Fiscus belast oude contante stortingen op buitenlandse rekening in strijd met vereisten

  

Fiscus belast oude contante stortingen op buitenlandse rekening in strijd met vereisten

Auteur(s): B.J.G.L. Jaeger

Bekijk PDF



20 www.accountancynieuws.nl

Fiscus belast oude contante stortingen op buitenlandse rekening in strijd met vereisten
De Belastingdienst stelt zich de laatste tijd steeds vaker op het standpunt dat bedragen die op een buitenlandse bankrekening zijn gestort, aldaar zijn opgekomen, omdat deze bedragen dan (pas) zichtbaar zijn geworden. Om die reden zou de verlengde na-vorderingstermijn van 12 jaar van toepassing zijn, niet alleen voor rente en vermogen, maar ook voor het belasten van de storting zelf als winst uit onderneming, dan wel in-komsten uit arbeid. Zichtbaar worden is echter niet hetzelfde als opkomen, dus heen over de storting komt veel minder snel aan de orde dan de Belastingdienst nu – kenne-
lijk – meent.
Ludwijn Jaeger
An belastingrecht
bepaalt dat in beginsel de termijn om na te vorderen bij nieuw verkregen gegevens 5 jaar bedraagt.1 Bij in het buitenland ge-houden voorwerpen (lees: een bankreke-ning), of als er te weinig belasting is be-taald over in het buitenland opgekomen baten, heeft de Belastingdienst zelfs het
recht om over 12 jaar na te vorderen.2
Over vermogen van een niet aangegeven buitenlandse bankrekening, alsmede over de (in oude jaren) daaruit verkregen rente en dividenden kan, mits voldoende voortvarend, 12 jaar worden nageheven. Daar is weinig discussie over. De discus-sie spitst zich wel toe op de vraag of de bron van het vermogen, voor zover die buiten de reguliere navorderingstermijn van 5 jaar ligt, nog in de heng kan worden betrokken.
Heffing over de bron: standpunt staatssecretaris Voor vragen over de inkeerregeling is door de overheid een inkeerlijn voor
zwartspaarders in het leven geroepen. Een 18-tal, bij brief van 12 november 2009 gestelde vragen zijn door de staats-secretaris op 11 december 2009 beant-woord.3 Naar ik heb begrepen is deze beantwoording min of meer verheven tot interne richtlijn bij de Belastingdienst, bij gebrek aan verder gepubliceerd beleid.
In één van de gestelde vragen4 komt de informatieverstrekking over contante stortingen van ouder dan 5 jaar aan de orde. Verondersteld wordt dat bij geen enkel aanknopingspunt voor een buiten-landse herkomst, de informatievers-trekking over contante stortingen kan worden beperkt tot 5 jaar. Het gegeven antwoord is het volgende:
‘Nee, ook in die gevallen is in beginsel de ver-lengde navorderingstermijn van toepassing,…
Onder ‘opgekomen’ moet worden verstaan ‘het
N
iet in een aangifte aangegeven be-dragen op een buitenlandse bank-rekening zijn een doorn in de ogen van
onze voorgaande en huidige staatssecre-taris. Een goed mediabeleid, onder-steund met de ontvangst van allerhande gegevens over door Nederlanders in het buitenland aangehouden bankrekenin-gen, heeft de inkeerregeling de laatste jaren tot actueel onderwerp gemaakt.
De eerste hausse ontstond toen de Nederlandse overheid gegevens van bankrekeninghouders bij de KBLux ontving. De op basis van die gegevens opgelegde aanslagen hebben tot zeer veel procedures geleid. Kort gezegd heeft dit opgeleverd dat gegevens niet snel onrechtmatig zijn verkregen, schattingen vaak wel redelijk zijn, boetes al snel passend en geboden zijn en zelfs dat een praktische vaststellingsovereenkomst in strijd met de wet is toegestaan. De straf-rechterlijke afdoeningen waren niet altijd even fortuinlijk voor het Openbaar Minis-terie, maar de Belastingdienst is met (te) veel weggekomen.
Lichtpuntje
Een lichtpuntje voor belastingplichtigen is de constatering dat de verlengde ter-mijn voor navordering in buitenland-situaties weliswaar gerechtvaardigd is, maar dat de inspecteur voortvarend te werk moet gaan bij het regelen van de
aanslag, zodra hij ‘aanwijzingen’ heeft
gekregen dat er te weinig is geheven. Over de vraag wat precies voortvarend genoeg is, wordt momenteel veel gepro-cedeerd, met een wisselend beeld in de vooralsnog gepubliceerde jurisprudentie. Stilzitten voor langer dan 6 maanden na het verkrijgen van informatie zou wel eens funest kunnen zijn voor de oudste
aanslagen. Ook op het punt van de be-boeting lijken er mogelijkheden te zijn: uitstel voor het opleggen van een aanslag rechtvaardigt niet (noodzakelijkerwijs) het later opleggen van een boete, het bij vaststellingsovereenkomst cumuleren van boeten in één aanslag is mogelijk ook niet toegestaan.
Over hoeveel jaar mag worden nagevorderd?
Onderdeel van de fiscale afwikkeling van zelf aan de fiscus verstrekte gegevens, dan wel op andere wijze door de fiscus verkregen informatie, is de vraag of er gebruik kan worden gemaakt van een ter-mijn van 5 jaar om na te vorderen, dan
wel een termijn van twaalf jaar. De wet
‘Over vermogen van een niet aangegeven buiten-landse bankrekening kan twaalf jaar worden nage-heven. Daar is weinig discussie over.’


www.accountancynieuws.nl 21


belastingrecht An
zichtbaar worden’. Het is daarbij niet bepalend waar de inkomsten hun oorsprong hebben, waar ze worden beheerd of waar ze worden be-taald. Overigens zal in het geval van contante betalingen eerder sprake zijn van buiten het zicht houden van de fiscus van inkomsten.’
Met een beroep op de parlementaire geschiedenis geven inmiddels meerdere inspecteurs een erg ruimhartige uitleg aan de verlengde navorderingstermijn. Overbrengen naar het buitenland, waar-door het toezicht van de inspecteur wordt bemoeilijkt, rechtvaardigt de langere termijn.
Het criterium ‘opkomen’
De ‘zichtbaarheid’ voor de Nederlandse fiscus van inkomsten speelt bij de toepas-selijkheid van de verlengde navorderings-termijn weliswaar een rol, maar het is zeker niet zo dat het wettelijke criterium ‘opkomen’ voor toepassing van de ver-lengde navorderingstermijn van twaalf jaar met ‘zichtbaarheid’ kan worden gelijkgesteld.
De achterliggende gedachte achter de in-voering van deze verlengde navorderings-termijn was dat door het overbrengen van vermogensbestanddelen naar het buiten-land en het aldaar genieten van inkom-sten, deze buiten het controlebereik van de Nederlandse fiscus zouden worden gehouden en dus aan Nederlandse hef-fing zouden kunnen ontsnappen. Ter compensatie voor de ontbrekende of minder eectieve controlebevoegdheid die de Nederlandse fiscus in het buiten-land heeft, is de navorderingstermijn voor deze categorie belastbare feiten
verlengd van vijf naar twaalf jaar.
In de jurisprudentie is de uitleg van dit criterium intussen veelvuldig aan de orde geweest. Daarin is geen enkel aankno-pingspunt te vinden voor de stelling dat hieronder wordt verstaan ‘zichtbaar wor-den’, sterker nog, integendeel. De zicht-baarheid kan onder omstandigheden een rol spelen in gevallen waarin er een bui-tenlandse factor is. A-G Overgaauw vat het in een conclusie goed samen, waarbij hij tevens nadrukkelijk ingaat op de ‘zichtbaarheid’5:
‘Bij de vraag wanneer en op welke wijze iets zichtbaar is voor de fiscus - en relevante aan-knopingspunten ontstaan - speelt naar onze mening een aantal factoren een rol van beteke-nis. Dat zijn: (i) de woon- of vestigingsplaats van belanghebbende, (ii) de locatie van de debi-teur, (iii) de plaats waar de betaling wordt ver-richt (en ontvangen) en ten slotte (iv) de plaats waar de inkomens- en/of winstbestanddelen zijn ontstaan (dat wil zeggen: de buitenlandse origine van het litigieuze voordeel). Indien alle factoren zich in Nederland bevinden is er geen reden om de navorderingstermijn van 12 jaar van toepassing te laten zijn. Maar ingeval één of meer aanknopingspunten zich wèl in het buitenland bevinden, dan wordt de zichtbaar-heid van de desbetreende inkomens- en/of winstbestanddelen verminderd.’
De door de staatssecretaris voorgestane uitleg zou ook tot een vreemd onder-scheid leiden. Afgeroomde winst die in de matras wordt bewaard is 5 jaar lang vatbaar voor navordering, maar oh wee, diegene die het naar het buitenland brengt. De juiste uitleg is derhalve dat als er geen buitenlandse oorsprong is en de inkomsten niet in het buitenland worden
genoten, de verlengde navorderingster-
mijn niet aan de orde komt, wat er zij van de zichtbaarheid.
Goede analyse blijft achterwege In veel gevallen heft de Belastingdienst buiten de 5-jaars termijn na over (ver-meende) inkomsten, domweg omdat
deze contant zijn afgestort op een buiten-landse bankrekening. De gedachte dat ‘opkomen’ synoniem is aan ‘zichtbaar worden’ is echter – niet louter op grond van de Dikke van Dale, maar ook op grond van jurisprudentie van ons hoog-ste rechterlijk college – onhoudbaar. In veel minder gevallen dan de Belasting-dienst wil, kan een discussie over de her-komst van de in het buitenland gestalde gelden daarom aan de orde worden gebracht. An
1. Artikel 16, derde lid, AWR.
2. Artikel 16, vierde lid, AWR
3. Zie voor de beantwoording, met daarin opge-
nomen de gestelde vragen www.jaeger.nl.
4. Vraag 10.
5. Conclusie bij het arrest van de Hoge Raad van
7 oktober 2005, BNB 2006/63.
Mr. L. Jaeger is verbonden aan Jaeger
Advocaten-belastingkundigen te Amsterdam.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op