De fiscale strafbeschikking

  

De fiscale strafbeschikking

Datum: 01-06-2010
Auteur(s): M.H.W.N. Lammers

Bekijk PDF





27 De fiscale strafbeschikking
FiscaalTijdschriftVermogen2010/06
Belastingjaar/tijdvak Trefwoorden Wetsartikelen Auteur
Mr. M.H.W.N. Lammers, Advocaat-belastingkundige Hertoghs advocaten Breda
11
01-06-2010 6
27
Jaargang Publicatiedatum Afleveringsnummer Artikelnummer Paginanummers Samenvatting
15-23
Vanaf 1 oktober 2010 treedt de Wet OM-afdoening (Stb. 2006, 330) ook in werking voor fiscale delicten. Dit betekent dat vanaf die datum het bestuur van de Belastingdienst de mogelijkheid heeft om een strafbeschikking uit te vaardigen. In feite wordt het bestuur van de Belastingdienst daardoor bevoegd tot het vervolgen en bestraffen van fiscale delicten. Daarnaast krijgt ook de officier van justitie de bevoegdheid om voor fiscale delicten een strafbeschikking uit te vaardigen. Bovendien krijgt de officier van justitie de mogelijkheid om een transactie aan te bieden ter voorkoming van strafvervolging voor fiscale delicten. Op deze nieuwe bevoegdheden en de gevolgen die daaraan zijn verbonden, wordt in dit artikel ingegaan.
Rubriek
Artikel
ISSN
1566-6697
Vanaf1oktober2010treedtdeWetOM-afdoening(Stb.2006,330)ookinwerkingvoorfiscaledelicten.Ditbetekentdatvanafdie datumhetbestuurvandeBelastingdienstdemogelijkheidheeftomeenstrafbeschikkinguittevaardigen.Infeitewordthetbestuur vandeBelastingdienstdaardoorbevoegdtothetvervolgenenbestraffenvanfiscaledelicten.Daarnaastkrijgtookdeofficiervan justitiedebevoegdheidomvoorfiscaledelicteneenstrafbeschikkinguittevaardigen.Bovendienkrijgtdeofficiervanjustitiede mogelijkheidomeentransactieaantebiedentervoorkomingvanstrafvervolgingvoorfiscaledelicten.Opdezenieuwe bevoegdhedenendegevolgendiedaaraanzijnverbonden,wordtinditartikel ingegaan.
1.Inleiding
Op grond vanart.8 Algemene wetinzake rijksbelastingen(hierna:AWR) dienteenbelastingplichtige duidelijk,stellig enzonder
voorbehoud aangifte te doen.Voldoeteenbelastingplichtige hier opzettelijk ofmetgrove schuld nietaan,dankanhijhiervoor strafrechtelijk wordenvervolgd door de FIOD-ECD.[1]
Eendergelijke strafrechtelijke vervolging kaneenbelastingplichtige ook overkomenals hijbijvoorbeeld opzettelijk ofmetgrove schuld onjuiste informatie verstrektaande Belastingdienstnaar aanleiding vaneeninformatieverzoek vanart.47 AWR.[2] Indienzichzo'nsituatie voordoet,dientde Belastingdienstaande hand vande Aanmeldings-,TransactieenVervolgingsrichtlijnen[3] (hierna:ATV-richtlijnen) te bepalenofde gedraging vande belastingplichtige inaanmerking komtvoor eenstrafrechtelijk onderzoek.In de ATV-richtlijnenzijndaartoe drempelbedragenopgenomendie moetenzijnoverschredenvoordateengedraging strafrechtelijk kan wordenvervolgd.[4]Tevens dientde Belastingdienstvastte stellenofvoor tenminste hetdrempelbedrag sprake is vanopzetbijde belastingplichtige.Bijde Belastingdienstwordtdeze toetsing verzorgd door de boete-fraudecoördinator.Voldoetde gedraging aande voorwaarden(drempelbedrag enopzet),danbrengtde boete-fraudecoördinator de zaak ininhetselectieoverleg.Hetselectieoverleg wordtgevormd door de FIOD-ECD,de contactambtenaar formeelrecht,de boete-fraudecoördinator/contactambtenaar Douane ende boete-fraudecoördinatorendie totéénregio behoren.Ditoverleg toetstofde gedraging terechtis aangemeld voor eenstrafrechtelijke vervolging.Komthetselectieoverleg tothetoordeeldatde gedraging strafrechtelijk moetwordenvervolgd,danwordtde zaak ingebrachtineentripartiteoverleg.Hettripartiteoverleg bestaatuiteenofficier vanjustitie,de contactambtenaar formeelrecht,de boete-fraudecoördinator/contactambtenaar Douane ende FIOD-ECD.Ook ditoverleg toetstofde ingebrachte zaak voldoetaande ATV-richtlijnenom totstrafrechtelijke vervolging over te gaan.Is ook ditoverleg vanoordeeldatde gedraging strafrechtelijk moetworden vervolgd,danstartde FIOD-ECD eenonderzoek.
Hetonderzoek datdoor de FIOD-ECD wordtgehouden,wordtvastgelegd ineenproces-verbaal.Inditproces-verbaalspreektde FIOD-ECD nietlanger vaneenbelastingplichtige,maar vaneenverdachte.Op hetmomentdathetproces-verbaalgereed is,moeteenkeuze wordengemaaktop welke wijze hetproces-verbaalwordtafgedaan.Tijdens hetstrafrechtelijk onderzoek kannamelijk de conclusie tot stand komendathetnietwenselijk is de zaak voor te leggenaande strafrechter,maar de zaak op eenandere wijze afte doen.Als uit hetstrafrechtelijke onderzoek geendanwelonvoldoende bewijs voortvloeitdatde verdachte opzetheeftgehad op de gedraging,dan

komtde zaak inaanmerking voor eensepot.Wordtdaarentegenwelbewijs gevondenvoor de schuld vande verdachte,maar blijkt bijvoorbeeld de ernstaanzienlijk minder danaanvankelijk gedacht,dankaneenzaak via eentransactie wordenafgedaan.Indatgeval wordtde verdachte bijvoorbeeld aangebodendathijeengeldbedrag (vaak gerelateerd aanhetfiscale nadeel) aande Staatbetaalt. Eenandere voorwaarde die bijde transactie kanwordengesteld,is datde verdachte alsnog voldoetaaneenbijde belastingwet gestelde verplichting (art.76,lid 3,sub e AWR),zoals hetalsnog verstrekkenvande gevraagde inlichtingen.
Op grond vanart.76 AWRis momenteelhetbestuur vande Belastingdienstexclusiefbevoegd om voor fiscale delicteneentransactie aaneenverdachte aante bieden.Accepteerteenverdachte eendergelijke transactie,danvoorkomthijdaarmee strafvervolging.Door eentransactie wordthetstrafbare feitdus buitende rechter om afgedaan.De transactie was lange tijd de belangrijkste vorm om een strafzaak buitengerechtelijk afte doen.Inhetkader vanhetvergrotenvande doelmatigheid vanhetstrafrechtwilde hetkabinetook een mogelijkheid hebbenwaarbijeenzaak buitengerechtelijk werd afgedaan,maar waarbijwelsprake is vanstrafvervolging.Hiervoor is de strafbeschikking inhetlevengeroepen.Ineerste instantie was de wetgever vanplanom de transactiemogelijkheid om te bouwentotde strafbeschikking.[5]Ineenlater stadium[6]heeftde wetgever ervoor gekozenom de transactie vooralsnog naastde strafbeschikking te latenbestaanals afdoeningmodaliteitvoor eenstrafzaak.De wetgever heefthiervoor gekozen,omdathijeerstwilvaststellenofde strafbeschikking totvolle tevredenheid functioneert.
De invoering vande strafbeschikking is opgenomeninde WetOM-afdoening (Stb.2006,330).Bijde behandeling vandit wetsvoorstel[7]is hetbelangrijkste verschiltussende transactie ende strafbeschikking nadrukkelijk aande orde gekomen.Door het
uitvaardigenvaneenstrafbeschikking wordtde verdachte vervolgd enbestraftvoor hetbegane feit.Hetaanvaardenvaneentransactie daarentegenzorgtervoor datde verdachte aanstrafvervolging ontkomt.
Metingang van1 oktober 2010 treedtde WetOMafdoening ook inwerking voor fiscale delicten.Ditbetekentdatvanafdie datum het bestuur vande Belastingdienstde bevoegdheid krijgtom eenstrafbeschikking uitte vaardigen.Aangezieneenstrafbeschikking moet wordenaangemerktals eendaad vanvervolging,betekentditdathetbestuur vande Belastingdienstde bevoegdheid heeftom een fiscaalstrafbaar feitte vervolgenente bestraffen.Hetbestuur vande Belastingdienstkomthiermee infeite op eensoort‘rechterlijke stoel' te zitten.Datditook de bedoeling is,blijktuitde memorie vantoelichting.[8]
Hierinis bepaald dathetkarakter vande strafbeschikking overeenkomtmeteenrechterlijke beslissing.Daarnaastblijktuitde gewijzigde redactie vanart.76 AWRdatvanaf1 oktober 2010 de bevoegdheid vanhetbestuur vande Belastingdienst- uitzonderingen op grond vanhetovergangsrechtdaargelaten- vervaltom eentransactie aante bieden.
Inditartikelwordtingegaanop de vraag wathetnubetekentdathetbestuur vande Belastingdiensteenstrafbeschikking kan uitvaardigen.Daarnaastkomtde vraag aanbod ofmetde invoering vande strafbeschikking hetaangaanvaneentransactie voor fiscale delictenvande baanis.Verder komenook de voorwaardenvoor de strafbeschikking,de rechtsmiddelentegende strafbeschikking en de tenuitvoerlegging vande strafbeschikking aanbod.
2.Afdoeningfiscaledelictendoortransactie
Per 1 oktober 2010 is art.76 AWRvolledig toegespitstop de bevoegdheid vanhetbestuur vande Belastingdienstom een
strafbeschikking uitte vaardigen.Hoewelde wetgever inde wetsgeschiedenis opmerktdatde mogelijkheid tothetaanbiedenvaneen transactie blijftbestaannaastde mogelijkheid vanhetuitvaardigenvaneenstrafbeschikking,kanditvoor fiscale delictendus niet wordenwaargemaakt.Vanafdeze datum biedtart.76 AWRhetbestuur vande Belastingdienstnamelijk geenwettelijke basis meer voor hetaanbiedenvaneentransactie.Hieruitzoukunnenwordenafgeleid datde wetgever zijntoezeggingentenaanzienvanhet aanbiedenvaneentransactie voor fiscale delictendus nietwaarmaakt.Maar kloptditook?
Hoewelde wetsgeschiedenis hierover geenduidelijkheid biedt,benik vanmening dathetaanbiedenvaneentransactie voor fiscale delictennog steeds totde mogelijkhedenbehoort.Hetenige verschilis datvoortaande officier vanjustitie deze mogelijkheid heeft. Redenvoor ditstandpuntis datvanaf1 oktober 2010 art.76 AWRnietlanger bepaaltdathetbestuur vande Belastingdienstexclusief bevoegd is tothetaanbiedenvaneentransactie voor fiscale delicten.Ditbetekentdatde uitzondering op de hoofdregelnietlanger van toepassing is.Gevolg is danook datde algemene transactiebevoegdheid vanart.74 en74a Wetboek vanStrafrecht(hierna:Sr) ook vantoepassing wordtop fiscale delicten.De officier vanjustitie kaninmijnogendanook vanaf1 oktober 2010 eentransactie aanbiedenvoor fiscale delicten.Ofde wetgever deze mogelijkheid ook voor ogenheeftgehad,moetwordenafgevraagd.Immers,inde wetsgeschiedenis zijnde transactiemogelijkhedenvoor fiscale delictenvolledig buitenbeschouwing gelaten.Eenander puntis ofde officier vanjustitie vandeze nieuwe bevoegdheid ook daadwerkelijk gebruik zalmaken;zoals inparagraaf3 blijkt,krijgtook hijde mogelijkheid om voor fiscale delicteneenstrafeschikking uitte vaardigen.
Waar de wetgever naar vorenbrengtdatde WetOM-afdoening alleenzietop de mogelijkheid om eenstrafbeschikking uitte vaardigen, blijktuithetvoorgaande datdeze nieuwe wetgeving ook - aldannietbedoeld - nieuwe bevoegdhedenscheptvoor de officier vanjustitie.
3.Procedureuitvaardigenstrafbeschikking
Eenstrafzaak afdoenvia eentransactie kanalleenplaatsvindenals de verdachte daarmee instemt.Immers,de verdachte moetvoldoen
aande voorwaardendie bijde transactie zijngesteld.Voldoetde verdachte daaraanniet,dankande strafzaak alsnog voor de rechter wordengebracht.Nietteminblijftook dande beslissing om de strafzaak aande rechter voor te leggenbijde officier vanjustitie liggen. Ditis bijde strafbeschikking anders geregeld.
Zowelhetbestuur vande Belastingdienstals de officier vanjustitie kanzelfbeslissenofeenstrafbeschikking wordtuitgevaardigd en welke strafdaarinis opgenomen.De strafbeschikking is dus eeneenzijdige rechtshandeling waarbijgeenwilsovereenstemming metde verdachte nodig is.Welis inditkader vanbelang op te merkendatbijeenaantalstraffendie door middelvaneenstrafbeschikking kunnenwordenopgelegd,moetwordenbeoordeeld ofde verdachte bereid is deze strafte ondergaan.Hierop ga ik inparagraaf4 in. Indiende verdachte hetnieteens is metde strafbeschikking,danis hetaanhem om daartegenhetrechtsmiddelvanverzetaante wenden.Methetaanwendenvandatrechtsmiddelzorgtde verdachte ervoor datzijnstrafzaak alsnog aaneenrechter wordtvoorgelegd. Bijde strafbeschikking ligtde beslissing om de strafzaak aaneenrechter voor te leggendus bijde verdachte.Hoewelde toegang totde rechter nietwordtbelemmerd,komthetinitiatiefom de rechter naar de strafzaak te latenkijkendus bijde verdachte te liggen. Hetuitvaardigenvaneenstrafbeschikking is aaneenaantalvoorwaardenverbonden.Zo kande strafbeschikking nietvoor alle delicten wordengebruiktals afdoeningsmogelijkheid.Daarnaastbepaaltde wetdatnietalle functionarissendie eenstrafbeschikking mogen uitvaardigenook alle straffendaarbijmogenhanteren.Inde volgende paragrafenwordtingegaanop de procedure die moetworden gehanteerd voor hetuitvaardigenvaneenstrafbeschikking.
3.1.Voorwaardenvoordestrafbeschikking
Uitart.257a Wetboek vanStrafvordering (hierna:Sv) volgtdateenstrafbeschikking kanwordenuitgevaardigd voor alle overtredingen
envoor de misdrijvenwaarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstrafis gesteld vannietmeer danzes jaar.Voor de fiscale delictenbetekentditdatinalle gevalleneenstrafbeschikking kanwordenuitgevaardigd.Uitart.69 AWRvolgtimmers datde maximale gevangenisstrafop eenfiscaaldelicttenhoogste zes jarenbedraagt.
Eenandere voorwaarde die vantoepassing is op de strafbeschikking,is dathetbestuur vande Belastingdienstofde officier vanjustitie de schuld vande verdachte dientvastte stellen.Als de verdachte geenschuld heeftaanhetdelict,danmag hetbestuur vande Belastingdienstofde officier vanjustitie geenstrafbeschikking uitvaardigen.Bijde beoordeling ofsprake is vanschuld vande verdachte aanhetdelictdientook beoordeeld te wordenofsprake is vaneenstrafuitsluitingsgrond.Eenstrafuitsluitingsgrond neemtde strafbaarheid vande concrete gedraging ofde strafbaarheid vande dader weg.Eenstrafuitsluitingsgrond is bijvoorbeeld overmachtin de zinvaneennoodtoestand,hetberoep op noodweer,hetberoep op psychische overmachtofafwezigheid vanalle schuld.

Inde wetsgeschiedenis[9]is ook aanbod gekomenhoe moetwordenomgegaanmetde schuldvraag op hetmomentdateenverdachte geenrechtsmiddelaanwendttegende strafbeschikking.De strafbeschikking is zoals alis opgemerkteendaad vanvervolging enlevert eenbestraffing op die is gebaseerd op eenvaststelling vanschuld aaneenstrafbaar feit.Als er geenrechtsmiddeltegende strafbeschikking wordtingesteld,danbetekentditdatde schuld aanhetstrafbare feitonherroepelijk komtvastte staan.Maar betekent ditnuerkenning vanschuld door de verdachte? Deze vraag is tijdens de behandeling vanhetwetsvoorstelook aande orde gekomen. De minister heefttoen[10]geantwoord:"Er is geensprake vanschulderkenning (...) maar om de schuldvaststelling,die nietwordt bestreden." Erg duidelijk is ditantwoord vande minister niet.Wathijnaar alle waarschijnlijkheid bedoeltte zeggen,is datals geen rechtsmiddelwordtaangewend tegende strafbeschikking,de schuldvraag weliswaar onherroepelijk is komenvastte staan,maar datde verdachte hiermee nieterkentdathijschuld heeftaanhetstrafbare feit.Eenverdachte die er bijvoorbeeld om proceseconomische redenenvoor kiestom geenverzetaante tekenentegende strafbeschikking erkentdus nietdathijschuld heeftaanhetstrafbare feit. Mochter over dezelfde gedraging ook verschilvanmening bestaanmetde inspecteur vande Belastingdienst,dankandeze laatste dus nietzonder meer als vaststaand feitvermeldendatde verdachte schuld heeftaande gedraging.De inspecteur zaldaarnaar een zelfstandig onderzoek moetenverrichten.
3.2.Bevoegdheidtotuitvaardigenstrafbeschikking
Tot1 oktober 2010 bepaaltart.76 AWRdatde exclusieve bevoegdheid tothetaanbiedenvaneentransactie voor fiscale delictenrust
bijhetbestuur vande Belastingdienst.Indatkader is inart.76 AWRopgenomendatart.76 AWRinde plaats komtvanart.74 en74a Sr.Gevolg hiervanis datde officier vanjustitie geenbevoegdheid heefttothetaanbiedenvaneentransactie.
De vraag die opkomt,is ofhetnieuwe art.76 AWRde algemene bevoegdheid tothetuitvaardigenvaneenstrafbeschikking zoals opgenomeninart.257a Svook opzijzet.Ik benvanmening dat,hoewelook ditpuntnietexplicietinde wetsgeschiedenis aande orde is gesteld,ditniethetgevalis.
Art.76,lid 1 AWRbepaaltnamelijk:
"Tenaanzienvande bijde belastingwetstrafbaar gestelde feitenmetbetrekking totwelke hetproces-verbaalnietovereenkomstig artikel80,tweede lid,inhandenvande officier vanjustitie is gesteld,kan,inafwijking vande artikelen257a en257b vanhet Wetboek vanStrafvordering,uitsluitend hetbestuur van's Rijks belastingeneenstrafbeschikking uitvaardigen
(...)"
Hieruitkanafgeleid wordendatde bevoegdheid tothetuitvaardigenvaneenstrafbeschikking is gekoppeld aande plaats waar het proces-verbaalzichbevindt.Heefthetbestuur vande Belastingdiensthetprocesverbaalonder zich,danmag hijeenstrafbeschikking uitvaardigen.Heefthetbestuur vande Belastingdiensthetproces-verbaalechter overhandigd aande officier vanjustitie,dankanhij geenstrafbeschikking meer uitvaardigen.Indatgevalzijner twee mogelijkhedenom tocheenstrafbeschikking uitte vaardigen.Inde eerste plaats kande officier vanjustitie ervoor kiezenom hetproces-verbaalweer inhandente stellenvanhetbestuur vande Belastingdienst(art.80,lid 2 AWR).Hetbestuur vande Belastingdienstkanvervolgens eenstrafbeschikking uitvaardigen.De tweede mogelijkheid is datde officier vanjustitie zelfeenstrafbeschikking uitvaardigt.Integenstelling totde huidige redactie vanart.76 AWR bepaalthetnieuwe art.76 AWRnietdathetbestuur vande Belastingdienstexclusiefbevoegd is tothetuitvaardigenvaneen strafbeschikking voor fiscale delicten.De officier vanjustitie kan,als hijhetproces-verbaalonder zichheeft,dus ook een strafbeschikking uitvaardigen.
Ook voor ditonderdeelvande strafbeschikking geldtdatvande wetgever tenminste verwachtmag wordendathijhierover duidelijkheid verschaft.Eenverdachte moetimmers wetenwaar hijaantoe is tijdens de behandeling vanzijnstrafzaak enwelke functionaris welke bevoegdhedenheeft.Daar komtnog bijdattussende strafbeschikking vanhetbestuur vande Belastingdienstende strafbeschikking vande officier vanjustitie éénbelangrijk verschilzit.Hetbestuur vande Belastingdienstkanalleeneengeldboete als strafopleggen, terwijlde officier vanjustitie bijeenstrafbeschikking ook eentaakstrafkanopleggen.Voor de verdachte is hetdus uitermate vanbelang om te wetenwie bevoegd is om aanhem eenstrafbeschikking uitte vaardigen.
3.3.Eisenaandestrafbeschikking
Inde wet(art.257a Sv) is eenaantaleisenopgenomenwaaraaneenstrafbeschikking moetvoldoen.Deze eisenzienop de gegevens
die op de strafbeschikking moetenwordenvermeld.Deze gegevens zijn(1) naam,adres,woonplaats vande verdachte,(2) opgave van hetfeit,alsmede de plaats entijd waarop hetfeitheeftplaatsgevonden,(3) de kwalificatie vanhetstrafbare feit,(4) de straf,maatregel en/ofaanwijzing die wordenopgelegd,(5) de datum waarop de strafbeschikking wordtuitgevaardigd,(6) eenrechtsmiddelverwijzing en (7) de wijze waarop de strafbeschikking tenuitvoer wordtgelegd.
Inart.257a,lid 4 Svis nietvoorgeschrevendatde strafbeschikking wordtgemotiveerd.Ditbetekentechter nietdathetbestuur vande Belastingdienstofde officier vanjustitie nooiteenmotivering hoeftte geven.Ineenaantalgevallendientde verdachte namelijk voorafgaand aanhetuitvaardigenvande strafbeschikking te wordengehoord.Tijdens dathoorgesprek kande verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpuntinnemen.Indiendathetgevalis enhetbestuur vande Belastingdienstofde officier vanjustitie wenst afte wijkenvandatuitdrukkelijk onderbouwd standpunt,moetde redendaarvoor onder omstandighedeninhetverslag worden gemotiveerd (art.257c,lid 3 Sv).Deze omstandighedendoenzichvoor als hetbestuur vande Belastingdienstofde officier vanjustitie nog nietmondeling heeftgereageerd op dituitdrukkelijk onderbouwd standpunt.Heefthetbestuur vande Belastingdienstofde officier vanjustitie altijdens hethoorgesprek ofnadienaande verdachte mondeling medegedeeld waarom wordtafgewekenvanhet uitdrukkelijk onderbouwde standpunt,danvervaltde motiveringsplichtinhethoorverslag.[11]
3.4.Hoorplicht
Bijeenaantalsancties die door middelvaneenstrafbeschikking kunnenwordenopgelegd,is inde wetbepaald datde verdachte moet
wordengehoord (art.257c Sv).Voor hetbestuur vande Belastingdienstgeldtdathetde verdachte moethorenindienhetvoornemens is eengeldboete op te leggenvanmeer dan€ 2.000 (art.76,lid 3 AWR).Voor de officier vanjustitie geldtindeze situatie ook een hoorplicht.Daarnaastgeldtvoor de officier vanjustitie eenhoorplichtals hij- voor zover voor fiscale delictenrelevant- overgaattothet opleggenvaneentaakstrafoftotgedragsaanwijzingen(art.257c Sv).Voor de uitleg vandeze gedragsaanwijzingenmoetworden aangeslotenbijde huidige praktijk vangedragsvoorwaarden(art.14c Sr).Bijdeze gedragsvoorwaardenkanbijvoorbeeld gedacht wordenaangeclausuleerde ofpartiële ontzegging vande bevoegdheid motorrijtuigente besturen,eenstraatverbod,medische ingrepen,eenambulante behandeling ofaanwijzingenvande reclassering.
Aangezieninde wetsgeschiedenis nietis ingegaanop de mogelijkheid datook de officier vanjustitie eenstrafbeschikking voor een fiscaaldelictkanuitvaardigen,kanwellichtook als gedragsaanwijzing wordenopgenomendatde verdachte alsnog moetvoldoenaan zijnverplichtingenop basis vande belastingwet.Voor de strafbeschikking die door hetbestuur vande Belastingdienstkanworden uitgevaardigd,is deze aanwijzing explicietopgenomeninart.76,lid 2,sub d AWR.Eenequivalentvoor de officier vanjustitie is niet opgenomeninart.257a Sv,zodatdeze aanwijzing mogelijk onder de noemer ‘andere aanwijzingen,hetgedrag vande verdachte betreffend' gaatvallen.
De redenvoor de hoorplichtis dat(1) ditkanbijdragenaande zorgvuldigheid vanhetvaststellenvande schuld vande verdachte,(2) tijdens hetgesprek kenbaar kanwordengemaaktwelke sancties inde strafbeschikking wordenopgenomenen(3) beoordeeld kan wordenofde verdachte bereid is te voldoenaande strafbeschikking.
Vanhethorendienteenschriftelijk verslag te wordenopgemaakt.Inditverslag dienthetgeentijdens hethoorgesprek aande orde is gesteld,te wordenvastgelegd.Zoals alis opgemerkt,kande verdachte tijdens hethoorgesprek eennadrukkelijk onderbouwd standpunt innemen.Hierop geldtdaneenresponsieplichtvoor hetbestuur vande Belastingdienstofde officier vanjustitie.
Zoals uithetvoorgaande blijkt,is de hoorplichtnietgekoppeld aanhetsoortdelictdatde verdachte heeftbegaan,maar aande soortof

de zwaarte vande op te leggensanctie.Nietalleenhethorenvande verdachte kanbijdragenaaneenzorgvuldige behandeling vande zaak,maar ook de aanwezigheid vaneenraadsmanbijdathoorgesprek kandie zorgvuldigheid versterken.Art.257c,lid 2 Svbepaalt danook datals eengeldboete ofschadevergoedingsmaatregelvanmeer dan€ 2.000 wordtopgelegd,de verdachte bijgestaandoor eenraadsmanwordtgehoord.Heeftde verdachte geenraadsman,danis afdoening door de rechter aangewezen.[12]
Op deze verplichte aanwezigheid vaneenraadsmanbijhethoorgesprek heeftde wetgever voor fiscale delicteneenuitzondering gemaakt.De wetgever is vanmening datbijfiscale delicteneenraadsmannietvereistis.Redenhiervoor is,aldus de wetgever,datde aard vande fiscale delictenende verdachtendie daarbijinbeeld zijnrechtsbijstand minder voor de hand liggend maakt.[13]Daarnaast wordtinditkader opgemerktdatuitde praktijk zoublijkendatinde huidige buitengerechtelijke afdoening vanfiscale zakendoor de Belastingdienstadvocateneenzeer bescheidenrolzoudenspelen.Deze redenenrechtvaardigenmijns inziens niethetverschilin behandeling vanverdachtenvan‘gewone' strafzakenenverdachtenvanfiscale strafzaken.Als de aanwezigheid vaneenraadsmanbij hetopleggenvaneenhoge geldboete voor ‘gewone' strafzakenwordtgezienals eenwaarborg,danzoudittenminste tochook moeten geldenvoor de geldboete ineenfiscale strafzaak.Waarom tussendeze twee categorieënstrafzakeneenonderscheid moetworden gemaakt,wordtdoor de wetgever nietgemotiveerd.Evenminmotiveertde wetgever waarom de aard vande fiscale delictenende daarbijbetrokkenverdachtenredenzijnvoor de conclusie datrechtsbijstand tijdens hethoorgesprek minder voor de hand liggend is. Hetzelfde geldtvoor hetargumentdateenraadsmanbijfiscale delicteneenzeer bescheidenrolzouspelen.Aangeziende wetgever geenovertuigende argumentenheeftvoor het- onterechte - onderscheid,benik vanmening datditnog voor 1 oktober 2010 (de inwerkingtreding vande WetOM-afdoening voor fiscale delicten) moetwordenopgeheven.Immers,voor alle verdachtenmoetgelden datde strafbeschikking op eenzorgvuldige wijze enmetinachtneming vanalle waarborgentotstand komt.
4.Straffen,maatregelen,aanwijzingen
Inparagraaf3 is opgemerktdatzowelhetbestuur vande Belastingdienstals de officier vanjustitie bevoegd is om voor fiscale delicten
eenstrafbeschikking uitte vaardigen.Wie wanneer de bevoegdheid heeft,is afhankelijk vanwie hetproces-verbaalinhandenheeft. Heefthetbestuur vande Belastingdiensthetproces-verbaalinhanden,danis hijbevoegd om eenstrafbeschikking uitte vaardigen. Heeftde officier vanjustitie hetproces-verbaalinhanden,danmag hijeenstrafbeschikking uitvaardigen. Bijhetuitvaardigenvaneenstrafbeschikking zijner twee hoofdstraffente onderscheiden,namelijk de geldboete ende taakstraf.Op grond vanart.76 AWRis hetbestuur vande Belastingdienstalleenbevoegd om eengeldboete op te leggen.De officier vanjustitie daarentegenkannaastde geldboete ook eentaakstraf(totmaximaal180 uur) opleggen.
Inde strafbeschikking kannaasteenstrafook eenaanwijzing wordenopgenomen.De aanwijzingendie hetbestuur vande Belastingdienstkanopleggen,zijnopgenomeninhetnieuwe art.76,lid 2 AWR.Deze aanwijzingenzijnnietnieuw.De aanwijzingen komennamelijk overeenmetde voorwaardendie hetbestuur vande Belastingdienstkonstellenbijhetaanbiedenvaneentransactie. Eenvande aanwijzingenis bijvoorbeeld datde verdachte alsnog moetvoldoenaaneenbijde belastingwetgestelde verplichting (art. 76,lid 2,sub d AWR).
Ook de officier vanjustitie heeftde mogelijkheid om inde strafbeschikking aanwijzingenop te nemen(art.257c,lid 5 Sv).
5.Rechtsmiddel
Eenverdachte kanbinnenveertiendagenverzetaantekenentegende strafbeschikking vande officier vanjustitie ofhetbestuur vande
Belastingdienst.Deze termijnvanveertiendagenvangtaannadathetafschriftvande strafbeschikking inpersoonaande verdachte is uitgereiktofer zicheenandere omstandigheid heeftvoorgedaanwaaruitvoortvloeitdatde verdachte bekend is geraaktmetde strafbeschikking (art.257e,lid 1 Sv).
Indiende strafbeschikking inpersoonaande verdachte wordtuitgereikt,is directbekend wanneer de verzetstermijnbegintte lopen. Heefthetbestuur vande Belastingdienstofde officier vanjustitie ervoor gekozenom de strafbeschikking aande verdachte per posttoe te zenden,danis de aanvang vande verzetstermijnnietduidelijk.Indatgevalkannietmetzekerheid wordenvastgesteld wanneer de verdachte bekend is gewordenmetde strafbeschikking.Indeze laatste situatie begintde veertiendagentermijnpas te lopenop het momentdatde verdachte bekend is gewordenmetde strafbeschikking.Indeze situatie kandus lange tijd onzekerheid bestaanofde verzetstermijnis aangevangenenwanneer deze is geëindigd.De wetgever heefthierop éénuitzondering gemaakt.Tegeneen strafbeschikking waarineengeldboete vannietmeer dan€ 340 is opgelegd,wegens eenovertreding die tenhoogste vier maanden voor de toezending vanhetafschriftvande strafbeschikking is begaan,kanverzetwordengedaantotuiterlijk zes wekenna toezending vande strafbeschikking (art.257e,lid 1 Sv).Heeftde verdachte nietbinnendeze zes wekenverzetaangetekend,danstaatde strafbeschikking onherroepelijk vast.
Hetverzetkanop verschillende manier wordenaangetekend.Hierbijgeldtechter dathetgeenverschilmaaktofde strafbeschikking is uitgevaardigd door hetbestuur vande Belastingdienstofde officier vanjustitie.Inbeide gevallendientde verdachte zichte wendentot hetparketvande officier vanjustitie.De eerste mogelijkheid om verzetaante tekenen,is datde verdachte,zijnraadsmanofeen bijzonder gevolmachtigde inpersoonop hetparketdatinde strafbeschikking is vermeld,verzetaantekent(art.257e,lid 3 Sv).Een andere mogelijkheid is datde verdachte ofzijnraadsmandoor middelvaneenondertekende briefaande officier vanjustitie verzet aantekenttegende strafbeschikking (art.257e,lid 3 Sv).
Bijhetaantekenenvanhetverzetdient(1) de naam vande verdachte en(2) eennauwkeurige omschrijving ofkopie vande strafbeschikking te wordenopgegeven.Daarnaastkande verdachte ervoor kiezenom schriftelijk zijnbezwarentegende strafbeschikking kenbaar te maken(art.257e,lid 4 Sv).Hetopnemenvandeze bezwarenis nietverplichtenis dus ook geen voorwaarde voor eenontvankelijk verzet.
De verdachte kanzijnverzetuiterlijk totde aanvang vande behandeling vande strafzaak ter terechtzitting intrekken(art.257e Sv).Maakt de verdachte vandeze mogelijkheid gebruik,danbetekentditdathijlater nietopnieuwverzetkanaantekenentegende strafbeschikking.
De verdachte kaner ook voor kiezenom afstand te doenvanhetinstellenvanverzet.Ditkande verdachte doendoor vrijwillig te voldoen aande strafbeschikking ofdoor eenschriftelijke verklaring.Maaktde verdachte vandeze laatste mogelijkheid gebruik,danmoethij bijstand vaneenraadsmanhebben(art.257e,lid 2 Sv).Heeftde verdachte geenbijstand vaneenraadsman,dankanhijdus alleen afstand doenvanzijnrechttotverzetdoor vrijwillig aande strafbeschikking te voldoen.
Indienverzetwordtaangetekend tegende strafbeschikking,kande officier vanjustitie beslissenom (1) de strafbeschikking inte trekken,(2) de strafbeschikking te wijzigenof(3) niets te doen.Hierbijis vanbelang op te merkendatook buitende situatie datverzet door de verdachte is aangetekend,de officier vanjustitie eenstrafbeschikking kanintrekkenofwijzigen.[14]
5.1.Intrekkenstrafbeschikking
Inde situatie datde officier vanjustitie de strafbeschikking intrekt,betekentditinprincipe dathetvervolgingsrechtvervalt.Ditkanalleen
doorbrokenwordenindienhetgerechtshofineenbeklagprocedure alsnog de vervolging vande verdachte beveelt(art.255a Sv).
5.2.Wijzigenstrafbeschikking
Hetinstellenvanverzetkanertoe leidendatde officier vanjustitie vanmening is datde strafbeschikking voor verbetering vatbaar is.Uit
de wetsgeschiedenis blijktnietduidelijk ofdeze verbetering vande strafbeschikking alleenkanleidentoteenlagere strafvoor de verdachte ofdatook eenhogere straftotde mogelijkhedenbehoort.De wetsgeschiedenis[15]merkthierover slechts op dathetwijzigen vande strafbeschikking slechts nutheeftals die wijziging ertoe strektdatde verdachte hetingestelde verzetintrektdanwelna de wijziging vrijwillig aande strafbeschikking wilvoldoen.
Uitdeze passage zoukunnenwordenafgeleid dateenwijziging vande strafbeschikking alleenzoukunnenleidentoteenverlaging van

de opgelegde straf.Maar zekerheid over de mogelijkheid om de strafbeschikking te verhogen,wordthiermee nietverkregen.Daar komt nog bijdatuitde praktijk blijktdathetinstellenvaneenrechtsmiddelertoe kanleidendataande verdachte eenhogere strafwordt opgelegd.
Metdeze opmerkingeninhetachterhoofd eenkorte casus.Zoals uitart.257g Svvolgt,wordtde tenuitvoerlegging vande strafbeschikking opgeschortofgeschorstdoor hetinstellenvanverzet,tenzijvaststaatdatde verdachte te laatverzetheeftaangetekend. Als de verdachte nuenkelenalleenvanwege deze schorsing/opschorting vande tenuitvoerlegging vande strafbeschikking tijdig verzet heeftaangetekend,kande officier vanjustitie dandreigendathijde strafbeschikking verhoogtals hetverzetnietwordtingetrokken, zodatmetde tenuitvoerlegging kanwordenaangevangen? Ik denk datdeze mogelijkheid nietmoetwordenuitgesloten.Immers,zoals uithetvoorgaande blijkt,is er geenrestrictie opgelegd dateenstrafbeschikking alleenineenvoor de verdachte positieve zinmag wordengewijzigd.Daarnaastblijktuitde praktijk dathetaanwendenvaneenrechtsmiddelhetrisico vaneenverhoging vande strafmet zichmeebrengt.Ofde officier vanjustitie hier inde praktijk ook gebruik vanzalmaken,moetwordenafgewacht.
Gaatde officier vanjustitie over tothetwijzigenvande strafbeschikking,dangeldthetingestelde verzetook voor de gewijzigde strafbeschikking (art.257e,lid 8 Sv).
5.3.Geenactiedoordeofficiervanjustitie
Indiende officier vanjustitie vanmening is datde strafbeschikking instand moetblijvenener is verzetaangetekend,dandienthijde
zaak voor te leggenaande strafrechter.De verdachte ontvangtdaartoe eenoproeping om voor de strafrechter te verschijnen.Eenvraag die hierbijopkomt,is ofhetindeze situatie mogelijk is om eenbezwaarschriftinte dienen.Hetindienenvaneenbezwaarschriftzorgt ervoor datde strafzaak ineerste instantie nietinde openbaarheid wordtbehandeld.Hetindienenvaneenbezwaarschriftis op grond vande wet(art.262 Sv) alleentoegelatenindiensprake is vaneendagvaarding.
Betekentditdandatde verdachte die verzetheeftaangetekend tegende strafbeschikking eneenoproeping ontvangt,geengebruik kan makenvande bezwaarmogelijkheid? Naar de letter vande wetmoetdeze vraag bevestigend wordenbeantwoord.Hetis echter de vraag ofditook geldtals wordtgekekennaar de bedoeling vande wetgever indeze.De wetgever heeftvoor de behandeling vande strafzaak na verzettegende dagvaarding de gebruikelijke wijze vanprocederenvantoepassing verklaart,zijhetdatinplaats vaneen dagvaarding eenoproeping wordtuitgereikt.Daarnaastgeldtdatals de strafbeschikking nietvolledig tenuitvoer is gelegd,de officier vanjustitie de verdachte kandagvaarden(art.255a Sv) enhetindienenvaneenbezwaarschriftdus totde mogelijkhedenbehoort.Gelet op de bedoeling vande wetgever is hetdanook verdedigbaar datindeze situatie eenbezwaarschrifttegende oproeping kanworden ingediend.Aangezienhetde bedoeling vande wetgever is dathetindienenvaneenbezwaarschriftmogelijk is,zouditook uitde wet moetenblijken.Mijns inziens zoude wetgever op ditpuntde wetdanook moetenaanpassen.
Hetinstellenvanverzettegende strafbeschikking zorgtervoor datde strafrechter de strafzaak inhoudelijk beoordeelt.De beoordeling vande strafrechter is dus nietgerichtop de strafbeschikking ende wijze waarop die totstand is gekomen.
6.Tenuitvoerlegging
Bijde tenuitvoerlegging vande strafbeschikking tredenverschilleninwerking tussende strafbeschikking die door hetbestuur vande
Belastingdienstis uitgevaardigd ende strafbeschikking vande officier vanjustitie.
Inart.3a Invorderingswet1990 (hierna:IW 1990) wordtmetingang van1 oktober 2010 bepaald datde ontvanger vande Belastingdienstbelastis metde invordering vande strafbeschikking.Tevens wordtinditartikelbepaald datde ontvanger daarbij gebruik mag makenvanzijnbevoegdhedenuitde Invorderingswet.Ditbetekentbijvoorbeeld datals de strafbeschikking niettijdig wordt betaald door de verdachte,invorderingsrente is verschuldigd (art.28 IW 1990).Daarnaastkande ontvanger eenverdachte die weigert te betalenmaximaaléénjaar gijzelen(art.20 IW 1990).Daarnaastmag de ontvanger gebruikmakenvanzijnruime mogelijkhedentot verrekening (art.24 IW 1990).De verdachte heeftechter weleenmogelijkheid om de tenuitvoerlegging vande ontvanger aante pakken. Op grond vanart.3a jo.art.17 IW 1990 kande verdachte bijde civiele rechter verzetaantekenen.De civiele rechter zalvervolgens een oordeeldienente vellenover de tenuitvoerlegging.Gedurende de behandeling vanhetverzetdoor de civiele rechter is de tenuitvoerlegging vande strafbeschikking geschorst.
Wordtde strafbeschikking vande officier vanjustitie nietop tijd betaald,dangeldenhiervoor de normale regels uithetWetboek van Strafrecht.Ditbetekentdateersteenaantalaanmaningenmetverhoging wordtverzonden(art.24b Sr).Blijftde verdachte dannog in gebreke methetbetalenvande geldboete,dankande officier vanjustitie bijde kantonrechter vorderendatde verdachte wordt gegijzeld (art.578b Sv).Deze gijzeling duurtminimaalééndag per strafbaar feitenmaximaaléénweek.Deze gijzeling heftde betalingsverplichting vande verdachte nietop,maar is slechts eenaanzettotbetaling.
Zoals uithetvoorgaande blijkt,is bijde tenuitvoerlegging de verdachte meteenstrafbeschikking vanhetbestuur vande Belastingdienst slechter afdande verdachte meteenstrafbeschikking vande officier vanjustitie.De wetsgeschiedenis zwijgtinalle talenover de reden vandeze afwijking inbehandeling.Conclusie is danook dater geenargumentenaanwezig zijn,laatstaaneenrechtvaardiging,voor deze ongelijke enongunstige behandeling vanstrafbeschikkingenvanhetbestuur vande Belastingdienst.Redenwaarom de wetgever hieraannog voor de invoering op 1 oktober 2010 eeneinde dientte maken.
Heeftde verdachte verzetaangetekend tegende strafbeschikking,danbetekentditdatde tenuitvoerlegging vande strafbeschikking wordtgeschorstofopgeschort(art.257e Sv).
Blijftde verdachte te allentijde ingebreke te voldoenaande strafbeschikking,dankande officier vanjustitie ervoor kiezenom de verdachte alsnog te dagvaardenende zaak voor de strafrechter te brengen.
7.Overgangsrecht
Inart.XIWetOM-afdoening is hetovergangsrechtvoor fiscale delictenopgenomen.Ditovergangsrechthoudtindatop hetmomentdat
vóór 1 oktober 2010 eentransactievoorstelis gedaandoor hetbestuur vande Belastingdienstde oude wetblijftgelden.Heefthet bestuur vande Belastingdienstinlopende fiscale strafzakengeentransactie aangeboden,dangeldtde nieuwe wetgeving.Indatgeval kanhetbestuur vande Belastingdienstdus nietlanger eentransactie aanbieden,maar alleeneenstrafbeschikking uitvaardigen.
8.Conclusie
Almetalheeftde invoering vande WetOM-afdoening nogalwat‘voeteninaarde' voor hetafdoenvanfiscale strafzaken.Het
buitengerechtelijk afdoenvaneenfiscale strafzaak is nietlanger voorbehoudenaanhetbestuur vande Belastingdienst.Zoals inhet voorgaande is opgemerkt,heeftde officier vanjustitie namelijk vanaf1 oktober 2010 de bevoegdheid om eentransactie aante bieden aande verdachte ter voorkoming vanstrafvervolging.Daarnaastheeftde officier vanjustitie de mogelijkheid om,indienhijhetproces-verbaalinhandenheeft,eenstrafbeschikking uitte vaardigen.Bijdeze strafbeschikking kanhijnietalleeneengeldboete,maar ook een taakstrafopleggenter bestraffing vanhetfiscale delict.Hetbestuur vande Belastingdienstdaarentegenkaneenfiscaaldelictalleen bestraffenmeteengeldboete.
Inhetvoorgaande is ook opgenomendater eenaantalgrote verschillenzitinbijvoorbeeld de tenuitvoerlegging vaneenstrafbeschikking uitgevaardigd door hetbestuur vande Belastingdiensteneenstrafbeschikking vande officier vanjustitie.Aangezienvoor deze verschillengeenrechtvaardiging bestaat,doetde wetgever er verstandig aanom ditnog voor 1 oktober 2010 op te lossen.Hetzelfde geldtvoor hetverschilvande verplichte aanwezigheid vaneenraadsmanbijhethoorgesprek als eengeldboete vanmeer dan€ 2.000 wordtopgelegd.Ook voor verdachtenvanfiscale delictengeldtdatzijrechthebbenop alle waarborgenvoor eenzorgvuldige totstandkoming vande strafbeschikking.
[1]Art.68 en69 AWR.

[2]Art.68 en69 AWR.
[3]Kennisgeving van11 december 2009,nr.DGB2009-6253M,Stcrt.2009,20351,gepubliceerd inV-N2010/4.7.
[4]Hetnadeeldatde Nederlandse Staatondervindtvande gedraging dientvoor particuliere belastingplichtigentenminste € 10.000 te zijnenvoor ondernemingentenminste € 15.000.3
[5]KamerstukkenII2004-2005,29 849,nr.3,p.1.
[6]KamerstukkenII2004-2005,29 849,nr.7,p.12.
[7]Zie bijvoorbeeld KamerstukkenII2004-2005,29 849,nr.3,p.1 en3.
[8]KamerstukkenII2004-2005,29 849,nr.3,p.1.
[9]KamerstukkenII2004-2005,nr.17,p.41.
[10]KamerstukkenII2004-2005,29 849,nr.17,p.41.
[11]KamerstukkenII2004-2005,29 849,nr.23,p.6.
[12]KamerstukkenII2004-2005,29 849,nr.3,p.31.
[13]KamerstukkenII2004-2005,29 849,nr.3,p.31.
[14]KamerstukkenII2004-2005,29 849 nr.3,p.73.
[15]KamerstukkenII2004-2005,29 849,nr.3,p.44.
Bron:http://www.ndfr.nl/link/IMPRFTV-201006446 Datum:2-2-2015 13:23:24
Alle rechten voorbehouden. Alle auteursrechten en databankrechten van deze tekst worden uitdrukkelijk voorbehouden. Deze rechten berusten bij Sdu Uitgevers. Niets uit NDFRmag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand ofopenbaar gemaakt in enige vorm ofop enige wijze, hetzij elektronisch,mechanisch, door fotokopieën, opnamen ofenige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
All rights reserved. No part ofthis publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without the publisher’s prior consent.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op