Heffingssysteem IB en SW gaat op de schop

  

Heffingssysteem IB en SW gaat op de schop

Datum: 12-12-2013
Auteur(s): I.R.J. Thijssen, A.A. Kan

Bekijk PDF



n n n n
8 hetRegister | december 2013 | nummer 6
D
e voorgestelde wijzigingen voor wat betreft het elektronische berichtenverkeer laten we – gezien de omvang van dit artikel – on-besproken. Voorts merken we op dat we de
wijzigingen zo neutraal mogelijk bespreken. Voor de no-dige kritische op- en aanmerkingen op dit wetsvoorstel verwijzen we onder meer naar de reactie van de Commissie Wetsvoorstellen van het Register Belastingadviseurs van 10 oktober 2013. Opmerkelijk, maar niet helemaal onverwacht, is ook de kritiek van de Vereniging van Hogere ambtenaren bij het Ministerie van Financiën (VHMF), die zich in een persbericht falie-kant tegen de wijzigingen keert (zie ook de rubriek Kort & Bondig).
Aanslagbelasting of aangiftebelasting? Het kabinet heeft verschillende alternatieven voor een nieuw hefingssysteem ten behoeve van de inkomsten-, erf- en schenkbelasting afgewogen en vervolgens het al-ternatief van hefing bij wege van voldoening op aangif-te – de favoriet van eerdergenoemde VHMF – verwor-pen. Dit vanwege het feit dat daarvoor ten minste vereist zou zijn dat digitale domeinen beschikbaar zijn en dat de aangifte (nagenoeg) geheel kan worden voorin-gevuld. Daardoor blijft sprake van hefing bij wege van
aanslag.
Hefingssysteem IB en SW gaat op de schop
Igor Thijssen en Arthur Kan
Mr. I.R.J. Thijssen en Mr. A.A. Kan zijn als advocaat ver-bonden aan Jaeger advocaten-belas-tingkundigen te
Amsterdam
Op 2 september 2013 heeft het ministerie van Financiën het wetsvoor-stel ‘Wet vereenvoudiging formeel verkeer Belastingdienst’ ingediend bij de Tweede Kamer. Het wetsvoorstel voorziet in een nieuw hefings-systeem voor aanslagbelastingen. Dit nieuwe systeem gaat vooralsnog alleen gelden voor de inkomsten-, erf- en schenkbelasting. Verder wordt in dit wetsvoorstel een grondslag gegeven aan het elektronisch berich-tenverkeer van en met de Belastingdienst. In deze bijdrage zetten we de
belangrijkste wijzigingen uiteen die het nieuwe hefingssysteem met zich mee zal brengen, als het in ongewijzigde vorm wordt aangenomen.
Voor wat betreft de vennootschapsbelasting wacht het kabinet eerst de resultaten van een onderzoek af, vooraleer deze om te zetten naar een aangiftebelas-ting. Het gevolg hiervan kan zijn dat IB-ondernemers in de toekomst anders behandeld gaan worden dan Vpb-ondernemers. Het is de vraag of dat gewenst is. Het systeem van hefing bij wege van aanslag legt de verantwoordelijkheid voor de juiste vaststelling van de belastingschuld primair bij de inspecteur. Op de be-lastingplichtige rust weliswaar de plicht om aangifte te doen, maar niet om, zoals bij aangiftebelastingen, zelf zijn belastingschuld uit te rekenen en deze uit ei-gen beweging te betalen. Een definitieve aanslag zou de belastingplichtige dan ook de (rechts)zekerheid be-horen te bieden dat daarmee zijn fiscale positie defini-tief is geregeld.
Snellere vaststelling definitieve aanslagen
In het huidige systeem wordt naar aanleiding van een ingediende aangifte inkomstenbelasting vrijwel altijd een voorlopige aanslag opgelegd, waarop in de meeste gevallen een definitieve aanslag van nihil volgt. Het wetsvoorstel beoogt nu om geen voorlopige aanslagen meer op te leggen naar aanleiding van (en conform) een
ingediende aangifte, maar om binnen drie maanden na



n n n n
Het wetsvoorstel beoogt om binnen drie maanden na de ontvangst van de aangifte direct een definitieve aanslag op te leggen
december 2013 | nummer 6 | hetRegister 9
de ontvangst van de aangifte direct een definitieve aan-slag op te leggen.
In de praktijk zal dit gaan betekenen dat een inspecteur, wanneer de belastingplichtige vóór 1 april zijn aangifte inkomstenbelasting heeft ingediend, uiterlijk op 1 juli een definitieve aanslag oplegt. Deze streeftermijn van drie maanden na ontvangst van de aangifte komt even-wel niet in de wet te staan. Desalniettemin wordt ook de wettelijke aanslagtermijn aanzienlijk verkort, namelijk van drie jaren na het ontstaan van de belastingschuld naar vijftien maanden na ontvangst van de aangifte. Het verkorten van de aanslagtermijn komt in het algemeen de (rechts)zekerheid ten goede, maar de rechtszekerheid van een aanslag is mede afhankelijk van de mate waarin vervolgens navordering mogelijk is.
Herziening van definitieve aanslagen Centraal in het wetsvoorstel – dat ook wel wordt aange-duid als wetvoorstel ‘Soepel Herzien’ – staat de introduc-tie van een systeem waarbij definitieve aanslagen kun-nen worden herzien. Dit systeem borduurt in feite voort op de in de hefingswetten opgenomen regeling van her-ziening van voorlopige aanslagen, maar zal in de toe-komst dus ook van toepassing zijn op definitieve aansla-gen. Als een belastingplichtige meent dat een definitieve aanslag niet juist is, kan hij de inspecteur om herziening verzoeken. Herziening wordt in het wetvoorstel om-schreven als het aanvullen van de (voorlopige) aanslag en kan uitsluitend plaatsvinden op verzoek van de belas-tingplichtige. Deze aanvulling kan zowel een verminde-ring als een verhoging van de aanslag betreffen. De ter-mijn voor herziening bedraagt achttien maanden na ontvangst van de aangifte en loopt bijgevolg door tot het aangiftemoment van het volgende jaar. Op dat moment zien belastingplichtigen veelal dat ze het jaar daarvoor een fout hebben gemaakt die op dat moment nog door een herzieningsverzoek te herstellen is.
Door de introductie van een herzieningsprocedure wor-den definitieve aanslagen niet meer rechtstreeks vatbaar voor bezwaar. Het recht op bezwaar tegen de aanslag wordt vervangen door het recht van bezwaar tegen de beslissing waarbij de inspecteur het verzoek om herzie-ning van de aanslag bij voor bezwaar vatbare beschik-king afwijst. Het wetsvoorstel bepaalt dat de inspecteur bij herziening van de aanslag uit eigen beweging de (sa-menhangende) beschikkingen wijzigt waarvan de grondslag dezelfde is of samenhangt met die van de aan-slag, zoals de belastingrente, de revisierente, de vergrijp-boete, de verliesvaststelling of de vaststelling van het verzamelinkomen. Bezwaar is dan ook niet mogelijk te-gen deze met de aanslag samenhangende beschikkingen voor zover de bezwaren de grondslag betreffen.
Voor zover de bezwaren tegen de samenhangende be-schikkingen geen betrekking hebben op de grondslag, moet de belastingplichtige nog steeds (direct) bezwaar instellen. Als hij zich niet kan verenigen met een aan hem opgelegde vergrijpboete, zal hij voor wat betreft de grondslag van de vergrijpboete een herzieningsverzoek
moeten doen. Met betrekking tot de vraag of sprake is
van opzet of grove schuld, zal hij dus separaat een be-zwaarschrift moeten indienen. Dit kan tot de nodige verwarring leiden. Ter voorkoming van twee afzonder-lijke procedures kan de inspecteur daarom met instem-ming van de belastingplichtige een direct bij de aanslag voor bezwaar vatbare beschikking afgeven, als gevolg waarvan de herzieningsprocedure wordt overgeslagen. De inspecteur kan een definitieve aanslag niet uit eigen beweging herzien. Correctie van een te lage definitieve aanslag kan alleen door het opleggen van een navorde-
ringsaanslag. In dat verband is het opmerkelijk dat het

n n n nVereenvoudiging formeel verkeer
10 hetRegister | december 2013 | nummer 6
wetsvoorstel bepaalt dat de herzieningstermijn voor een definitieve aanslag eindigt als de inspecteur een corrige-rende navorderingsaanslag vaststelt. Dit brengt met zich dat niet langer een rechtsingang openstaat tegen de aan-slag. In de memorie van toelichting wordt, ons inziens ten onrechte, de suggestie gewekt dat in dat geval de de-finitieve aanslag wordt verrekend met de navorderings-aanslag – zoals een voorlopige aanslag wordt verrekend met een definitieve aanslag – en dat vervolgens bezwaar mogelijk is tegen de dan opgelegde navorderingsaanslag.
Ambtshalve vermindering
Vanwege de in het wetvoorstel gecreëerde mogelijkheid om tot achttien maanden na indiening van de aangifte aanvullende informatie door te geven, wordt van belas-tingplichtigen verwacht dat ze deze informatie ook bin-nen deze herzieningstermijn doorgeven. Het kabinet acht het niet wenselijk dat een belastingplichtige die al tijdens de herzieningsperiode over aanvullende informatie be-schikt, maar nalaat deze door te geven middels een herzie-ningsverzoek, na verloop van de herzieningstermijn als-nog kan verzoeken om ambtshalve vermindering. Daarom wordt de mogelijkheid van ambtshalve vermindering be-perkt tot de gevallen waarin de belastingplichtige beschikt over een (nieuw) feit dat hem gedurende de herzienings-termijn nog niet bekend was. Afwijzing van een verzoek om ambtshalve vermindering geschiedt bij voor bezwaar vatbare beschikking, maar een daartegen gerichte be-zwaar- of beroepsprocedure is beperkt tot de vraag of de belastingplichtige voldoet aan het ‘nieuwfeitcriterium’.
Verruiming navorderings-bevoegdheden
In het wetsvoorstel blijft het vereiste van een nieuw feit als voorwaarde voor navordering ongewijzigd be-staan. De huidige doorbreking van het nieuwe feit bij een voor de belastingplichtige redelijkerwijs kenbare
fout vervalt. Daarvoor in de plaats komt de bevoegd-heid tot navordering als de belastingplichtige wist of behoorde te weten dat ten onrechte geen of te weinig belasting is geheven. Anders dan de huidige navorde-ringsbevoegdheid bij een redelijkerwijs kenbare fout is de voorgestelde bevoegdheid niet beperkt tot fouten. Daarnaast ontbreekt een drempel waarboven kenbaar-heid wordt aangenomen.
De reikwijdte van het nieuwe criterium is vooralsnog onduidelijk en zal in de praktijk invulling moeten krij-gen. De bewijslast van de (geobjectiveerde) wetenschap van de belastingplichtige rust op de inspecteur. Objec-tief kenbare factoren spelen hierbij een rol, zoals het kennisniveau van de belastingplichtige, de grootte van de correctie of de aard en complexiteit van de in het ge-ding zijnde regeling. De kennis van een (belasting)advi-seur wordt aan de belastingplichtige toegerekend. Uit de voorbeelden die in de memorie van toelichting worden geschetst, blijkt dat het kabinet een eenvoudig te bewij-zen criterium voor ogen heeft. Een aantal van deze voor-beelden staat naar onze mening haaks op het uitgangs-punt dat de belastingplichtige in beginsel mag vertrouwen op de aanslag. Duidelijk is dat, hoe ruimer het criterium ‘wist of behoorde te weten’ in de praktijk zal worden uitgelegd, des te meer het ‘nieuwfeitvereiste’ aan betekenis zal inboeten.
In het wetsvoorstel is voorts een regeling opgenomen die navordering steeds mogelijk maakt als sprake is van een fout of verstoring in de geautomatiseerde systemen van de Belastingdienst, als gevolg waarvan massaal defi-nitieve aanslagen onjuist worden vastgesteld.
Navorderingstermijn
Het wetsvoorstel beoogt geen wijziging aan te brengen in de ‘kwade trouw’ als voorwaarde om te kunnen na-vorderen. Wel worden er verschillende navorderings-termijnen geïntroduceerd voor goedwillende en voor kwaadwillende belastingplichtigen. Voor goedwillende belastingplichtigen wordt de navorderingstermijn ver-kort van vijf jaar na afloop van het belastingtijdvak tot drie jaar na ontvangst van de aangifte. In het overgrote deel van de gevallen – waarin aangifte wordt gedaan vóór 1 april – betekent dit een verkorting van de navor-deringstermijn met één jaar en negen maanden. Voor kwaadwillende belastingplichtigen wordt de navorde-ringstermijn verlengd van vijf jaar na afloop van het belastingtijdvak tot twaalf jaar na de ontvangst van de aangifte. Dit betekent een verlenging van de navorde-ringstermijn met zeven jaar en drie maanden.
Uit de memorie van toelichting volgt dat de navorde-ringstermijn van twaalf jaar – evenals de huidige ver-lengde navorderingstermijn voor buitenlandsituaties – is gebaseerd op de termijn waarbinnen strafrechtelijke vervolging voor belastingfraude mogelijk is. Het onder-scheid tussen binnenland- en buitenlandsituaties komt in het wetsvoorstel te vervallen. Voor navordering bij massale verstoringen geldt een aparte termijn van
zes maanden na dagtekening van de aanslag.
In de memorie van toelichting wordt vermeld dat de ter-
Correctie, door de inspecteur,
van een te lage definitieve aanslag kan alleen door het opleggen van een navorderingsaanslag
Hoe ruimer het criterium ‘wist of behoorde te weten’ in de praktijk zal worden uitgelegd, des te meer zal het ‘nieuwfeitvereiste’ aan betekenis inboeten

n n n n
december 2013 | nummer 6 | hetRegister 11
Op het uitgangspunt dat de termijn aanvangt op de dag van ontvangst van de aangifte bestaat een tweetal uitzonderingen
mijn van twaalf jaar is bedoeld om de Belastingdienst de tijd te geven voor het opsporen van belastingplichtigen die te kwader trouw zijn. Deze lange termijn geeft de in-specteur evenwel geen vrijbrief om nodeloos lang met het vaststellen van een navorderingsaanslag te wachten. Wanneer hij over ‘voldoende aanwijzingen’ beschikt dat ten onrechte geen of te weinig belasting is geheven, dient hij uiterlijk binnen twee jaar een navorderingsaan-slag vast te stellen, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die nopen tot een langere termijn. Genoemde ter-mijn is gekozen als een ‘redelijk gemiddelde’ van de tijd die gemoeid is met het verkrijgen van de noodzakelijke informatie in zowel binnenland- als buitenlandsituaties en het voorbereiden en vaststellen van de navorderings-aanslag, met inbegrip van eventueel overleg met de be-lastingplichtige.
Aanvang aanslag-, navorderings-en herzieningstermijn
De aanslag-, navorderings- en herzieningstermijn wordt in het wetsvoorstel gekoppeld aan de ontvangst van de aangifte. Op deze wijze heeft de belastingplichtige het volgens de memorie van toelichting zelf in de hand wan-neer hij (uiterlijk) weet waar hij aan toe is. Het laten aanvangen van termijnen op het moment waarop de aangifte is ontvangen, heeft tot gevolg dat discussies over de vraag of (becon)uitstel voor het doen van aangif-te is verleend, tot het verleden gaan behoren. De inspec-teur wordt op basis van het wetsvoorstel verplicht de da-tum van ontvangst van de aangifte uit eigen beweging te bevestigen.
Op het uitgangspunt dat de termijn aanvangt op de dag van ontvangst van de aangifte bestaat een tweetal uit-zonderingen. Ten aanzien van aangiften inkomstenbe-lasting die vóór 1 april van het kalenderjaar volgend op het belastingtijdvak zijn ontvangen, vangt de termijn pas op genoemde datum aan. Daarnaast is bepaald dat, wanneer de aangifte niet of niet tijdig is ontvangen, de termijn aanvangt op de dag na die waarop de gestelde of verlengde termijn is geëindigd. Het voorstel voorziet overigens niet in de situatie dat een belastingplichtige in het geheel niet is uitgenodigd om (binnen een termijn) aangifte te doen.
Opschorting aanslag-, navorderings- en herzienings-termijn
In een drietal gevallen kan de aanslag-, navorderings- en herzieningstermijn worden opgeschort, c.q. verlengd. Zo schort de aanslagtermijn in de eerste plaats op geduren-de de periode dat de belastingplichtige daarmee schrifte-lijk heeft ingestemd, bijvoorbeeld wanneer er tussen hem en de inspecteur nog overleg plaatsvindt.
Ten tweede wordt de aanslagtermijn verder opgeschort met ingang van de dag na die waarop de inspecteur op grond van art. 47 AWR een vraag stelt, tot de dag waarop de belastingplichtige die vraag heeft beantwoord. Een verbetering ten opzichte van een eerdere versie van het wetsvoorstel is dat een ‘vraag’ van de inspecteur op
grond van art. 47 AWR de termijn voor de duur van
maximaal zes maanden kan opschorten. Als de inspec-teur van mening is dat de vraag nog niet (volledig) is be-antwoord, kan hij vervolgens een informatiebeschik-king afgeven, waartegen de belastingplichtige bezwaar kan maken.
Ten derde wordt de aanslagtermijn opgeschort met in-gang van de dag na die waarop de inspecteur de belas-tingplichtige medeelt dat redelijkerwijs noodzakelijke informatie aan een buitenlandse instantie is gevraagd, tot de dag waarop deze informatie is ontvangen of ver-der uitstel niet meer redelijk is. Blijkens de memorie van toelichting geschiedt de mededeling van opschor-ting door de inspecteur in de laatste twee gevallen schriftelijk.
Directe werking
Het kabinet streeft ernaar het nieuwe hefingssysteem in werking te laten treden voor tijdvakken die aanvan-gen op of met ingang van 1 januari 2015 en tijdstippen die zijn gelegen op of na 1 januari 2015. De nieuwe re-gels voor navordering treden evenwel direct in wer-king. Goedwillende belastingplichtigen kunnen door de directe werking enerzijds profiteren van de verkor-te navorderingstermijn, maar worden anderzijds ge-confronteerd met het nieuwe criterium ‘wist of be-hoorde te weten’, als gevolg waarvan navordering eerder dan onder het huidige recht mogelijk wordt. De beoogde directe werking zal met name kwaadwillende belastingplichtigen in binnenlandsituaties treffen. Die worden immers geconfronteerd met een aanzienlijke verlenging van de navorderingstermijn en kunnen derhalve alsnog te maken krijgen met navorderings-aanslagen.
Conclusie
Het huidige hefingssysteem gaat radicaal op de schop. De meest in het oog springende wijzigingen betreffen de introductie van een herzieningsprocedure voor defini-tieve aanslagen, de wijziging van aanvang en duur van de aanslag- en navorderingstermijn en verruiming van de navorderingsbevoegdheden. Het wetsvoorstel schiet volgens ons op een groot aantal – niet in dit artikel ge-noemde – punten tekort en vormt daardoor een potenti-ele bron van discussies en procedures. Wij onderschrij-ven grotendeels de kritische opmerkingen en aanbevelingen van de Commissie Wetsvoorstellen van
het RB en verwijzen de geïnteresseerde RB’er dan ook graag naar haar reactie van 10 oktober 2013. <<<



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op