Nieuw heffingssysteem IB en erf- en schenkbelasting líjkt alleen eenvoudig

  

Nieuw heffingssysteem IB en erf- en schenkbelasting líjkt alleen eenvoudig

Auteur(s): A.A. Kan

Bekijk PDF



34 www.accountancynieuws.nl24 mei 2013 nr 10 Accountancynieuws
Nieuw heffingssysteem IB en erf- en schenkbelasting líjkt alleen eenvoudig
Het ministerie van Financiën heeft op 6 september 2012 het wetsvoorstel ‘Wet vereen-voudiging formeel verkeer Belastingdienst’ voor consultatie op internet geplaatst. Dit wetsvoorstel introduceert een nieuw heffingssysteem voor de inkomstenbelasting en de erf- en schenkbelasting. Doel van het wetsvoorstel is onder meer dat zowel de be-lastingplichtige als de Belastingdienst op een informele en soepele wijze aanslagen kunnen wijzigen. De mogelijkheid om een (voorlopige) aanslag te herzien, moet re-sulteren in een laagdrempelige procedure om de materiële belastingschuld op eenvou-
dige wijze te kunnen vaststellen.
Arthur Kan
An belastingrecht
heid (behoudens navordering). De voor-gestelde regeling voorziet er echter in dat de inspecteur de aanslag zonder aanvul-lende voorwaarden kan herzien tot 18 maanden na de indiening van de aangif-te. Dit heeft tot gevolg dat na het opleg-gen van de definitieve aanslag ten minste 3 maanden resteren voor herziening. De
aanslag staat dus pas vast na afloop van
de herzieningstermijn, aangezien de in-specteur gedurende die termijn de facto een onbeperkte navorderingsbevoegd-heid heeft. In zoverre duurt het gemid-deld dus langer voordat de belasting-plichtige zekerheid heeft en is er slechts sprake van een verkorting van de maxi-male termijn waarbinnen de aanslag moet worden opgelegd.
Opschorting aanslag- en herzieningstermijn
Op basis van het conceptwetsvoorstel wordt de aanslag- en herzieningstermijn bovendien opgeschort indien de inspecteur aan de belastingplichtige om informatie verzoekt en/of de inspecteur redelijkerwijs noodzakelijke informatie heeft opgevraagd bij een buitenlandse autoriteit. In deze ge-vallen worden de termijnen opgeschort tot de dag waarop de belastingplichtige aan het informatieverzoek heeft voldaan, res-pectievelijk de informatie van de buiten-landse autoriteit is ontvangen of verder uit-stel niet meer redelijk is. Niet alleen heeft de inspecteur hiermee eigenhandig de be-voegdheid om bovengenoemde termijnen (langdurig) te verlengen (bijvoorbeeld in-geval van een boekenonderzoek), maar er zal ook onduidelijkheid kunnen ontstaan
omtrent de vraag wanneer de opschorting –
H
elaas gaat het wetsvoorstel gepaard met een groot aantal formele bepa-
lingen die afbreuk doen aan de eigenlijke doelstelling daarvan. Bovendien leidt de voorgestelde regeling tot een verslechte-ring van de rechtszekerheid en rechtsbe-scherming. Ondanks niet mis te verstane kritiek op het wetsvoorstel vanuit praktijk en wetenschap, stemde de Ministerraad er op 8 maart 2013 mee in om het (aange-paste) wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State toe te zenden. De staats-secretaris van Financiën streeft ernaar het nieuwe heffingssysteem in werking te laten treden voor (voorlopige) aanslagen met betrekking tot tijdvakken die zijn aangevangen, dan wel tijdstippen die zijn gelegen op of na 1 januari 2014 en die zijn vastgesteld op of na 1 januari 2015.
Herziening
Een herzieningsprocedure is niet nieuw en bestaat reeds voor voorlopige aansla-gen in de inkomsten- (art. 9.5 Wet IB) en de vennootschapsbelasting (art. 27 Wet Vpb). Met betrekking tot deze aanslagen is het niet mogelijk om bezwaar aan te tekenen, maar in plaats daarvan kan een verzoek tot herziening worden inge-
diend. Tegen de (gedeeltelijke) afwijzing
van een herzieningsverzoek kan de belas-tingplichtige bezwaar aantekenen. De hiermee opgedane ervaringen zijn kenne-lijk positief en reden voor het kabinet om de herzieningsprocedure uit te breiden. Volgens het conceptwetsvoorstel wordt de aanslagtermijn ingekort. Onder de huidige regelgeving bedraagt de aanslag-termijn 3 jaar na het tijdstip van het ont-staan van de belastingschuld. Deze ter-mijn wordt verlengd met de periode waarvoor uitstel is verleend voor het in-dienen van de aangifte (art. 9 Wet AWR) en de periode tussen de bekendmaking van een informatiebeschikking en het moment waarop deze onherroepelijk wordt (art. 52a AWR). In het concept-wetsvoorstel wordt een (maximale) aan-slagtermijn van vijftien maanden na ont-vangst van de aangifte voorgesteld. Hiermee lijkt de belastingschuld eerder vast komen te staan en heeft de belas-tingplichtige aldus eerder zekerheid. In de praktijk pleegt de inspecteur evenwel een (voorlopige) aanslag op te leggen binnen 3 maanden nadat de aangifte is ingediend, en is er voor de definitieve af-doening gemiddeld één jaar nodig. Als de definitieve aanslag dan wordt opge-
legd, heeft de belastingplichtige zeker-
Complex systeem, rechtsbescherming belastingplichtige aangetast

Accountancynieuws 24 mei 2013 nr 10www.accountancynieuws.nl 35
belastingrecht An
en daarmee de aanslagtermijn – afloopt. Bijvoorbeeld als er verschil van inzicht be-staat tussen inspecteur en belastingplichti-ge over de vraag of aan een informatiever-zoek is voldaan, dan wel of verder uitstel niet meer redelijk is. Daarnaast is voorals-nog niet duidelijk hoe de voorgestelde opschorting van de aanslagtermijn zich verhoudt met de bestaande informatiebe-schikking, wat eveneens een verlenging van de aanslagtermijn bewerkstelligt.
Aanslag niet voor bezwaar vatbaar De voorgestelde herzieningsregeling brengt met zich mede dat de (definitieve) aanslag niet langer voor bezwaar vatbaar is. Gedurende de herzieningstermijn kan de belastingplichtige de inspecteur verzoeken om de aanslag te verminderen. Indien de inspecteur dit verzoek (gedeeltelijk) afwijst, dient hij dit besluit te nemen bij een voor bezwaar vatbare beschikking. De belasting-plichtige heeft dan alsnog de mogelijkheid om binnen zes weken bezwaar aan te teke-nen tegen deze herzieningsbeschikking (en vervolgens eventueel in beroep te gaan). Zoals eerder opgemerkt kan de inspecteur de aanslag gedurende de herzieningster-mijn ook ambtshalve ten nadele van een be-lastingplichtige herzien. Dit besluit neemt de inspecteur bij voor bezwaar vatbare herzieningsbeschikking ná schriftelijke in-stemming van de belastingplichtige. Inge-val schriftelijke instemming uitblijft, bij-voorbeeld omdat de inspecteur nalaat de belastingplichtige daartoe te verzoeken, zal de belastingplichtige aldus een verzoek om herziening moeten indienen dat strekt tot het ongedaan maken van de ambtshalve herziening om een voor bezwaar vatbare herzieningsbeschikking te verkrijgen. In die zin leidt het niet langer openstaan van bezwaar tegen de aanslag tot een (onnodi-ge) extra schriftelijke ronde, wat allerminst een vereenvoudiging van het formele ver-keer oplevert. Overigens niet in de laatste plaats omdat in de praktijk bij het opleggen van de definitieve aanslag dikwijls reeds duidelijk is of er verschil van inzicht bestaat over de hoogte van de belastingschuld.
Onpraktisch effect
Onpraktisch is ook de voorgestelde rege-ling inzake beschikkingen die met de aanslag samenhangen. Conform huidige
regelgeving wordt een bezwaar tegen een
aanslag in beginsel mede geacht te zijn gericht tegen de boetebeschikking, in-dien deze beschikking op hetzelfde aan-slagbiljet vermeld is (art. 24a AWR). Voorts worden voor toepassing van het bezwaar en beroep een beperkt aantal ne-venbeschikkingen geacht onderdeel uit te maken van de aanslag (bijvoorbeeld de heffingsrentebeschikking). In het con-ceptwetsvoorstel is de belastinginspec-teur verplicht om gelijktijdig met de her-ziening van de aanslag ook de samenhangende (neven)beschikkingen te wijzigen, indien en voor zover de grondslag dezelfde is of samenhangt met de grondslag van de (voorlopige) aan-slag. Dit betekent dat wanneer de neven-beschikking om andere redenen niet cor-rect zou zijn (bijvoorbeeld de kwalificatie opzet of grove schuld ingeval van een ver-grijpboete), de belastingplichtige apart tegen deze beschikking bezwaar dient aan te tekenen. Met betrekking tot een en dezelfde beschikking kunnen dan twee separate procedures tegelijk lopen.
Uitwerking
Het kabinet acht het verder nodig om de mogelijkheid tot ambtshalve verminde-ring vrijwel volledig in te perken. Doel daarvan is om belastingplichtigen te sti-muleren zoveel mogelijk gebruik te ma-ken van het herzieningsregime. Op grond van huidige regelgeving kan de be-lastingplichtige gedurende een termijn van vijf jaar de inspecteur verzoeken om een aanslag ambtshalve te verminderen (art. 65 AWR). Ingeval de inspecteur dit verzoek voor de inkomstenbelasting (ge-deeltelijk) afwijst, dient hij dit te doen bij voor bezwaar vatbare beschikking (art. 9.6 Wet IB). In het conceptwetsvoorstel komt deze verplichting te vervallen en staat ambtshalve vermindering alleen nog open wanneer er sprake is van feiten of omstandigheden die de belasting-
plichtige ná de herzieningstermijn be-
kend zijn geworden. Indien hier in de ogen van de inspecteur geen sprake van is, kan hij het verzoek zonder nadere mo-tivering afwijzen. Dit komt de rechtsbe-scherming van de belastingplichtige niet ten goede en vormt een potentiële bron van conflicten.
Navordering
Naast de aanslagregeling worden ook de regels inzake navordering ingrijpend aangepast. Onder de huidige regelgeving kan de inspecteur alleen navorderen in-dien hij beschikt over een (belastingver-hogend) feit dat hem nog niet bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn op het moment dat de aanslag werd opgelegd, dan wel indien de belasting-plichtige te kwader trouw is. Navorde-ring benevens nieuw feit kan eveneens plaatsvinden als er sprake is van een fout in de aanslag die de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar moet zijn geweest, waarvan in elk geval sprake is indien de te weinig geheven belasting ten minste 30% bedraagt van de (materieel) ver-schuldigde belasting. Op een aantal uit-zonderingen na moet navordering in be-ginsel binnen 5 jaar plaatsvinden na het tijdstip van het ontstaan van de belasting-schuld. Met betrekking tot inkomsten- of vermogensbestanddelen die in het bui-tenland zijn opgekomen of worden gehouden, bedraagt de navorderingster-mijn 12 jaar, mits de inspecteur voortva-rend te werk gaat (art. 16 AWR). In dit ka-der moet worden opgemerkt dat voor toepassing van de erf- en schenkbelas-ting een aantal afwijkingen (kan) gelden, waaronder een onbeperkte navorderings-termijn in de erfbelasting ter zake van buitenlandse vermogensbestanddelen (art. 66 SW).
Onder het conceptwetsvoorstel is navor-dering in de inkomstenbelasting en de erf- en schenkbelasting in beginsel alleen mogelijk indien:
çde belastingplichtige te kwader trouw is. De navorderingstermijn bedraagt alsdan twaalf jaar ná afloop van de her-zieningstermijn;
çer sprake is van een nieuw feit én het de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is dat te weinig belasting is geheven. Kenbaarheid wordt aangenomen indien
de te weinig geheven belasting ten min-
‘Invoering van het wets-voorstel zal leiden tot een versnipperd systeem en verslechtering van de rechtsbescherming.’

36 www.accountancynieuws.nl24 mei 2013 nr 10 Accountancynieuws
An belastingrecht
ste 15% bedraagt van de (materieel) ver-schuldigde belasting. De navorderings-termijn bedraagt alsdan twee jaar ná afloop van de herzieningstermijn;
çaan de belastingschuldige een dwang-bevel is betekend ter zake van de aan-slag. De navorderingstermijn vangt alsdan aan op de dag ná die van beteke-ning van het dwangbevel en eindigt op de dag waarop de herzieningstermijn normaliter zou eindigen als er geen dwangbevel zou zijn opgelegd.
Onbeperkt navorderen tijdens her-zieningstermijn
Hoewel de voorwaarden voor navorde-ring in algemene zin stringenter lijken te worden, dient bedacht te worden dat de inspecteur gedurende de herzieningster-mijn wel onbeperkt kan navorderen. Hiernaast valt op dat de navorderingster-mijn ingeval van kwade trouw aanzienlijk wordt verlengd; deze kan oplopen tot meer dan veertien jaar na het ontstaan van de belastingschuld. Vooralsnog is niet duidelijk of de in de jurisprudentie
ontwikkelde voortvarendheidsvereisten
in dit verband hun gelding behouden, noch op welke wijze een dergelijk lange navorderingstermijn zich verhoudt met de wettelijke bewaartermijn voor admi-nistratieplichtigen en ondernemers van respectievelijk zeven en negen jaar (artt. 52 AWR en 34a Wet OB).
De navorderingsbevoegdheid ingeval de belastingschuldige niet aan zijn betalings-verplichting voldoet is evenmin redelijk te noemen. Blijkens het conceptwetsvoorstel wordt de belastingplichtige het herzie-ningsregime ontzegd indien deze, na daar-toe te zijn aangemaand, niet betaalt. Aan-gezien bezwaar tegen een aanslag niet langer mogelijk is, en het herzieningsregi-me de enige rechtsingang is, leidt het niet (tijdig) betalen van de aanslag tot verval van rechtsingang. Een rechtsgevolg dat moeilijk verdedigbaar is als de belasting-schuldige wel wil betalen, maar simpelweg niet kan betalen. Een betalingsverzuim kwalificeert immers niet per definitie als verwijtbaar handelen, waar de voorgestel-de navorderingsbevoegdheid vanuit lijkt te gaan. Bovendien staat een verzoek om her-
ziening niet in de weg aan de invordering.
Tot slot
Het conceptwetsvoorstel heeft uitsluitend betrekking op de inkomstenbelasting en de erf- en schenkbelasting. Voor de ven-nootschapsbelasting wordt door het kabi-net momenteel bezien of deze niet beter kan worden omgevormd tot een aangifte-belasting. De overwegingen daartoe laten zich vooralsnog raden. De invoering van het conceptwetsvoorstel leidt niet alleen tot een versnipperd systeem, waarbij voor verschillende aanslagbelastingen verschil-lende regelingen gelden, maar ook tot een verslechtering van de rechtsbescherming. Daarenboven is de voorgestelde regelge-ving ingewikkeld en doet het mijns in-ziens afbreuk aan de doelstelling om een-voudiger tot een juiste vaststelling van de materiële belastingschuld te komen. Het is om die reden te hopen dat het concept-wetsvoorstel op een groot aantal vlakken is aangepast voordat het bij de Tweede Ka-mer wordt ingediend. An
d,/E<WZK&^^/KE>ͮ>d͛^D>
ĐĐŽƵŶƚĂŶĐLJƐŽŌǁĂƌĞŐĞŶŽĞŐ͕ĚĂƚŝƐŚĞƚƉƌŽďůĞĞŵŶŝĞƚ͘DĂĂƌĚĞƉĞƌĨĞĐƚĞ ĂĐĐŽƵŶƚĂŶĐLJƐŽŌǁĂƌĞŬŽŶĚĞŶǁŝũŶŝĞƚǀŝŶĚĞŶ͘KĨŚŝũďĞƐƚŽŶĚƵŝƚĞůůĞŶůĂŶŐĞ ĐŚĞĐŬůŝƐƚĞŶ͕ŽĨĚĞƐƚŽƌLJŽĨƚŚĞĂƵĚŝƚǁĂƐŶŝĞƚŚĞůĚĞƌ͘ĂŶǁĂƐŚĞƚĚŽƐƐŝĞƌǁĞĞƌ ŶŝĞƚŐĞŢŶƚĞŐƌĞĞƌĚŽĨůŝĞƚĚĞƌĞŐĞůŐĞǀŝŶŐƚĞǁĞŶƐĞŶŽǀĞƌ͘
ĂƚŵŽĞƚĂŶĚĞƌƐ͕ďĞƚĞƌ͕ǀŽŶĚĞŶǁŝũǀĂŶDĂŬĞ>ŝĨĞĂƐŝĞƌ͘ĂĂƌŽŵŚĞďďĞŶ ǁĞĚĞƉĞƌĨĞĐƚĞĂĐĐŽƵŶƚĂŶĐLJƐŽŌǁĂƌĞnjĞůĨŽŶƚǁŝŬŬĞůĚ͘^ŽŌǁĂƌĞǁĂĂƌŵĞĞĚĞ ƉƌŽĨĞƐƐŝŽŶĂů͕ĚĞĂĐĐŽƵŶƚĂŶƚ͕ǁĞĞƌnjĞůĨŵĂŐŶĂĚĞŶŬĞŶ͘DĞƚD>ƐĂŵĞŶƐƚĞů ŐĞŶĞƌĞĞƌƚƵŚĞƚƐĂŵĞŶƐƚĞůĚ ŽƐƐŝĞƌ͕ŚĞƚũĂĂƌƌĞŬĞŶŝŶŐƌĂƉƉŽƌƚ͕ŚĞƚĂĐĐŽƵŶƚĂŶƚƐͲ ƌĂƉƉŽƌƚĞŶyZ>ŝŶƐƚĂŶĐĞƐŝŶĠĠŶŐĞŢŶƚĞŐƌĞĞƌĚǁĞƌŬƉƌŽĐĞƐ͘D>ĐŽŶƚƌŽůĞ ƐƚĂĂƚǀŽŽƌĞĞŶƌŝƐŝĐŽŐĞƌŝĐŚƚĞĐŽŶƚƌŽůĞĂĂŶƉĂŬĞŶĞĞŶŚĞůĚĞƌĞƐƚŽƌLJŽĨƚŚĞ ĂƵĚŝƚ͘ĞĂĐƚƵĞůĞǁĞƚͲĞŶƌĞŐĞůŐĞǀŝŶŐĞŶĚĞŬǁĂůŝƚĞŝƚƐŚ ĂŶĚď ŽĞŬĞŶǀĂŶ ďĞůĂŶŐĞŶǀ ĞƌĞŶŝŐŝŶŐĞŶnjŝũŶŐĞŢŶũĞĐƚĞĞƌĚĞŶŐĞƉƵďůŝĐĞĞƌĚŝŶĚĞƐŽŌǁĂƌĞ͘ ĂƚnjŝũŶD>ĂƉƉůŝĐĂƟĞƐ͗ϭϬϬйǀŽŽƌĚĞĂĐĐŽƵŶƚĂŶƚ͕ϭϬϬйǀĂŶĚĞĂĐĐŽƵŶƚĂŶƚ͘
ϭŬŽĞ DĞƚĚĞƐŽŌǁĂƌĞǀĂŶD> ŵĂŐƵǁĞĞƌnjĞůĨŶĂĚĞŶŬĞŶ
DĂĂŬŶƵǀƌŝũďůŝũǀĞŶĚŬĞŶŶŝƐŵĞƚĚĞD>ƐŽŌǁĂƌĞĞŶŬŽŵŶĂĂƌ ĞĞŶƉƌŽĚƵĐƚĚ ĞŵŽŽĨǀƌĂĂŐĞĞŶŐƌĂƟƐƉƌŽĞĨƉĞƌŝŽĚĞĂĂŶ͘
<ŝũŬŽƉǁǁǁ͘ŵůĞƐŽŌǁĂƌĞ͘ĐŽŵŽĨďĞůϬϯϬϯϮϬϬϵϵϵ͘
'ƌĂƟƐ ƉƌŽĞĨƉĞƌŝŽĚĞ ǀĂŶϭŵĂĂŶĚ


Mr. A.A. Kan is als advocaat werkzaam bij Jae-
ger Advocaten-belastingkundigen te Amsterdam.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op