties, is betoogd dat onder het bepalen van de rechtspositie slechts
het initiële verkennende gesprek valt, mits in dat eerste gesprek geen advies wordt geven.[22]In de memorie van toelichting bij de Wwft
is die visie herhaald.[23]De discussie over de juistheid van deze beperkte uitleg van het bepalen van de rechtspositie is niet echt van de
grond gekomen.[24]Gelet op de overweging van de staatssecretaris in zijn brief van 17 januari jl. om bij de Wwft aan te sluiten in het
kader van een mogelijke aanpassing van het fiscaal verschoningsrecht wordt deze discussie opnieuw van belang. Duidelijk is dat de
opvatting van de OESO in voorgaand citaat tot een ruimere uitleg van het fiscaal verschoningsrecht noopt dan het voeren van een
inleidend gesprek. Om nog maar te zwijgen van de formulering van het algemeen rechtsbeginsel over verschoning door de Hoge Raad
en het erkende fair play-beginsel, welke uitgangspunten en bewoordingen ook in uitspraken van het HvJ EU doorklinken.


7 Een materieel verschoningsrecht


In het idee om voor verschoning aan te sluiten bij de aard van de werkzaamheden in plaats van bij een formeel criterium – het zijn van
advocaat – zien wij een toekomstbestendiger verschoningsrecht. Voorts is de nu al jaren durende discussie over ‘advocaten die alles
afschermen en de bestrijding van allerhande criminaliteit tegengaan’ slecht voor de beeldvorming en dus voor de advocatuur. De
discussie moet gaan over het waarom van een verschoningsrecht en voor welke werkzaamheden de geheimhouding een te respecteren
doel dient.


Bovendien is in onze ogen nauwelijks verdedigbaar dat een advocaat, om wat hij is, gegevens wel zou mogen beschermen, terwijl een
andere juridisch dienstverlener, waar gelet op wat hij doet geheimhouding wellicht veel beter verdedigbaar zou zijn, dit recht niet
toekomt.[25]Dat advocaten een wettelijk erkende beroepsgroep is met een wettelijk geregeld tuchtrecht is voor ons onvoldoende
doorslaggevend. Niet alleen advocaten geven juridisch advies of voeren procedures. Het zou daarom niet van doorslaggevend belang
moeten zijn bij wie een rechtzoekende aanklopt, maar waarvoor hij aanklopt en wellicht wat het verwachtingspatroon is ten aanzien van
de vertrouwelijkheid van wat hij daar vertelt en wat hij daar afgeeft. Het uitgangspunt dat eenieder zich vrij moet voelen juridisch advies in
te winnen, zonder vrees voor openbaarmaking, wordt volstrekt zinledig indien ‘het bepalen van de rechtspositie’ niet mede omvat het
verkrijgen van (feitelijke) informatie van de cliënt en het hem daadwerkelijk over zijn rechten en plichten kunnen adviseren, los van de
vraag of dit in het kader van een mogelijke procedure plaatsvindt.


Met een duidelijk uitgekristalliseerde discussie en vervolgens deugdelijke vastlegging van wat geheimhouding verdient, of dit nu is
gebaseerd op een verschoningsrecht of op ‘fair play’, wordt ook tegemoetgekomen aan de wens van het OM strakker omlijnd te krijgen
op welke werkzaamheden het verschoningsrecht van toepassing is. Het is dan ook betreurenswaardig dat de discussie tot dusverre veel
tussen OM en de strafadvocatuur heeft plaatsgehad. Het verschoningsrecht van de strafadvocatuur behoeft wellicht wat codificatie, maar
dat strafadvocaten zich mogen verschonen staat niet ter discussie en zal niet ter discussie komen te staan. Met name de
beroepsbeoefenaren die werkzaamheden uitvoeren die nu onder de Wwft vallen, althans waarop de ‘procesvrijstelling’ niet van
toepassing is, zouden een bijdrage moeten leveren aan het antwoord op de vraag waar de grens ligt tussen advisering die
geheimhouding verdient en wat op verzoek moet worden geopenbaard. Deze discussie uit de weg gaan omdat de grens lastig is aan te
geven, volstaat niet.


Geletop hetgeen de minister van Veiligheid & Justitie hierover al heeft opgemerkt in het kader van de modernisering van het Wetboek
van Strafvordering, sluiten wij niet uit dat ook hij voor het verschoningsrecht een koppeling maakt met (de ‘procesvrijstelling’ van) de
Wwft.[26]De NOvA en de Wwft-plichtigen doen er naar ons idee beter aan een inhoudelijke bijdrage te leveren aan het debat, dan
defensief en pal voor een algemeen verschoningsrecht voor de beroepsgroep te gaan staan respectievelijk zich afzijdig te houden van
elke discussie.


8 Conclusie


Het verschoningsrecht van de advocaat ligt onder een vergrootglas. De advocatuur wordt verweten middels een pavlovreactie niets te
verstrekken, omdat ‘alles’ onder het verschoningsrecht valt. Dat niet ‘alles’ onder het verschoningsrecht valt, is wel duidelijk. Het moet
gaan om informatie die aan de advocaat ‘als zodanig is toevertrouwd’. Het is een lang gekoesterde wens van het OM meer grip te
krijgen op het verschoningsrecht. Het OM heeft zich hierover naar eigen zeggen ‘suf geprocedeerd’ en de minister van Veiligheid &
Justitie heeft voorgesteld het OM tegemoet te komen door in het gemoderniseerde Wetboek van Strafvordering op te nemen voor welke
werkzaamheden een verschoningsrecht bestaat. Ook heeft de staatssecretaris van Financiën aangekondigd het fiscale
verschoningsrecht te willen inperken. Hoe de staatssecretaris zijn voorstel gaan vormgeven, is nog onduidelijk, maar voor de hand ligt
dat er iets gaat veranderen. Als inderdaad, zoals de staatssecretaris overweegt, aansluiting wordt gezocht bij de procesvrijstelling van
de Wwft, dan moet discussie worden gevoerd over wat precies de reikwijdte is van met name het bepalen van de rechtspositie van de
cliënt.


[1] Wetsvoorstel tot vaststelling van Boek 1 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering: Strafvordering in het algemeen, zoals
gepubliceerd op 7 februari 2017.


[2] Kamerstukken II, 2015-2016, 29279, nr. 278. Zie ook de brief ‘Beroepsgeheim en verschoningsrecht’ van de Minister van V&J van
24 november 2015, kenmerk 703969.


[3] Brief van de Staatssecretaris van Financiën ‘Aanpak van belastingontduiking’ van 17 januari 2017, kenmerk 2017-0000009651.

[4] Zie het opiniestuk van Vincent Leenders, ‘Beperk voor advocaten het verschoningsrecht’, NRC Handelsblad van 8 maart 2014 en
diens bijdrage aan het artikel ‘OM: beroepsgeheim advocaten en notarissen is doorgeschoten’, het Financieele Dagblad van 19
juni 2015. Eerder al sprak officier van justitie Josien Mooijen van ‘de Bermudadriehoek van het verschoningsrecht’ in haar bijdrage
‘David en Goliath: zin en onzin van het verschoningsrecht in de commerciële praktijk’, in het Financieele Dagblad van 18 mei 2013.

[5] Zie ook J. Mooijen, ‘Geheimhouderstukken in een kantooradministratie’, Sanctierecht & Onderneming 2017, nr 1, par. 5.2.

[6] Kamerstukken II, 2016-2017, 25087, nr. 133 (verslag van een expertmeeting).

[7] Zie het artikel ‘Voorzichtig doen met de belastingfraudeur’ in het Financieele Dagblad van 13 september 2016 over de bijdragevan twee constructiebestrijders van de Belastingdienst in een expertmeeting in de Tweede Kamer op 12 september 2016.

[8] HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4284.

[9] Kamerstukken II, 2011-2012, 33079, nr. 3, p. 12, zie ook HR 19 november 1985, NJ 1986, 533 m.nt. ’t Hart.

[10] HR 24 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4666, NJ 2006/109.

[11] Conclusie A-G Knigge 6 oktober 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2567, onderdeel 8.9.

[12] Kamerstukken II, 2006-2007, 30800 VI, 13, p. 4 en 7.

[13] HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9694, NJ 1994/537.

[14] Zie hiervoor Sluysmans en De Graaff, ‘Het advocatuurlijke verschoningsrecht’, NJB 2016/1606, de noot van Van Breukelen in
JOR 2015/141 en N. Fanoy, ‘Verschoningsrecht van de advocaat: veilige haven, geen vrijplaats’, AA 2016/89, par. 4.

[15] HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4284, NJ 2014/92.

[16] HR 30 november 1999, ECLI:NL:PHR:1999:ZD7280, NJ 2002/48 m.nt. Buruma.

[17] HR 1 maart 1985, NJ 1986, 173 en HR 7 juni 1985, NJ 1986, 174 m.nt. Haardt.

[18] Art. 98 Sv. Zie voor een recent voorbeeld van instrumenta delicti HR 26 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:110, NJ 2016/163.

[19] HR 12 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9162, NJ 2002/439.

[20] Vaststellingswet Boek 1 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (strafvordering in het algemeen) (MvT), p. 132-133 en
explicieter in Vaststellingswet Boek 2 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (Het opsporingsonderzoek) (MvT), p. 224.

[21] Art. 1, lid 2, Wwft.

[22] Besluit van 24 februari 2003 tot aanwijzing van instellingen en diensten in het kader van de Wet identificatie bij dienstverlening en
de Wet melding ongebruikelijke transacties, Stb. 2003/94, p. 17-18.

[23] Kamerstukken II, 2007-2008, 31238, nr. 3, p. 16 (MvT).

[24] Vanaf 2014 wordt toezicht op de naleving van de Wwft uitgeoefend door de plaatselijke deken.

[25] Rb. Amsterdam 6 oktober 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BT6955, V-N 2011/55.5 (Van Doorne).

[26] Vaststellingswet Boek 1 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (strafvordering in het algemeen) (MvT), p. 134.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op

Jaeger maakt gebruik van cookies

Wij plaatsen cookies om uw ervaring op de website te verbeteren. De cookies die vereist zijn om de website te gebruiken zijn wettelijk toegestaan. Voor de andere cookies kunt u hieronder toestemming geven.

meer informatie