Edelweiss, binnenkort alweer overbodig; heeft de wetgever zijn hand overspeeld?

  

Edelweiss, binnenkort alweer overbodig; heeft de wetgever zijn hand overspeeld?

Datum: 01-02-2016
Auteur(s): B.J.G.L. Jaeger, V.S. Huygen van Dyck-Jagersma

Bekijk PDF

http://www.legalintelligence.com/documents/16501008?srcfrm=basic+search&stext=tfb&auth=11/6 Tijdschrift formeel belastingrecht 2016(1) Edelweiss, binnenkort alweer overbodig; heeft de wetgever zijn hand overspeeld? Publicatie Tijdschrift formeelbelastingrecht Aflevering 17afl. 1 Publicatiedatum 02februari2016 Auteurs Huygen van Dyck-Jagersma, mr. V.S.Jaeger, mr. B.J.G.L. Edelweiss, binnenkort alweer overbodig; heeft de wetgever zijn hand overspeeld? Op 1 januari 2012 is in het derde lid van art. 66 Successiewet 1956 (hierna:SW1956) de zogenoemde ‘Edelweiss-regeling’ ingevoerd. Het uitgangspunt bijinvoering was dat over geërfd buitenlands vermogen waarover nog geen belasting was betaald, tot in de eeuwigheid zou kunnen worden nageheven bijgebreke aan een navorderingstermijn. Gelet op de directe werking, althans vanwege het ontbreken van overgangsrecht, zou de regeling ook zien op oude, voordien al verjaarde, gevallen. Het heeft de pennen in beroering gebracht. Inmiddels hebben de eerste twee uitspraken over de terugwerkende kracht het licht gezien en nopen de ontwikkelingen (onder meer) op het gebied van de (automatische) internationale informatie-uitwisseling tot de vraag ofde regeling nu al zijn langste tijd heeft gehad. 1. Inleiding In de parlementaire geschiedenis is de wenselijkheid van invoering van het derde lid van art. 66SW 1956bepleit met het oog op de situatie waarin de executeur, niet zijnde één van de erfgenamen, pas na twaalfjaarmeedeelt dat ernog een zwart buitenlands vermogen in de erfenis valt.1 Vanwege de associatie met in Zwitserland gestald vermogen werd deze regeling vernoemd naarhet schattige (en ookalzo bijzonderzeldzame)bloemetje, te weten de edelweiss. Zowelin parlementaire debatten, als in de literatuur is de vraag gesteld ofersprake is van een daadwerkelijkte bestrijden probleemofvan symboolwetgeving.2 Ondanks dat is in het parlement de vraag nooit beantwoord ofermet de bepaling geen fantoomwerd bestreden. Zoals welvakerbij‘overige fiscale maatregelen’die met Prinsjesdag het licht zien en nog voorhet einde van het jaardoorbeide kamers moeten worden geloodst, zekerals het dan ooknog gaat omeen (aangenomen)amendement, is de invoering van het artikellid niet met alte veeldebat en zorg gepaard gegaan. Zelfs het antwoord op de vraag ofsprake was van een probleemis onbeantwoord gebleven. Desondanks is aan art. 66SW 1956het navolgende derde lid toegevoegd: ‘Indien voor de erfbelasting de aangifte over een bestanddeel van het voorwerp van die belasting dat in het buitenland wordt gehouden ofis opgekomen niet, onjuist ofonvolledig is gedaan, vervalt, in afwijking van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag niet.’ Eris bijinvoering niet voorzien in overgangsrecht. Naast de in het belastingrecht (en ookoverigens)wat onbekende ‘overkill’dat verjaring geheelontbreekt, rijst dus ookde vraag naarde terugwerkende kracht van de bepaling. Inmiddels is duidelijkdat wellicht de echte ‘edelweiss’zeldzaamis, maarde bepaling in veelbredere zin kan worden ingezet. Tussen de enorme stroomvan inkeerders van en ‘betrapten’met een buitenlandse bankrekening zat bijna vanzelfsprekend ookmenig kind dat het ‘probleem’ van mammie en pappie had geërfd, soms aljaren geleden. Dat eens verjaarde belastingheffing overerfenissen en andere vermogens alsnog herleeft, druist tegen iederrechtsgevoelin. De Belastingdienst heeft zich immers te houden aan het rechtszekerheidsbeginselen andere algemene ‘beginselen van behoorlijk bestuur’die de overheid tot betrouwbare partnerzouden moeten maken. Het negeren van verjaring – dat de rechtszekerheid dient – valt hierniet mee te rijmen. Tegen opgelegde Edelweiss-aanslagen, zelfs met boetes over‘verjaarde’jaren, lopen diverse procedures. De eerste uitspraken bespreken we in paragraaf2. De in de wet geregelde onbeperkte navorderingstermijn is niet tot de omschreven ‘Edelweiss’-situaties beperkt. De navorderingstermijn zondereinde geldt vooralle – zekerniet fictieve – situaties waarin buitenlandse vermogensbestanddelen niet in de aangifte erfbelasting zijn opgenomen. Dit roept de vraag op of, in het licht van Luxemburgse jurisprudentie, het onderscheid in navorderingstermijnen voor‘binnenlandse’en ‘buitenlandse’gevallen (nog)is gerechtvaardigd. In dit artikelbespreken wijin paragraaf2ofdeze regeling, vanafhet moment dat automatisch informatie wordt uitgewisseld, voordeze landen nog kan blijven gelden. In paragraaf3komt de terugwerkende kracht van de bepaling aan de orde. In paragraaf4zetten wijkanttekeningen bijde onbeperkte mogelijkheid tot heffen, omdat geen beperking is aangebracht in de termijn waarbinnen moet worden nagevorderd. In paragraaf5volgt nog een enkelwoord overde beboeting, omafte sluiten met een conclusie. 2. Houdbaarheid onderscheid bij automatische uitwisseling van informatie In het vierde lid van art. 16AWRheeft de wetgeverkort gezegd de vijfjaarstermijn omna te vorderen over(ondermeer) http://www.legalintelligence.com/documents/16501008?srcfrm=basic+search&stext=tfb&auth=12/6 binnenlandse spaartegoeden verlengd met zeven jaren ingevalersprake is van buitenlandse tegoeden. Ofdeze beperking van de vrijheid van kapitaalverkeeren dienstenverkeerwas gerechtvaardigd, is uitgemaakt in het arrest Xen Passenheim-van Schoot.2 Voordeze rechtvaardiging hebben de regeringen van Nederland, België en Italië de omstandigheid aangevoerd dat het de fiscus aan elke effectieve mogelijkheid ontbreekt ominformatie te verkrijgen overde tegoeden en de inkomsten uit een andere lidstaat.3 Het recht omzeven jaarlangerna te vorderen compenseert zowelde informatieachterstand, als de termijn die ervoornodig is om die informatie te krijgen.4 Het Hofvan Justitie verwoordt in overwegingen 72en 73de rechtvaardiging aldus:5 ‘-72. Ook al is een belastingplichtige voor zowel zijn binnenlandse als zijn buitenlandse tegoeden en inkomsten jegens de belastingautoriteiten tot dezelfde aangifteplicht gehouden, het risico dat voor de belastingautoriteiten van zijn woonstaat verzwegen tegoeden en inkomsten aan het licht komen, is bijtegoeden en inkomsten waarvoor geen regeling voor automatische uitwisseling van gegevens geldt, immers kleiner voor tegoeden en inkomsten uit een andere lidstaat dan voor binnenlandse tegoeden en inkomsten. -73. Voor zover een lidstaat voor belastbare bestanddelen waarvan de belastingautoriteiten geen kennis hebben, voorziet in een langere navorderingstermijn, kan hembijgevolg niet worden verweten dat hijde werkingssfeer van deze termijn beperkt tot belastbare bestanddelen die niet op zijn grondgebied zijn ondergebracht.’ Gelet op de uitdrukkelijke koppeling met het ontbreken van een regeling voorautomatische uitwisseling van gegevens, is het maarde vraag ofdeze uitspraakzondermeervoldoende basis biedt vooreen gerechtvaardigd onderscheid in een binnenlandse navorderingstermijn en een verlengde termijn bijbuitenlandse spaartegoeden in staten waarmee straks (automatisch)informatie wordt uitgewisseld. Pervolgend jaargaat automatische gegevensuitwisseling binnen OECD-verband van start, terwijlde recente ontwikkelingen in Zwitserland erop lijken te duiden dat dat land bereid is gegevens te verstrekken zonderconcrete op personen gerichte aanwijzingen. Als de rechtvaardigingshobbelniet kan worden genomen, komen we niet eens toe aan de vraag wat evenredig is. De rechtvaardiging vooreen afwijkende termijn wordt uitdrukkelijkgezien in de beperkte controlemogelijkheden. Zijn de mogelijkheden erfeitelijk, dan zullen landen daarvan gebruikmoeten maken en is een verlengde termijn voorbuitenlandse situaties onverenigbaarmet EU-recht. Op deze grond, bijaanwezigheid van aanwijzingen en controlemogelijkheden, oordeelde het Hofvan Justitie in een Belgische casus dat een termijn van tien jaarvooraandelen in het buitenland ten opzichte van twee jaarvoorbinnenlandse aandelen niet is toegestaan.6 Zo bezien komt erwellicht aan een wat ondoordachte bepaling alweersneleen eind. 3. De terugwerkende kracht van art. 66, lid 3, SW 1956 Bijgebreke aan overgangsrecht heeft de bepaling direct per1januari2012gelding gekregen. De bewoording van de bepaling sluit bovendien niet zondermeeruit dat navordering van erfbelasting ookmogelijkis in de gevallen dat de daags ervoorgeldende bepaling die mogelijkheid niet meerbood. Kortom, kunnen voorheen ‘verjaarde nalatenschappen’alsnog op basis van de nieuwe bepaling aan heffing worden onderworpen? De Belastingdienst betoogde van welen heeft in meerdere gevallen aanslagen opgelegd waarbijdeze vraag speelde. 3.1. De onhoudbaarheid van terugwerkende kracht in nationaal perspectief Terugwerkende kracht van regelgeving is een heikelpunt. Niet voorniets vermelden zelfs de ‘Aanwijzingen voorde regelgeving’ dat aan belastende regelingen, behoudens uitzonderlijke gevallen, geen terugwerkende kracht wordt toegekend.7 Terugwerkende kracht levert immers een aantasting op van de rechtszekerheid van de burger. Voorhet bereikvan terugwerkende kracht bij (antimisbruik)wetgeving wordt welvaakaangesloten bijde datumwaarop de (herstel)wetgeving is aangekondigd. Inmiddels hebben twee rechtbanken zich – in het voordeelvan de rechtszoekenden – uitgesproken tegen terugwerkende kracht van het vervallen van de maximale termijn voornavordering.8 ZowelRechtbankNoord-Holland als RechtbankGelderland – de laatste met duidelijkleentjebuurnaareerstgenoemde – oordelen dat zoweluit de letterlijke tekst als uit de parlementaire geschiedenis niet de bedoeling blijkt omreeds verjaarde gevallen onderde regeling te brengen. Met andere woorden:beide rechtbanken lezen in de wet en wetsgeschiedenis niet de onbeperkt terugwerkende kracht waarde fiscus een beroep op doet. In de uitspraakvan RechtbankNoord-Holland staat een nalatenschap uit 1981centraal.9 Daarin is in de aangifte successierecht geen melding gemaakt van buitenlands vermogen. In het kadervan een inkeerdoorde erfgenamen in 2011is alsnog melding http://www.legalintelligence.com/documents/16501008?srcfrm=basic+search&stext=tfb&auth=13/6 gemaakt van het in Zwitserland gestalde buitenlands vermogen dat de erfgenamen middels vererving hebben verkregen. Het gaat in deze zaakdus omeen nalatenschap die bijinvoering van de Edelweiss-regeling algedurende achttien jaar(!)was verjaard. De rechtbankkomt tot de volgende conclusie:10 ‘Ook hieruit [de Aanwijzingen voor de regelgeving, LJ] blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat terugwerkende kracht van een (fiscale) regeling uitzondering is. In de tekst van artikel 66, derde lid, van de Sw, noch in het in artikel XXIIIvan de Overige fiscale maatregelen 2012 opgenomen overgangsrecht, noch in de parlementaire geschiedenis is met een woord gerept over verdergaande terugwerkende kracht van de bepaling dan voor de gevallen waarin de navorderingstermijn op 1 januari 2012 nog niet was verstreken, zodat moet worden geconcludeerd dat de wetgever geen terugwerkende kracht aan de regeling heeft willen toekennen voor gevallen waarin de navorderingsbevoegdheid op die datumreeds was komen te vervallen.’ Datzelfde oordeeltreft de aanslag in de uitspraakvan RechtbankGelderland, waarin een recentere maareveneens voorafgaand aan ‘Edelweiss’verjaarde aanslag centraalstond. Gelet op dit oordeelkomt de rechtbankniet meertoe aan de vraag ofde bepaling in strijd is met het Europese recht ofmet art. 1van het eerste protocolbijhet EVRM. Tegen beide rechtbankuitspraken is overigens hogerberoep ingesteld. 3.2. De onhoudbaarheid van terugwerkende kracht in Europeesrechtelijk perspectief Waarhet Luxemburgse hofin de regelkijkt naareen ongeoorloofd onderscheid tussen binnenlandse en buitenlandse situaties (op grond van bijvoorbeeld vrijheid van kapitaalverkeer), beoordeelt het Europese Hofvoorde rechten van de mens (EHRM)of sprake is van ongeoorloofde inbreukop eigendom. Hoewelbelastingheffing in beginselalsnelde toets derkritiekkan doorstaan, behoeft onderscheid tussen staten rechtvaardiging en is heffen bovendien een inbreukop het eigendomdie rechtvaardiging behoeft. Het EHRM toetst fiscale regels aan een gerechtvaardigd doel(legitimate aim)in het algemeen belang, evenredigheid (reasonably proportionate)ten opzichte van het te realiseren doelen tot slot de fair balance, waarbijwordt gekeken ofsprake is van een individueelbuitensporige last (individual and excessive burden). Welwordt daarbijaan de nationale wetgevereen zeerruime beoordelingsvrijheid (wide margin of appreciation)gegund. Het HvJ EUbelet niet zondermeerterugwerkende kracht. Desalniettemin wordt algemeen aanvaard dat de grens is bereikt wanneeraan wetgeving formeelterugwerkende kracht wordt toegekend.11 Dit kan anders zijn wanneerde wetgevereen spoedeisend belang heeft omaan misbruiksituaties een einde te maken.12 Ookvoorzoverde rechtvaardigingsgrond niet aluit de parlementaire geschiedenis duidelijkkenbaardient te zijn, zijn erwelerg weinig redenen te bedenken die (achteraf)een rechtvaardiging bieden voordeze ongelimiteerde inbreuk. Een meeruitvoerige bespreking van de respectievelijke toetsingskaders gaat het bereikvan dit artikelte buiten. 4. De onbeperkte termijn om na te vorderen Bijde invoering van de verlenging van de navorderingstermijn van vijftot twaalfjaarin gevalvan buitenlandse spaartegoeden in art. 16, lid 4, AWRis ookalgepleit vooreen onbeperkte navorderingstermijn.13 Uit (ondermeer)de memorie van toelichting op het wetsvoorstelblijkt dat een amendement is aangenomen omte komen tot een onbeperkte navorderingstermijn. De kerngedachte uit het amendement is overgenomen, maarde onbeperkte termijn is teruggebracht tot twaalfjaar. Daartoe werd door de wetgeverde motivering aangevoerd dat dit in strijd zou komen met de rechtszekerheid:14 ‘Vervolgens komt de vraag aan de orde ofvoor in het buitenland gehouden vermogensbestanddelen en in het buitenland opgekomen inkomensbestanddelen een in de tijd onbeperkte dan wel een ten opzichte van de thans geldende termijn van vijf jaren aanmerkelijk verlengde termijn wenselijk is. Behoudens een uitzondering, komen, voor zover mijbekend, in de tijd onbeperkte navorderingsbevoegdheden in andere landen niet voor. Ook in het Nederlandse belastingrechtsysteempast naar mijn oordeel niet een in de tijd onbeperkte navorderingsbevoegdheid. Dit komt in strijd met het belang dat hier te lande wordt gehecht aan de rechtszekerheid die de burger toekomt.’ In het eerste deelvan zijn tweeluikin het TFB noemt Van derSarhet niet terugkomen op de onbeperkte navorderingstermijn een gemiste kans. Hijgeeft aan wat de (ontbrekende)rechtvaardiging was omtwintig jaarlateranders te denken overde rechtszekerheid:15 ‘In de parlementaire geschiedenis is weinig terug te vinden aan steekhoudende argumenten omde algemene navorderingstermijnen uit de AWR voor het specifieke geval van de erfbelasting in buitenlandsituaties terzijde te schuiven. In de toelichting op het amendement waarin de onbeperkte navorderingstermijn werd voorgesteld, is hierover opgemerkt:16 “Daarnaast wordt de navorderingstermijn onbeperkt indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel http://www.legalintelligence.com/documents/16501008?srcfrm=basic+search&stext=tfb&auth=14/6 onderworpen aan de erfbelasting dat in het buitenland wordt gehouden ofis opgekomen. Dit geldt zowel indien de erfgenaam alsnog een juiste en volledige aangifte doet, als wanneer de inspecteur eigenhandig de niet aangegeven buitenlandse bestanddelen op het spoor komt. De indieners beogen hiermee evenals met amendement 32 505, nr. 19. de zogenaamde Edelweiss constructie onmogelijk te maken. Dit amendement zorgt er namelijk voor dat ook het “uitzweten”van de verjaringstermijn niet meer mogelijk is (…).” Bijde Edelweissroute is simpelweg sprake van belastingfraude die een onbeperkte navorderingstermijn zou rechtvaardigen.17 Op het onderscheid tussen het gebruik van de “Edelweissroute”en “reguliere”belastingfraude werd niet ingegaan.’ Overigens waagde het kabinet zich überhaupt niet aan een motivering waaromde onbeperkte navorderingstermijn gerechtvaardigd ofhoudbaarzou zijn. Onderverwijzing naarde omstandigheid dat hijinitiatiefnemernoch ondersteuneris van het amendement, onthoudt het kabinet zich van commentaar:18 ‘De onbeperkte navorderingstermijn voor de erfbelasting geldt indien de aangifte over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden ofis opgekomen niet, onjuist ofonvolledig is gedaan. Deze is vorig jaar bijamendement van de leden Bashir en Braakhuis op Overige fiscale maatregelen 2011 voorgesteld. Het kabinet heeft dit amendement destijds ontraden. (…) Gezien de voorgeschiedenis van de introductie van de onbeperkte navorderingstermijn in de erfbelasting stelt het kabinet zich terughoudend op rondomde vragen van de leden van de fractie van de ChristenUnie over de vormgeving en de houdbaarheid.’ Het Luxemburgse Hofvan Justitie heeft, als gezegd, geoordeeld dat voorde Nederlandse verlengde navorderingstermijn een rechtvaardigingsgrond kan worden gevonden in het gebrekaan controlemogelijkheden in het buitenland. Belastingfraude rechtvaardigt echterzekerniet zondermeereen verlenging van een navorderingstermijn, laat staan een onbeperkte termijn. In paragraaf47zegt het Hofhieroverhet volgende:19 ‘-47. Een beperkende maatregel kan evenwel slechts gerechtvaardigd zijn indien hijhet evenredigheidsbeginsel eerbiedigt in die zin dat hijgeschikt is omhet ermee nagestreefde doel te verwezenlijken en niet verder gaat dan noodzakelijk is omdat doel te bereiken (arrest Commissie/Frankrijk, reeds aangehaald, punt 28).’ De toets die het Hofaanlegt, houdt niet op bijde rechtvaardigingsgrond. Bijde verlengde navorderingstermijn van art. 16, lid 4, AWRheeft het Hofuitdrukkelijkmeegenomen dat de langere ‘buitenland’-termijn in tijd is beperkt en hierbijbovendien is aangesloten bijde termijn voorstrafvervolging van fiscale delicten:20 ‘-69. Aangaande het argument dat de navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR willekeurig zou zijn vastgesteld op twaalfjaar, dient te worden vastgesteld dat, voor zover deze termijn wordt verlengd bijverzwijging van belastbare bestanddelen voor de fiscus, de keuze van een lidstaat omdeze termijn in de tijd te beperken en deze beperking te koppelen aan de termijn voor het instellen van een strafvervolging voor het misdrijfvan belastingfraude niet onevenredig lijkt. -70. In deze omstandigheden reikt toepassing van een verlengde navorderingstermijn van twaalfjaar op voor de fiscus verzwegen belastbare bestanddelen niet verder dan noodzakelijk is omde doeltreffendheid van fiscale controles te waarborgen en ombelastingfraude te bestrijden.’ Het is gevaarlijkomaan deze overwegingen (a contrario)harde conclusies te verbinden. Niettemin geven deze overwegingen van het Hofwelaanleiding omte veronderstellen dat een in tijd beperkte termijn noodzakelijkis ombinnen de evenredigheidsgrenzen te blijven. 5. Beboeting bij een verlengde termijn tot navorderen Voorde beboeting lijken niet veelzelfstandige argumenten aan te voeren. Vooroude gevallen geldt dat voorzoverde bepaling een strafverzwaring ten opzichte van de regelgeving ten tijde van het begaan van het beboetbare feit inhoudt, toepassing van de verlengde termijn in iedergevalin zoverre achterwege dient te blijven.21 Nieuwe gevallen volgen echteralsnelde aanvaardbaarheid van de hoofdregel:22 ‘-81. De Commissie merkt op dat, voor zover toepassing van deze verlengde navorderingstermijn niet in strijd is met de artikelen 49 EGen 56 EG, hetzelfde geldt voor het verschil in geldboete die op grond van de Nederlandse fiscale wettelijke regeling kan worden opgelegd naargelang de betrokken tegoeden ofinkomsten in deze lidstaat ofin een andere lidstaat zijn ondergebracht.’ Daarbijdient dan overigens welte worden bedacht dat in de hoogte van de boete niet al‘buitenland’-elementen mogen doorsijpelen. Indien als strafverzwarende omstandigheid het verhullende en frauduleuze van het parkeren in het buitenland wordt meegewogen, ligt onevenredigheid welop de loer:23 http://www.legalintelligence.com/documents/16501008?srcfrm=basic+search&stext=tfb&auth=15/6 ‘-82. Omte beginnen zijopgemerkt dat artikel 67e, lid 1, AWR bepaalt dat, wanneer wegens opzet ofgrove schuld van de belastingplichtige te weinig belasting is geheven, een geldboete van ten hoogste 100 % van het bedrag van de navorderingsaanslag kan worden opgelegd, zonder dat een onderscheid wordt gemaakt naargelang de tegoeden waarover wordt nagevorderd, in Nederland dan wel in andere lidstaten zijn aangehouden.’ Wanneerin de praktijkbeboetingspercentages in ‘buitenlandse gevallen’op die enkele grond alhogeruitvallen, worden betrokkenen in die situatie onevenredig zwaargetroffen doorén een relatiefhogere sanctie, én een hogere grondslag, doordat meerjaren kunnen worden ‘gepakt’. 6. Conclusie Onderverwijzing naareen situatie waarvan onduidelijkis ofdeze zich in de praktijkvoordoet (de tegenoverde erfgenamen buitenlands vermogen verzwijgende ‘Edelweiss’-executeur-testamentair), is een navorderingstermijn zondereind ingevoerd voor erfbelasting overbuitenlandse vermogensbestanddelen. Aangezien de rechtvaardiging voorverschilin termijnen is gelegen in ontbrekende informatie-uitwisseling, dient toepassing achterwege te blijven binnen de OECDzodra automatisch informatie wordt uitgewisseld, alsmede bijZwitserland, gelet op de recente ruimhartige inwilliging van Nederlandse informatieverzoeken. De rechtbanken van Noord-Holland en Gelderland hebben inmiddels geoordeeld overnavorderingsaanslagen erfbelasting over vóór2012verjaarde erfenissen. Hun oordelen zijn gelijkluidend:reeds op basis van de wettekst en wetsgeschiedenis oordelen beide rechtbanken dat de Edelweiss geen terugwerkende kracht heeft die verdergaat dan situaties die ten tijde van de invoering nog niet waren verjaard. Ookop grond van het recht op ongestoord bezit, geregeld in art. 1van het Eerste Protocolbijhet EVRM, lijkt de doorde fiscus voorgestane uitleg van de terugwerkende kracht van deze regeling te verte gaan. Dit betekent dat destijds nog niet verjaarde gevallen welmet een verlenging van de verjaringstermijn kunnen worden geconfronteerd, maardat eens verjaarde gevallen ookverjaard blijven. De vraag kan worden gesteld ofde wetgeverzich met de onbeperkte navordering niet in de vingers heeft gesneden. Waarhet Hofvan Justitie overde twaalfjaarstermijn nog oordeelde dat deze as such is gerechtvaardigd, is het de vraag ofdatzelfde oordeel de ongelimiteerde navorderingstermijn zaltreffen. De wetsgeschiedenis biedt in iedergevalweinig tot geen aanknopingspunten vooreen valide rechtvaardigingsgrond. Mr. V.S. Huygen van Dyck-Jagersma en mr. B.J.G.L. Jaeger Auteurs zijn als fiscaal advocaat verbonden aan Jaeger Advocaten-belastingkundigen te Amsterdam. Voetnoten 1 Kamerstukken II, 2010-2011, 32505, nr. 22(amendement Braakhuis/Bashir). 2 Zie bijvoorbeeld:G.J.M.E. de Bont, ‘De windmolen Edelweiss’, WFR 2010/1620. 2 HvJ EG11juni2009, nr. C-155/08en nr. 157/08, BNB 2009/222. 3 HvJ EG11juni2009, t.a.p., par. 42. 4 HvJ EG11juni2009, t.a.p., par. 43, 56en 57. 5 HvJ EG11juni2009, t.a.p. 6 HvJ EG15september2011, Halley, NJ 2011/569, V-N 2011/50.31, m.n. par. 36t/m39. 7 Stcrt. 1992, 230, nr. 167en 168. 8 Rb. Noord-Holland 18juni2015, nr.14/1862, ECLI:NL:RBNHO:2015:4824, NTFR 2015/2270, m.n. overwegingen 5.4t/m7en Rb. Gelderland 3november2015, nr.15/3029, ECLI:NL:RBGEL:2015:6628, NTFR 2015/3229. 9 Zie overdeze uitspraakookde weblog van mr. M.H.W.M. Lammers van 10juli2015, ‘De Edelweissroute met rupsje nooitgenoeg …een rupsje dat altijd hongerheeft’, www.jaeger.nl/blog/de-Edelweissroute-met-rupsje-nooitgenoeg. 10 Rb. Noord-Holland 18juni2015, t.a.p., overweging 8. 11 Zie ookdr. E. Poelmann, Cursus Belastingrecht, FBR.5.5.0.E.d. 12 Zie Poelmann t.a.p. en bijvoorbeeld EHRM 13januari2015, nr. 50131/12(Huitson), par. 28. A-GWattelgeeft in zijn conclusie van 18juni2015(met betrekking tot de ‘crisisheffing’of‘pseudo-eindheffing’, nr. 15/00340, ECLI:NL:PHR:2015:947, m.n. par. 1.10en 11.4)een opsomming van de doelen die terugwerkende kracht kunnen rechtvaardigen:reparatie van een onvoorzien technisch wetsgebrekdat anders tot onverdiende windfall benefits zou leiden (EHRM Building Societies), bestrijding van antifiscale constructies (misbruikbestrijding)(EHRM A., B., C. en D. v. UK; zie 8.20)ofanticipatiebestrijding (EHRM M.A. a.o. v. Finland). Kamerstukken II, 1989-1990, 21423, nr. 3, p. 1, zie ookmrs. G.H. Ulrich en A.M.E. Nuyens, ‘Is het einde in zicht?’, WFR http://www.legalintelligence.com/documents/16501008?srcfrm=basic+search&stext=tfb&auth=16/6 13 2014/554. 14 Kamerstukken II, 1989-1990, 21423, nr. 3, p. 2. 15 Drs. B.M. van derSar, ‘De beperkte houdbaarheid van de onbeperkte navorderingstermijn in de Successiewet 1956(deel 1)’, TFB 2014/02, par. 2.3. 16 Kamerstukken II, 2010-2011, 32505, nr. 22(amendement Braakhuis/Bashir). 17 Kamerstukken II, 2011-2012, 30004, nr. 3, p. 17(amendement Braakhuis/Bashir). 18 Kamerstukken I, 2011-2012, 30003, nr. D, p. 30. 19 HvJ EG11juni2009, t.a.p., par. 47. 20 HvJ EG11juni2009, t.a.p., par. 69en 70. 21 Zo oordeelde bijvoorbeeld ookRechtbankHaarlemten aanzien van de verzwaarde boete bijinkeer, uitspraakvan 19 februari2013, nr. 12/2511, ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ3272, overwegingen 4.10.3e.v. 22 HvJ EG11juni2009, t.a.p., par. 81. 23 HvJ EG11juni2009, t.a.p., par. 82.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op