Financiële informatie van cliënten blijft niet gegarandeerd vertrouwelijk

  

Financiële informatie van cliënten blijft niet gegarandeerd vertrouwelijk

Auteur(s): M. Muller

Bekijk PDF

22 www.accountancynieuws.nl4 mei 2012 nr 9 Accountancynieuws Ontvanger mag executie niet door laten gaan na aangetekend verzet In de situatie dat een belastingschuldige het fiscale water aan de lippen staat omdat de ontvanger op het punt staat de beslagen inboedel of bedrijfsinventaris openbaar te ver-kopen, is er nog een laatste redmiddel. Artikel 17 Invorderingswet 1990 maakt het mo-gelijk om executie op dat moment te voorkomen door verzet aan te tekenen bij de rechtbank, waardoor de executie wordt geschorst. De staatssecretaris vindt echter dat de ontvanger zich niet aan de wet hoeft te houden. Als de ontvanger meent dat er spra-ke is van misbruik van procesrecht hoeft hij van de staatssecretaris de schorsende wer-king van het verzet niet te respecteren. De Rechtbank Utrecht oordeelde recentelijk echter dat een ontvanger onrechtmatig handelde door de executie voort te zetten in weerwil van het daartegen ingestelde verzet. Ferry Piek An belastingrecht in de verzetprocedure of door in con-ventie te verzoeken de afwijzende uit-spraak in de verzetprocedure uitvoer-baar bij voorraad te verklaren. Beleid staatssecretaris Hoewel de wet dus van rechtswege schorsende werking verbindt aan het verzet, is de staatssecretaris blijkens een sinds 1 januari 2008 geldende beleids- bepaling van zijn hand, artikel 17.1 Lei-draad Invordering 2008, van mening dat de ontvanger zich niet aan de wet hoeft te houden indien hij van mening is dat er sprake is van misbruik van proces-recht. Na verkregen toestemming van het ministerie van Financiën mag de ontvanger de tenuitvoerlegging name-lijk voortzetten, in weerwil van inge-steld verzet en derhalve zonder vooraf-gaande toetsing door de burgerlijke rechter. Nationale Ombudsman De Nationale Ombudsman concludeer-de in het rapport 2010/170 dat de uit-drukkelijk gewilde keuze van de wetge-ver voor schorsing van rechtswege geen ruimte laat voor de door de staatssecre-taris voorgestane handelwijze. Die han-delwijze is in strijd met het recht en doet afbreuk aan het vertrouwen dat een bur-ger aan de wet moet kunnen ontlenen. Het zonder rechterlijke tussenkomst doorbreken van de wettelijke schorsen-de werking van het verzet is in strijd met het rechtszekerheidsvereiste, aldus de Nationale Ombudsman. Aan dat oordeel laat de staatssecretaris zich evenwel niets gelegen liggen. In de Nota naar aanleiding van het verslag over het Belastingplan 2011 merkte de D e aan dit verzet verbonden schor-sende werking is de ontvanger van- zelfsprekend een doorn in het oog, vooral in situaties dat zeer kort voor de openbare verkoop verzet wordt aangete-kend. De staatssecretaris heeft daarom per 1 januari 2008 tot beleid gemaakt dat de ontvanger zich in die situaties niet aan de wet hoeft te houden. Nadat de Nationale Ombudsman dit beleid eerder al heeft veroordeeld, heeft de rechtbank Utrecht zich over deze kwes-tie uitgelaten en het handelen van de ontvanger onrechtmatig geoordeeld. Verzet De ontvanger heeft de bijzondere en vé-rgaande bevoegdheid om zonder enige rechterlijke toetsing van zijn vordering – de belastingaanslag – zelf een execu-toriale titel uit te vaardigen en ten uit-voer te leggen. Zelfs indien de aanslag wordt bestreden en niet onherroepelijk vast staat. Om hieraan enig tegenwicht te bieden is in artikel 17 Invorderingswet 1990 de mogelijkheid geopend om verzet aan te tekenen tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel. Op uitdrukkelijk aan-dringen van de Tweede Kamer is in lid 2 van dat artikel opgenomen dat door het instellen van verzet de executie wordt geschorst, zodat de ontvanger in af-wachting van de toetsing door de bur-gerlijke rechter pas op de plaats dient te maken. Bij het opnemen van de schor-sende werking heeft de wetgever uit-drukkelijk misbruik of oneigenlijk ge-bruik van de verzetmogelijkheid voor lief genomen. De schorsende werking van het verzet kan blijkens HR 7 okto-ber 1994 (NJ 1994, 411) alleen door de rechter worden opgeheven ingeval van misbruik van procesrecht. Hiervan is sprake indien het verzet zo duidelijk kansloos is, dat het belang van de belastingschuldige bij schorsing niet opweegt tegen het belang van de ont-vanger bij voortzetting van de executie. De ontvanger kan in spoedeisende ge-vallen opheffing van de schorsende wer-king vorderen in kort geding. In niet spoedeisende gevallen kan hij opheffing vorderen bij reconventionele vordering ‘De aan het het verzet verbonden schorsende werking is de ontvanger vanzelfsprekend een doorn in het oog.’ 24 www.accountancynieuws.nl4 mei 2012 nr 9 Accountancynieuws An belastingrecht staatssecretaris namelijk op dat zijn be-leid louter ziet op executoriale verkoop van beslagen roerende zaken, waarbij het verzet zó kort voor de verkoop wordt ingesteld dat het inschakelen van de Voorzieningenrechter redelijkerwijs niet meer mogelijk is en het verzet naar het oordeel van de Belastingdienst evident kansloos is. In een dergelijk geval zou, aldus de staatssecretaris, indien de aan-beveling van de Nationale Ombudsman zou worden gevolgd, niet kunnen wor-den opgetreden tegen verzetsacties die bij voorbaat kansloos zijn en enkel wor-den geëntameerd om uitstel van execu-tie te verkrijgen. Rechtbank Utrecht Rechtbank Utrecht toont zich in de uit-spraak van 14 september 2011 (LJN: BT7282) niet onder de indruk van dit betoog. De rechtbank oordeelt dat de betreffende ontvanger onrechtmatig heeft gehandeld door de executie voort te zetten in weerwil van daartegen inge-steld verzet. Onder verwijzing naar HR 8 juni 2007 (VN 2007/34.28) oordeelt de rechtbank dat de hoofdregel is dat de wettelijke schorsende werking uitslui-tend door de rechter opzij kan worden gezet indien deze oordeelt dat sprake is van misbruik van recht. Het recht van verdediging tegen een verzoek van de ontvanger om opheffing van de schor-sende werking is van doorslaggevend belang, omdat de schorsende werking van een verzetprocedure is bedoeld als tegenwicht voor het vérstrekkende recht van de ontvanger tot ‘parate executie’. In dat licht staat het definitieve karakter van een executoriale openbare verkoop – waarmee immers de executie van de beslagen goederen eindigt en het be-lang bij het voortzetten van de verzet-procedure vervalt – eraan in de weg een openbare verkoop door te zetten zonder tussenkomst van de rechter. Voor wat betreft de beweerdelijke on-mogelijkheid van het inschakelen van de Voorzieningenrechter als het verzet zeer kort voor de executieverkoop is in-gesteld, wijst de rechtbank er terecht op dat de wetgever ervoor heeft gekozen geen termijn te bepalen voor het instel-len van verzet. De belastingschuldige heeft dus domweg het recht om op het allerlaatste moment verzet in te stellen. Als de belangen van de ontvanger daar-door worden geschaad doordat hij de openbare verkoop uit moet stellen, kan dit de belastingschuldige niet worden tegengeworpen. Hierbij zij bovendien nog aangetekend dat in gevallen van aangezegde executie doorgaans tot op het laatste moment getracht wordt in overleg met de ontvanger tot een oplos-sing te komen. Pas nadat definitief dui-delijk wordt dat daarvan geen sprake zal zijn, wordt verzet ingesteld. Aldus heeft de ontvanger het (ontijdige) moment waarop verzet wordt ingesteld voor een deel ook mede in eigen hand. Tot slot Bij mijn weten is dit de eerste rechterlij-ke uitspraak inzake de onrechtmatig-heid van het zonder rechterlijke tussen-komst opzij zetten van de wettelijke schorsende werking sedert de publicatie van artikel 17.1 Leidraad Invordering 2008. (Intussen heeft rechtbank Amster- dam op 14 maart 2012 overigens een ver- gelijkbaar vonnis1 gewezen). Dat het zo-lang heeft geduurd kan wellicht worden verklaard doordat de ontvanger slechts zeer zelden de schorsende werking niet respecteert. Te vrezen valt echter dat de simpele omstandigheid dat als de ont-vanger de executie doorzet er geen be-lang meer is bij het voortzetten van de verzetprocedure hier vooral debet aan is. Kortom, het is wachten op een geëxecu-teerde die het zich kan veroorloven de gang tot aan de Hoge Raad uit te zitten, waarbij de reële kans aanwezig is dat de staatssecretaris vervolgens zal trachten alsnog via wetswijziging de uitzonde-ring op de schorsende werking er door te drukken. De vraag is overigens waarom de staats-secretaris die weg van wetswijziging niet direct heeft gevolgd in plaats van deze beleidsmatige inbreuk op de wette-lijke schorsende werking in te voeren. Indien de aldus te beschermen belangen van de Staat daadwerkelijk dermate doorslaggevend zouden zijn dat geen zes weken (of korter in geval van een kort geding) op een rechterlijk oordeel gewacht kan worden, dan zal de wetge-ver hiervan immers ook wel te overtui-gen zijn. Wetswijziging heeft tevens als voordeel dat de thans nog beperkte groep gevallen waarin de schorsende werking zou kunnen worden doorbro-ken niet per halfjaarlijkse wijziging van de Leidraad Invordering uitgebreid kan worden. An 1. Rechtbank Amsterdam 14 maart 2012, nr. 490520/HA ZA 11-1623 (Fida 20121789). Mr. F.A. Piek is werkzaam bij Jaeger Advocaten-belastingkundigen te Amsterdam. ‘De belastingschuldige heeft domweg het recht om op het allerlaatste moment verzet in te stellen.’



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op