Benut de bezwaarprocedure optimaal

  

Benut de bezwaarprocedure optimaal

Auteur(s): M. Muller

Bekijk PDF



22 www.accountancynieuws.nl5 juli 2013 nr 13 Accountancynieuws
Benut de bezwaar-procedure optimaal
Als het aankomt op de beslechting van een geschil met de belastinginspecteur, zien accountants en adviseurs de bezwaarfase nog wel eens als een ‘noodzakelijk kwaad’. Omdat de toegang tot de belastingrechter pas openstaat als er een uitspraak op be-zwaar ligt, voelt die bezwaarfase ook vaak als een verplicht nummer. Vooral omdat doorgaans wordt gedacht dat de bezwaarfase inhoudelijk gezien toch maar weinig toevoegt. Toch is het wel van belang om alert te zijn op do’s en don’ts van deze
bezwaarfase. Dit kan in uw voordeel werken.
Martin Muller
An belastingrecht
bij niet tijdig beslissen’ in werking getre-den, een wet waarvan de naam eigenlijk alles al zegt. Doet de inspecteur niet bin-nen zes weken na afloop van de bezwaar-termijn uitspraak op het bezwaarschrift, dan kan hij in gebreke worden gesteld.
Heeft hij dan binnen twee weken niet als-
nog uitspraak op bezwaar gedaan, dan beloopt de Belastingdienst een dwang-som (tot maximaal € 1.260) en staat di-rect beroep open bij de belastingrechter. Ofschoon de genoemde termijn van zes weken vaak nog steeds niet wordt ge-haald, zijn er nog steeds veel gemachtig-den die de termijnen niet scherp in de ga-ten houden. Ten onrechte, want het is bij uitstek een middel om de regie in handen te nemen. Gaat het niet zozeer om het innen van de dwangsom, dan is het feit dat na twee weken met een kort beroep-schrift de rechter in het geschil kan wor-den betrokken vaak voldoende reden om de inspecteur aan het werk te krijgen. Stuur dus hoe dan ook na zes weken (be-zwaartermijn) plus nogmaals zes weken (termijn voor het doen van uitspraak) een ingebrekestelling, of in elk geval een brief die als zodanig moet worden opge-vat. Van de dwangsom kan altijd worden afgezien en direct beroep instellen hoeft niet, maar dan kán het in elk geval wel.
Hoorzitting?
Een nogal ondergewaardeerd element van de bezwaarfase is de hoorzitting. Artikel 25, eerste lid, AWR bepaalt dat de indiener van een bezwaarschrift wordt gehoord als hij erom verzoekt. Dit in af-wijking van de hoofdregel van artikel 7:2 Awb, dat als uitgangspunt heeft dat het bestuursorgaan de belanghebbende altijd aanbiedt om te worden gehoord. Hoewel paragraaf 12 van het Besluit Fiscaal Be-
stuursrecht voorschrijft dat de inspecteur
P
essimistische gedachten over nut en noodzaak van de bezwaarfase han-
gen veelal samen met het feit dat het de Belastingdienst zélf is die deze eerste fase van rechtsbescherming moet uitvoe-ren. Zoals ook de slager die zijn eigen vlees keurt weinig vertrouwen geniet, gaan veel gemachtigden er op voorhand van uit dat de Belastingdienst niet op zijn eigen schreden terugkeert. Toch komt het geregeld voor dat er in de bezwaarfa-se wél wordt teruggekomen op het in de aanslagregeling ingenomen standpunt. Niet alleen om die reden kan de bezwaar-fase toch nuttig zijn.
Bezwaarfase overslaan?
Wie niettemin meent dat in de aanslagfa-se ‘alles al is gezegd’, kan in zijn be-zwaarschrift een voorstel doen om de be-zwaarfase over te slaan op voet van artikel 7:1a Awb. Als de inspecteur in-stemt met dit verzoek, stuurt hij het als bezwaarschrift ingezonden stuk door aan de rechtbank als ware het een beroep-schrift. Nuttige toepassing van deze faci-liteit lijkt voorbehouden aan situaties waarin al voorafgaand aan de bezwaarfa-se uitputtend is gediscussieerd over het geschil, en aan situaties waarin de kwes-tie de facto al bij de belastingrechter ligt. Bijvoorbeeld doordat hetzelfde geschil ook in eerdere jaren aan de orde was. Hoewel beide situaties vaak voorkomen, wordt prorogatie in de praktijk zelden
toegepast. Als het al zo is dat alles is ge-
zegd en geschreven, is een zaak daarmee nog niet geschikt om direct aan de rech-ter voor te leggen. Bedenk dat de rechter de uitgebreide voorafgaande discussie niet heeft meegekregen. Een goed be-roepschrift is dan ook anders opgezet dan een bezwaarschrift. Met een be-zwaarschrift waarin een beroep wordt ge-daan op prorogatie, moet er dus op wor-den geanticipeerd dat het inderdaad rechtstreeks bij de rechter op het bureau
komt. Echter, als prorogatie zó voor de hand ligt, kan de inspecteur ook met het-zelfde gemak en tijdsbeslag uitspraak op bezwaar doen. Vermijd dus een discussie met de inspecteur over het al dan niet in-stemmen met prorogatie en zie er liever op toe dat de inspecteur inderdaad voort-varend te werk gaat met het bezwaar-schrift.
Tijdsbeslag van de bezwaarfase Daartoe heeft de indiener van het be-zwaarschrift sinds 1 oktober 2009 ook een wettelijk middel in handen. Per die
datum is de ‘Wet dwangsom en beroep
Ken de do’s and don’ts van de bezwaarfase
‘Toch komt het geregeld voor dat in de bezwaarfase wel wordt teruggekomen op het in de aanslagrege-ling ingenomen standpunt.’

Accountancynieuws 5 juli 2013 nr 13www.accountancynieuws.nl 23


belastingrecht An
de indiener niettemin toch altijd moet uitnodigen om te worden gehoord, blijft dit in de praktijk nog wel eens achterwe-ge. Ik zou aanraden om het in het be-zwaarschrift hoe dan ook zelf al op te ne-men dat de wens bestaat te worden gehoord. Het voordeel hiervan is tweele-dig. In de eerste plaats is het praktische effect dat de inspecteur de indiener van het bezwaarschrift niet kan ‘verrassen’ met een (teleurstellende) uitspraak op bezwaar. Hij dient immers eerst te vragen of er behoefte bestaat aan een hoorzit-ting. Uiteraard zal dit alleen aan de orde komen als de inspecteur voornemens is niet (geheel) aan het bezwaarschrift tege-moet te komen. In mijn ervaring is het dan vaak toch nuttig om met elkaar het gesprek aan te gaan. De bezwaarinspec-teur kan, zelfs als hij inhoudelijk op de-zelfde koers zit als zijn collega die de aanslag heeft opgelegd, toch ook andere overwegingen mee laten wegen. Inspec-teurs weten ook dat gelijk hebben nog niet hetzelfde is als gelijk krijgen en zij kunnen bijvoorbeeld andere opvattingen hebben over de vraag of het opportuun is dat een bepaalde kwestie naar de rechter wordt gebracht. Veel compromissen wor-den uiteindelijk in de bezwaarfase geslo-ten, juist ook als er een uitgebreide in-houdelijke discussie in de aanslagfase is geweest. Bezwaarinspecteurs komen toch wat gemakkelijker uit de loopgraven om een pragmatische oplossing te be-proeven dan hun collega’s die vanaf het begin de discussie hebben gevoerd.
Tegen deze achtergrond is het van belang dat er een zinvolle inhoudelijke dialoog op gang kan komen. De term ‘hoorzit-ting’ moet daarom niet al te letterlijk worden genomen. De wetgever vond dat de beoogde heroverweging door het be-stuursorgaan alleen goed uit de verf kan komen, als het bij de hoorzitting komt tot een ‘gedachtewisseling’ tussen be-stuursorgaan en burger. Hieruit vloeit voort dat het bestuursorgaan geacht wordt tijdens een hoorzitting niet alleen te luisteren, maar ook moet terugpraten. Inspecteurs moeten daar soms aan wor-den herinnerd. Te vaak wordt ook vol-staan met de opmerking dat op tijdens de hoorzitting aangedragen argumenten
nog terug wordt gekomen.
Voor zover daarmee wordt bedoeld dat er in de uitspraak op bezwaar op terug wordt gekomen, moet daar geen genoe-gen mee worden genomen. De beoogde gedachtewisseling wordt dan immers niet bereikt. Een zinvolle inhoudelijke discussie is er vaak bij gebaat als partijen afspreken dat zij – bijvoorbeeld naar aan-leiding van het hoorverslag – nog een
schriftelijke ronde inlassen. Zo’n ronde is vaak nuttig, al was het maar omdat de wederzijdse opvattingen dan zo scherp mogelijk neer kunnen worden gezet en het geschil goed kan worden afgekaderd. Hoe duidelijker de wederzijdse argumen-ten worden neergezet, hoe effectiever bij de rechtbank kan worden geprocedeerd.
Inzage in het dossier
Het verdient met het oog op een eventue-le rechtsgang evenzeer aanbeveling om gebruik te maken van het recht op inzage in het dossier waarin artikel 7:4 Awb voorziet. Aangenomen wordt dat dit recht in zoverre aan de hoorzitting is ge-koppeld, dat degene die niet wil worden gehoord, ook afziet van het recht op in-zage. In de praktijk valt hier meestal wel een mouw aan te passen.
De inhoud van het dossier dat ter inzage moet worden gegeven is nog wel eens een probleem. Het uitgangspunt is dat het bestuursorgaan alle op de zaak be-trekking hebbende stukken in het dossier opneemt en dus exact het dossier presen-teert dat hij in de volgende fase op de voet van artikel 8:42 Awb aan de recht-bank moet toezenden. In de praktijk doet zich evenwel vaak het probleem voor dat de inspecteur en de gemachtigde ver-schillende ideeën hebben over welke stukken in het procesdossier thuishoren. Een vaak gehoorde opvatting aan inspec-teurszijde is dat stukken niet in het dos-sier zijn opgenomen omdat zij geen rol
hebben gespeeld in de besluitvorming.
Daarmee wordt doorgaans bedoeld dat de betreffende stukken de inspecteur niet op andere gedachten hebben gebracht. Evident is echter dat ook dergelijke stuk-ken die de inspecteur zelf niet relevant of overtuigend acht, wel degelijk tot het procesdossier horen. De afweging van de inspecteur kan immers onjuist zijn en de rechter moet in staat zijn om zelf te bepa-len welke stukken van belang zijn. Dikwijls wordt discussie gevoerd over in-terne stukken van de Belastingdienst. Te denken valt bijvoorbeeld aan memo’s van kennisgroepen en andere juridische be-schouwingen van collega’s. Voor zover dergelijke stukken behoren tot de infor-matiegrondslag waarop de inspecteur zijn beslissing heeft gebaseerd, behoren zij tot het procesdossier. Ook behoort in-zichtelijk te zijn op basis van welke feiten en omstandigheden de interne stukken zijn opgesteld en wat de vraagstelling is geweest.
Benut de bezwaarprocedure optimaal
Hierboven passeerden enkele facetten van de bezwaarfase de revue. Vele andere aspecten zijn buiten beschouwing gela-ten, zoals de samenhang tussen de infor-matiebeschikking en de bezwaarfase, de kosten van de bezwaarprocedure, ont-vankelijkheidsperikelen en de vele andere formele aspecten die samenhangen met de bezwaarprocedure.
Van professionele gemachtigden mag worden verwacht dat zij de bezwaarpro-cedure serieus nemen en deze zo opti-maal mogelijk benutten. Het kruit droog houden tot de beroepsfase heeft zelden zin. Zeker omdat er in de bezwaarfase best wat te bereiken valt, al was het maar om uiteindelijk zo goed mogelijk besla-gen ten ijs te komen bij de rechter. An
‘Het kruit droog houden tot de beroepsfase heeft zelden zin. Zeker omdat er in de bezwaarfase best wat te bereiken valt.’
Martin Muller is als advocaat-belastingkundige verbonden aan Jaeger Advocaten-belastingkundi-
gen te Amsterdam.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op