Navordering 2.0

  

Navordering 2.0

Datum: 21-02-2014
Auteur(s): M.D.M. van der Linde

Bekijk PDF



20 www.accountancynieuws.nl21 februari 2014 nr 3 Accountancynieuws
An belastingen
willende belastingplichtigen wordt verkort van vijf jaar na afloop van het belastingtijdvak tot drie jaar na ont-vangst van de aangifte. Bij belasting-plichtigen die te kwader trouw zijn wordt deze termijn verlengd tot twaalf
jaar na ontvangst van de aangifte. Ech-
ter, wanneer de inspecteur bij ‘kwaad-willende’ belastingplichtigen eenmaal beschikt over ‘voldoende aanwijzingen’ dat ten onrechte geen of te weinig be-lastingheffing is geheven, dient hij ui-terlijk binnen twee jaar een navorde-ringsaanslag vast te stellen, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die no-pen tot een langere termijn.
Aanvang navorderingstermijn Voor de inkomsten-, erf- en schenkbe-lasting vangt de navorderingstermijn
aan op de dag van ontvangst van de aan-gifte. Op het uitgangspunt dat de navor-deringstermijn aanvangt op de dag van ontvangst van de aangifte bestaan een tweetal uitzonderingen. Ten aanzien van aangiften inkomstenbelasting die vóór 1 april van het kalenderjaar volgend op het belastingtijdvak zijn ontvangen, vangt de navorderingstermijn pas op 1 april van dat volgende kalenderjaar aan. Daarnaast is in het wetsvoorstel bepaald dat indien de aangifte niet of niet tijdig is ontvangen, de navorderingstermijn aanvangt op de dag na die waarop de ge-stelde of verlengde termijn is geëin-digd.1 Het voorstel voorziet overigens niet in de situatie dat een belasting-plichtige in het geheel niet is uitgenodigd om (binnen een termijn) aangifte te doen.
Verlenging navorderingstermijn De navorderingstermijn wordt verlengd met de periode waarmee de aanslagter-mijn is opgeschort en de aanslagtermijn kan in een drietal gevallen worden op-geschort.2 Zo kan volgens het wetsvoor-
stel opschorting van de aanslagtermijn
O
p 2 september 2013 heeft de oud-staatssecretaris Weekers van Finan-
ciën het wetsvoorstel ‘Wet vereenvoudi-ging formeel verkeer Belastingdienst’ ingediend bij de Tweede Kamer. In dit artikel bespreek ik in vogelvlucht een aantal nieuwe regels voor navordering.
Wist of behoorde te weten
Voor de inkomsten-, schenk- en erfbe-lasting blijft sprake van heffing bij wege van aanslag en is niet gekozen voor het alternatief van heffing bij wege van vol-doening op aangifte. Het systeem van heffing bij wege van aanslag legt de ver-antwoordelijkheid voor de juiste vast-stelling van de belastingschuld primair bij de inspecteur. Een definitieve aan-slag behoort de belastingplichtige dan ook de (rechts)zekerheid te bieden dat daarmee zijn fiscale positie definitief is geregeld. Navordering maakt een in-breuk op dit principe en is onder meer mogelijk als er sprake is van een nieuw feit; een feit dat de inspecteur bekend was, of redelijkerwijs bekend had kun-nen zijn kan geen grond voor navorde-ring zijn. In het wetsvoorstel blijft het vereiste van een nieuw feit als voorwaar-de voor navordering ongewijzigd be-staan, maar daarnaast wordt een zeer ruime navorderingsbevoegdheid geïn-troduceerd in de gevallen een belasting-plichtige ‘wist of behoorde te weten’ dat ten onrechte geen of te weinig be-lasting is geheven. De reikwijdte van dit nieuwe criterium is vooralsnog ondui-delijk en moet in de praktijk invulling krijgen. Maar hoe ruimer het criterium
‘wist of behoorde te weten’ zal worden
uitgelegd, hoe beperkter de rol van het nieuwfeitvereiste zal worden. Aangezien een ieder geacht wordt de (belasting)wet te kennen en ook de ken-nis van een accountant aan een belas-tingplichtige wordt toegerekend, is al vrij snel sprake van ‘wist of behoorde te we-ten’. Uit de voorbeelden die in de Me-morie van Toelichting worden gegeven blijkt dat het kabinet nagenoeg altijd van oordeel is dat een belastingplichti-ge bekend is (of had moeten zijn) met de onjuistheid van een definitieve aan-slag. Bijgevolg heeft het nieuwfeitver-eiste, in tegenstelling tot hetgeen in de toelichting bij het wetsvoorstel wordt beweerd, geen reële betekenis meer. De enige geruststellende gedachte bij deze onbeperkte navorderingsbevoegdheid van de inspecteur, is dat bewijslast dat een belastingplichtige iets ‘wist of be-hoorde te weten’ op de inspecteur rust en dat in voorkomende gevallen uitein-delijk de (belasting)rechter zal beslis-sen of de inspecteur zulks aannemelijk heeft gemaakt.
Kwade trouw
Sinds 1994 is navordering niet alleen mogelijk bij een nieuw feit, maar ook indien een belastingplichtige te kwader trouw is ter zake van het feit dat tot na-vordering leidt. Het wetsvoorstel be-oogt geen wijziging aan te brengen in ‘kwade trouw’ als voorwaarde om te kunnen navorderen, maar introduceert verschillende navorderingstermijnen van drie en twaalf jaar voor goedwillen-de en kwaadwillende belastingplichti-
gen. De navorderingstermijn voor goed-
Navordering 2.0
Onlangs is in een wetsvoorstel aangekondigd om de navorderingsbevoegdheid van de inspecteur aanzienlijk te verruimen. De definitieve aanslag krijgt een voorlopig karak-ter, die naar aanleiding van een ingediende aangifte wordt opgelegd en daar kan een belastingplichtige nagenoeg geen rechten meer aan ontlenen. Deze wijziging treedt direct in werking, heeft (materieel) terugwerkende kracht en heeft zodoende onmid-
dellijke invloed op de praktijk.
Megan van der Linde

Accountancynieuws 21 februari 2014 nr 3www.accountancynieuws.nl 21


belastingen An
(en daarmee verlenging van de navorde-ringstermijn) plaatsvinden gedurende de periode dat de belastingplichtige daarmee schriftelijk heeft ingestemd, bijvoorbeeld wanneer er overleg plaats-vindt tussen de belastingplichtige en de inspecteur.3 Daarnaast kan de aanslag-termijn met maximaal zes maanden worden opgeschort met ingang van de dag na die waarop de inspecteur op grond van artikel 47 AWR een vraag stelt, tot de dag waarop de belasting-plichtige aan dit verzoek heeft voldaan. Indien volgens de inspecteur na zes maanden nog steeds niet (volledig) aan zijn verzoek is voldaan, dan kan de in-specteur een (termijnopschortende) in-formatiebeschikking afgeven. Ten slotte wordt de aanslagtermijn opgeschort met ingang van de dag na die waarop de in-specteur de belastingplichtige meedeelt dat redelijkerwijs noodzakelijke infor-matie aan een buitenlandse instantie is gevraagd, tot de dag waarop deze infor-matie is ontvangen of verder uitstel niet meer redelijk is.
Directe werking
De nieuwe regels voor navordering tre-den per direct in werking. Dit zorgt in de praktijk voor veel vragen en onduide-lijkheden. De beoogde directe werking zal met name kwaadwillende belasting-plichtigen in binnenlandsituaties tref-fen. Zij worden immers geconfronteerd met een aanzienlijke verlenging van de navorderingstermijn en kunnen alsnog te maken krijgen met navorderingsaan-slagen. Goedwillende belastingplichti-gen kunnen door de directe werking profiteren van de verkorte navorderings-termijn, maar met het nieuwe criterium ‘wist of behoorde te weten’ kan er eer-der dan onder het huidige recht reden zijn om na te vorderen. Het wetsvoorstel heeft in bepaalde gevallen dus (materi-eel) terugwerkende kracht, waardoor ook de goedwillende belastingplichtige met (rechts)onzekerheid wordt gecon-fronteerd. Daarnaast is het volstrekt on-duidelijk hoe de terugwerkende kracht zal uitwerken met betrekking tot de aan-vang, de verlenging en het einde van de navorderingstermijn.
In 1991 werd bij de invoering van de hui-
dige verlengde navorderingstermijn voor
buitenlandsituaties nog voorzien in een overgangsregeling die als volgt werd ge-motiveerd: ‘De bedoeling is daarmee te voor-komen dat degenen die hebben mogen aanne-men dat te hunnen aanzien de bevoegdheid tot navordering vervallen was, geconfronteerd zou-den worden met een verlengde navorderingster-mijn, teruggaande tot twaalf jaren voor de in-werkingtreding van deze wet. Met andere woorden: de overgangsregeling voorkomt dat de bevoegdheid tot navordering herleeft in de ge-vallen waarin men op grond van de huidige wettekst mocht menen dat die bevoegdheid ge-eindigd was.’4
Het kabinet ziet thans geen enkele reden om kwaadwillende belastingplichtigen op eenzelfde wijze te ontzien en ziet bij-gevolg af van een overgangsregeling. Deze summiere motivering overtuigt al-lerminst, omdat mag worden aangeno-men dat de wetgever in het verleden ook geen mededogen had voor belasting-plichtigen te kwader trouw en de terug-werkende kracht van regeling eveneens nadelige gevolgen heeft voor goedwillen-de belastingplichtigen.
Een verstrekkend gevolg van deze directe werking is bijvoorbeeld dat – indien het wetsvoorstel nog dit jaar wordt aangeno-men – een (vermeende) kwaadwillende anno 2013 kan worden geconfronteerd met een navorderingsaanslag inkomsten-belasting over het jaar 2000 in het geval diens aangifte IB 2000 – vanwege Becon-uitstel – in de loop van het jaar 2002 is ingediend. Zijn er destijds ook nog wat vragen gesteld door de inspecteur, waar-door de navorderingstermijn met maxi-maal zes maanden wordt verlengd, dan zou in 2014 navordering over 2002 ook nog mogelijk kunnen zijn.
Ten slotte
In de toekomst zal de definitieve aanslag
niet meer de (rechts)zekerheid bieden
dan thans het geval is. Anders gezegd: de definitieve aanslag krijgt – evenals de voorlopige aanslag – een voorlopig ka-rakter, die naar aanleiding van een inge-diende aangifte wordt opgelegd en daar kan een belastingplichtige nagenoeg geen rechten meer aan ontlenen. Pas na verloop van de navorderingstermijn heeft de belastingplichtige de zekerheid dat zijn fiscale positie ook definitief is afge-wikkeld. Maar over de aanvang, de ver-lenging en de beëindiging van die navor-deringstermijn lijkt discussie mogelijk, wat de rechtszekerheid niet ten goede komt. Onduidelijk is hoe de directe wer-king van het wetsvoorstel in de praktijk zal uitwerken, maar evident is de bedoe-ling dat reeds geëindigde navorderings-bevoegdheden voor kwaadwillenden gaan herleven. An
1 Zie het voorgestelde artikel 16, tweede en
vierde lid AWR in samenhang met artikel 11,
derde en vierde lid AWR.
2 Volgens de voorgestelde wettekst lijkt de na-
vorderingstermijn niet zelfstandig opgeschort te
kunnen worden, maar is verlening van de navor-
deringstermijn mogelijk als de aanslagtermijn
is opgeschort. Gezien de MvT is mij onduidelijk
of dit wel de bedoeling van het kabinet is.
3 MvT, blz. 28.
4 MvT, Kamerstukken II 1989/90, 21 423, nr. 3,
blz. 4.
‘Goedwillende belasting-plichtigen kunnen door de directe werking profiteren van de verkorte navorde-ringstermijn.’
Megan van der Linde, Jaeger advocaten-belasting-
kundigen.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op