Wet Melding Ongebruikelijke Transacties - Wet Identificatie bij Dienstverlening

  

Wet Melding Ongebruikelijke Transacties - Wet Identificatie bij Dienstverlening

Auteur(s): B.J.G.L. Jaeger

Bekijk PDF



11 De Wet melding ongebruikelijke transacties en 2 de Wet identificatie bij dienstverlening
3
4(bijgewerkt tot en met 1 april 2006) 5
6Sinds 1 juni 2003 zijn de al sinds 1994 op financiële instellingen van toepassing zijnde
7Wet melding ongebruikelijke transacties, kortweg de Wet MOT en de Wet identificatie bij 8dienstverlening, veelal aangeduid als de WID, ook van toepassing op de (meeste) diensten 9van dienstverleners als accountants en belastingadviseurs. Met deze twee wetten zijn
10(grofweg) alle MKB-adviseurs verplicht hun cliënten te identificeren voorafgaande aan het 11verlenen van de verlangde dienst, en zijn ze tevens verplicht om ongebruikelijkheden die 12hen in het kader van de dienstverlening ter kennis komen, te melden bij het Meldpunt
13Ongebruikelijke Transacties te Zoetermeer, een dienst van het ministerie van Justitie. 14Bovendien is de adviseur gehouden te zwijgen over het feit dat het kantoor bepaalde 15aangelegenheden meldenswaard heeft bevonden en tot melding is overgegaan.
16
17Bij Koninklijk Besluit1 van 24 februari 2003 (het zevende achtereenvolgende afzonderlijke
18besluit op rij) is opnieuw verdergaand uitvoering gegeven aan de toepassing van de Wet 19MOT en de WID.2 Bij dit aanwijzingsbesluit is de werkingssfeer van de wetten uitgebreid
20tot enerzijds advocaten, (kandidaat-)notarissen en gelijksoortige juridische beroepen, en 21anderzijds accountants (RA’s en AA’s), belastingadviseurs en personen die ‘anderszins 22zelfstandig onafhankelijk beroeps- of bedrijfsmatig bedrijfseconomische of fiscale
23werkzaamheden verrichten’. 24
25Dit onderdeel van het DFH heeft tot doel inzicht te verstrekken in de verplichtingen voor 26(alle) dienstverlenende beroepen die voortvloeien uit de hiervoor bedoelde regelgeving. De 27Nederlandse Federatie van Belastingadviseurs (NFB), het Koninklijk Nederlands Instituut 28voor Registeraccountants (NIVRA), de Nederlandse Orde van Accountants-
29Administratieconsulenten (NOvAA) en de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs
30 (NOB) hebben in onderling overleg, alsmede in overleg met enkele bij deze organisaties 31 aangesloten grote kantoren, redelijke en praktijkgerichte richtsnoeren3 opgesteld voor de
32interpretatie van deze wetgeving (o.a. te raadplegen via de website van de NOB en van de 33SRA). Naast de teksten van de regelgeving zelf en de parlementaire toelichting daarop, is 34deze bijdrage tevens gebaseerd op interpretaties ontleend aan deze richtsnoeren.
35
361.1DE TOTSTANDKOMING VAN DE WET MOT
37Anders dan in de Verenigde Staten vormt in Europa niet zozeer de handel in drugs4, maar
38de georganiseerde geweldscriminaliteit en de daarmee te behalen opbrengsten, in 1980 de 39aanleiding voor de Raad van Europa een aanbeveling5 te doen tot het treffen van
40maatregelen tegen de overboeking en bewaring van gelden van criminele oorsprong. Pas
1 Besluit tot aanwijzing van instellingen en diensten in het kader van de Wet identificatie bij dienstverlening
en de Wet melding ongebruikelijke transacties, Stb. 2003, 94.
2 Wetten van 16 december 1993, beide laatstelijk gewijzigd bij wet van 13 december 2001, Stb. 2001, 655;
zie voor de parlementaire behandeling van de wetswijziging Kamerstukken II 2001/02, 28 018, nr. 5. 3 Bij de totstandkoming van deze bijdrage: Versie 2.2 van februari 2006.
4 C.D. Schaap, Heling getoetst, Gouda Quint, Arnhem 1999.
5 Zie bijvoorbeeld Aanbeveling R(80)10 van 27 juni 1980 van de Raad van Europa.

2
1een goede tien jaar later, om precies te zijn op 10 juni 1991, volgt de Europese
2witwasrichtlijn: Richtlijn 91/308/EEG tot voorkoming van het gebruik van het financiële 3stelsel voor het witwassen van geld. Ter uitvoering van deze rechtstreeks verbindende
4werking hebbende richtlijn treden op 1 februari 1994 de Wet identificatie bij financiële
5dienstverlening – WIF, de voorloper van de WID – en Wet MOT in werking. Deze wetten 6verplichten onder andere banken en wisselkantoren cliënten te identificeren en
7ongebruikelijke transacties te melden. Naar verluidt heeft het hierdoor aangescherpte
8toezicht door banken tot gevolg gehad dat bij witwassen van crimineel geld hoe langer hoe 9meer de hulp van adviseurs wordt ingeroepen.
10
11Door de gebeurtenissen in New York en Washington op 11 september 2001 raken de 12voorgenomen maatregelen om de gesignaleerde inschakeling van professionele
13dienstverleners in te dammen, in een stroomversnelling. Nog vóór de ingangsdatum op 28 14december 2001 van de gewijzigde witwasrichtlijn6 wijzigt Nederland op 13 december 2001 15de Wet MOT en de voorloper van de WID.7 Door deze wijziging van zowel de
16witwasrichtlijn als onze nationale wetgeving heeft de meldingsregeling de mogelijkheid
17gekregen om bij algemene maatregel van bestuur (amvb) de wetten van toepassing te
18verklaren op bepaalde beroepen en bedrijven en de door hen verleende diensten.8 Sinds het
19hiervoor al genoemde aanwijzingsbesluit van 24 februari 2003 is de uitbreiding tot ook de 20dienstverlenende beroepen met als ingangsdatum 1 juni 2003 een feit.
21
22Op 7 december 2004 hebben de vijfentwintig Europese ministers van Financiën een
23akkoord bereikt over wijziging van de richtlijn die ten grondslag ligt aan de WID en de 24Wet MOT.9 De Nederlandse wetgever is er weer snel bij: op 8 februari 2006. is een
25voorstel tot wetswijziging bij de Tweede Kamer ingediend.10 Het wetsvoorstel zorgt ervoor
26dat beide wetten, maar natuurlijk vooral de Wet MOT, ook gaan zien op de bestrijding van 27terrorismefinanciering. Verder wordt de uiterste termijn waarbinnen een melding dient te 28geschieden, verkort tot maximaal veertien dagen en worden de bevoegdheden van de
29toezichthouder aanzienlijk uitgebreid. Tot slot moet de wetswijziging de administratieve 30lasten die met deze wetgeving zijn gemoeid, (verregaand) terugdringen.
31
32Volgens een op 17 februari 2006 in opdracht van het ministerie van Financiën verschenen 33onderzoek wast Nederland jaarlijks 18,5 miljard aan crimineel geld wit. Bovendien blijkt 34Nederland attractief voor het witwassen van geld en zuigt daardoor buitenlandse criminelen 35aan. Ik meen hieraan de verwachting te mogen koppelen dat de op korte termijn komende 36wijziging van de WID en de Wet MOT zeker niet de laatste zal zijn en de roep op
37verdergaande controle niet snel zal verstommen. 38
6 Richtlijn 2001/97/EG van 4 december 2001, PbEG 2001 L344/76. 7 Zie noot 2.
8 Art. 1, eerste lid, onderdeel a, onder 7° (voor wat betreft instellingen) en onderdeel b, onder 9° b (voor wat betreft diensten), van de WID, alsmede art. 1, eerste lid, onderdeel a, onder 10° (voor wat betreft diensten), van de Wet MOT.
9 Heeft geleid tot de 3e Richtlijn, Richtlijn 2005/60/EG, die op 15 december 2005 in werking getreden. De
lidstaten dienen deze derde richtlijn voor 15 december 2007 te implementeren.
10 Ligt thans bij de Eerste Kamer: gewijzigd voorstel van wet van 22 november 2005, Kamerstuk 2005-2006,
29990, nr. A.

3
11.2DE IDENTIFICATIE- EN MELDINGSPLICHTIGE INSTELLINGEN
2 Zoals de nota van toelichting op het aanwijzingsbesluit vermeldt, is er met het oog op de 3 overzichtelijkheid voor gekozen al de zes voorgaande aanwijzingen van instellingen in te
4trekken en in de nieuwe aanwijzing al de instellingen en diensten te vermelden die onder de 5werkingssfeer van de Wet MOT en de WID waren en worden gebracht. Het nadeel van
6deze keuze voor de overzichtelijkheid is overigens dat, net als de wetten zelf, het 7aanwijzingsbesluit niet specifiek is toegesneden op de nieuwe uitbreiding en de 8bijzonderheden daarvan.
9
10Na de creditcardmaatschappijen, wisselkantoren en casino’s, wordt in art. 1 van het besluit 11onder d. als identificatieplichtige instelling aangewezen de natuurlijk persoon,
12rechtspersoon of vennootschap die als advocaat, notaris of kandidaat-notaris dan wel in de 13uitoefening van een gelijksoortig juridisch beroep of bedrijf zelfstandig onafhankelijk
14beroeps- of bedrijfsmatig werkzaamheden verricht. 15
16Onder e. volgt dan als identificatieplichtige instelling de natuurlijk persoon, rechtspersoon 17of vennootschap die als openbare registeraccountant, openbare accountant-
18administratieconsulent, belastingadviseur dan wel anderszins zelfstandig onafhankelijk 19beroeps- of bedrijfsmatig bedrijfseconomische of fiscale werkzaamheden verricht. Art. 1 20sluit nog af met makelaars in onroerende zaken en de geldtransactiekantoren.
21
22Mede omdat de diensten die onder de toepassing van deze wetgeving vallen, niet restrictief 23door bepaalde beroepsgroepen mogen worden verleend, is in de aanwijzing een zeer ruime 24omschrijving opgenomen. Het is ook niet zozeer een formeel criterium – in de zin van hoe 25de professional zich noemt of bij welke beroepsorganisatie hij is aangesloten – maar
26veeleer een materieel criterium – namelijk wat voor diensten hij verricht – dat maatstaf is 27bij de beoordeling welke verplichtingen (en uitzonderingen) gelden. Gelijksoortige
28diensten dienen, ongeacht wie ze verricht, dezelfde plichten met zich te dragen.
29Accountants en belastingadviseurs worden, aldus de nota van toelichting, als juridisch
30adviseur beschouwd als ze die (specifiek aangewezen) diensten verrichten die (kennelijk) 31meer tot het juridisch domein behoren. Ook forensische accountants vallen, in lijn met deze 32gelijkheidsgedachte, onder de verplichtingen van deze wetgeving zodra ze werkzaamheden 33verrichten die verband houden met de aangewezen diensten.
34
35Gelet op artikel 4 van de Statuten van het SRA vallen in principe alle SRA-leden onder de 36uitbreiding en zijn met ingang van 1 juni 2003 dus alle SRA-kantoren in beginsel
37identificatie- en meldingsplichtig. 38
39Met uitzondering van advocaten en (kandidaat-)notarissen – die op grond van een eigen 40beroepsmatige verantwoordelijkheid persoonlijk verantwoordelijk zijn voor naleving – is 41niet de dienstverlener persoonlijk, maar het kantoor waar hij werkzaam is, verplicht aan de 42nieuwe regelgeving te voldoen. De wetgever is er nadrukkelijk van uitgegaan dat de
43kantoren voldoende moeite doen om hun administratieve systemen aan te passen en de 44werknemers over de verplichtingen voor te lichten. De meeste kantoren ontkomen er niet 45aan om daarnaast ook een ‘compliance officer’ aan te wijzen die over bijzonderheden op 46uitvoeringsniveau kan worden geraadpleegd en de meldingen kan doen.
47

4
11.3DE IDENTIFICATIE- EN MELDINGSPLICHTIGE DIENSTEN
2 Het aanwijzingsbesluit maakt onderscheid tussen enerzijds juridische en anderzijds 3 bedrijfseconomische of fiscale dienstverleners. In het verlengde van dit onderscheid
4sommen de artikelen 2 (ten behoeve van de WID) en 4 (ten behoeve van de Wet MOT)
5specifiek de diensten op die onder de identificatieplicht, respectievelijk de meldingsplicht 6worden gebracht.
7
8Als juridische dienst wordt aangemerkt advies of bijstandsverlening bij:11 9− het aan- of verkopen van onroerende zaken;
10− het beheren van geld, effecten, munten, muntbiljetten, edele metalen, edelstenen of 11 andere waarden;
12− het oprichten of beheren van vennootschappen, rechtspersonen of soortgelijke lichamen 13 als bedoeld in art. 2, eerste lid, onderdeel b, AWR;
14− het aan- of verkopen, dan wel overnemen van ondernemingen;
15− werkzaamheden op fiscaal gebied (het verstrekken van belastingadvies, alsmede het 16 verzorgen van belastingaangiften en daarmee verband houdende werkzaamheden); 17− het optreden in naam en voor rekening van een cliënt bij enigerlei financiële of
18onroerendezaaktransactie.
19
20De bedrijfseconomische of fiscale diensten zijn:12
21− (wederom) het verstrekken van belastingadvies, alsmede het verzorgen van 22 belastingaangiften en daarmee verband houdende werkzaamheden;
23− het verrichten van werkzaamheden in verband met het samenstellen, beoordelen of 24 controleren van de jaarrekening of het voeren van administraties.
25
Het beheren van geld, effecten, munten, muntbiljetten, edele metalen, edelstenen of
andere waarden
261.3.1 27
28Afgezien van het, bijvoorbeeld op een derdenrekening, daadwerkelijk fysiek voor een
29bepaalde derde beheren van geld, gaat het de wetgever bij deze dienst ook om het verlenen 30van bijstand bij het openen van een (bank)rekening en het adviseren over in welke landen 31of bij welke instellingen de opgesomde middelen kunnen worden ondergebracht.
32
Het oprichten of beheren van vennootschappen, rechtspersonen of soortgelijke
lichamen
331.3.2 34
35De nota van toelichting bij het aanwijzingsbesluit verduidelijkt op dit punt dat het niet te 36gaat om het interne beheer van vennootschappen, zoals het bepalen van de bedrijfsstrategie 37of de besluitvorming omtrent investeringen. Het gaat om advisering bij de juridische
38vormgeving van een onderneming. 39
Het verrichten van werkzaamheden in verband met het samenstellen, beoordelen of
controleren van de jaarrekening
401.3.3 41
42Volgens de door de beroepsorganisaties opgestelde richtsnoeren gaat het bij deze diensten 43tevens om het opstellen van een jaarrekening aan de hand van door de cliënt aangeleverde 44gegevens zonder dat sprake is van een controle-, beoordelings- of samenstellingsopdracht. 45Onder de jaarrekening wordt behalve het geheel van (de toelichting op) de balans en winst-
11 Art. 2, eerste lid, onderdeel c en d, respectievelijk art. 4, eerste lid, onderdeel f en g. 12 Art. 2, eerste lid, onderdeel e, respectievelijk art. 4, eerste lid, onderdeel h.

5
1& verliesrekening als bedoeld in art. 361, eerste lid, Boek 2 BW, tevens vergelijkbare 2financiële informatie verstaan.
3
41.4UITZONDERINGSBEPALING
5De Wet MOT bepaalt dat alle werkzaamheden van een advocaat of notaris van de
6identificatieplicht en meldingsplicht zijn uitgezonderd, voor zover ze betrekking hebben op
7het bepalen van de rechtspositie van een cliënt, diens vertegenwoordiging in rechte en de
8advisering daarover, het instellen of vermijden van een rechtsgeding daaronder begrepen.13
9De WID kent niet een soortgelijke bepaling, maar deze wet moet, in ieder geval in dit 10opzicht, worden gezien als regelgeving die dienstig is aan de bruikbaarheid (vanuit 11opsporingsoogpunt) van de meldingsregeling. Zonder identificatie van de cliënt en 12vastlegging van de gegevens is blote melding van ongebruikelijke transacties immers 13weinig zinvol.
14
15In het aanwijzingsbesluit is deze uitsluiting van aangewezen diensten uitgewerkt in de
16gelijkluidende bepalingen van art. 2, tweede lid voor wat betreft de WID en art. 4, tweede 17lid voor wat betreft de Wet MOT. De hiervoor genoemde identificatie- en
18meldingsplichtige ‘juridische’ diensten verricht door een advocaat, notaris of kandidaat-19notaris vallen buiten de regeling, voor zover die werkzaamheden betrekking hebben op
20rechtspositiebepaling en vertegenwoordiging in rechte, dan wel de advisering daaromtrent. 21Het laatste geldt niet voor het optreden in naam en voor rekening van een cliënt, maar in 22het kader van procederen laat zich dat ook slecht denken.
23
241.4.1De vertegenwoordiging in rechte
25In de nota van toelichting bij het aanwijzingsbesluit valt voorts te lezen: ‘Aangezien uit de 26advisering over het onderwerp van dit besluit naar voren is gekomen dat
27beroepsbeoefenaren die belastingadvies geven, hun cliënten eveneens in rechte
28vertegenwoordigen in fiscale procedures voor de Belastingkamer van het Gerechtshof en de
29Hoge Raad, is in artikel 2, derde lid, en artikel 4, derde lid, voor een ieder die
30belastingadvies geeft ook een gelijke waarborg geregeld.’14 Voor zover werkzaamheden op
31fiscaal gebied betrekking hebben op de bepaling van de rechtspositie van een cliënt, diens 32vertegenwoordiging in rechte en de advisering daarover – het instellen of vermijden van 33een rechtsgeding daaronder begrepen – zijn deze dus in elk geval uitgesloten van de
34regeling. 35
36Hoewel de uitzondering voor vertegenwoordiging in rechte aldus stellig is geformuleerd en 37zich uitstrekt tot alle dienstverleners die aan zulke vertegenwoordiging doen, is er
38 onduidelijkheid wat onder een rechtsgeding valt. Ontleend aan de antwoorden op 39 veelgestelde vragen op de sites van respectievelijk de toezichthouder, het Bureau
40Financieel Toezicht (BFT) en de NOB is er verschil van inzicht over de vraag of het
41indienen van een bezwaarschrift onder een vrijstelling als bedoeld in de WID en de Wet 42MOT valt. Volgens het BFT vormt het indienen van een bezwaarschrift tegen een
43belastingaanslag onderdeel van de aanslagregeling en kan dit niet worden gezien als 44vertegenwoordiging in rechte, noch als het geven van advies voor, tijdens en na een 45rechtsgeding, noch als het voorkomen van een rechtsgeding. Het is daarmee niet
13 Art. 1, tweede lid.
14 Nota van toelichting bij het KB, blz. 17: het verbaast enigszins dat de wetgever dit niet gewoon al weet en
er nog op moet worden geattendeerd.

6
1vrijgesteld. Slechts advisering over de mogelijkheden van beroep en werkzaamheden met 2betrekking tot die beroepsprocedure vallen onder de vrijgestelde vertegenwoordiging in
3rechte. De NOB meent daarentegen dat een bezwaarschriftprocedure eveneens onder de 4reikwijdte van de term ‘rechtsgeding’ valt, omdat anders de vrijstelling ex art. 2, lid 3 en 5art. 4 lid 3 AMvB een dode letter zou zijn.
6
7Niet fiscaaljuridische geschillenbeslechting is slechts vrijgesteld, indien de adviseur
8 (tevens) advocaat of (kandidaat-)notaris is. Het afgeleide verschoningsrecht brengt wel met 9 zich mee dat deze (overige) juridische diensten onder de uitzondering vallen indien en voor
10zover ze door een andere dienstverlener worden verricht in opdracht van een advocaat of 11(kandidaat-)notaris.15 De strekking van het afgeleid verschoningsrecht wordt door het BFT
12echter ook beperkter uitgelegd dan de beroepsorganisaties dat plegen te doen. 13
141.4.2Het bepalen van de rechtspositie: een verkennend gesprek
15Het bepalen van de rechtspositie van cliënten moet volgens de nota van toelichting op het 16aanwijzingsbesluit ‘restrictief’ worden uitgelegd en worden gezien in het licht van de
17geheimhoudingsbepalingen van de diverse beroepsgroepen. Een dienstverlener moet de 18mogelijkheid krijgen om in een verkennend gesprek te bepalen wat voor diensten worden 19verlangd en of deze diensten worden verlangd in verband met een procedure. Om op
20adequate en deugdelijke wijze uitvoering te kunnen geven aan een dergelijke verkenning 21van een nieuwe opdracht, heeft men het noodzakelijk geacht dat een cliënt in vertrouwen 22alle informatie kan geven die van belang is om die beoordeling te maken. Voor zover de 23dienstverlener zich beperkt tot deze inventarisatie, dan wel wanneer duidelijk is geworden 24dat het om uitgezonderde diensten gaat, is de vertrouwelijkheid van het initiële gesprek 25door de wetgever gewaarborgd.
26
27Gelet op de bewoordingen van de uitzonderingsbepaling, alsmede van de toelichting
28daarop, is bijvoorbeeld bij een cliënt die al heeft laten weten dat hij zijn administratie wil 29laten verzorgen, de vertrouwelijkheid van het eerste gesprek niet gewaarborgd. Dan geldt 30de identificatie- en meldingsplicht voor de adviseur vanaf het eerste moment zonder
31beperkingen. Behoedzaamheid bij de intake blijft dus zeker geboden. 32
331.4.3De uitzondering voor juridisch advies
34Na de wetswijziging van de WID en de Wet MOT, maar vóór de definitieve vaststelling 35van de tekst van de (considerans van de) Europese richtlijn – waarop onze wetgever dus 36heeft geanticipeerd – heeft Overweging 17 als onderdeel van de considerans haar
37definitieve vorm gekregen. Ze luidt als volgt: ‘Wanneer echter onafhankelijke leden van 38wettelijk erkende en gecontroleerde beroepsgroepen, zoals advocaten, de rechtspositie van 39een cliënt bepalen of een cliënt in rechte vertegenwoordigen, is het niet aangewezen om
40deze beroepsbeoefenaren voor deze activiteiten krachtens de richtlijn een verplichting op te 41leggen vermoedens van witwassen te melden. Er moeten vrijstellingen zijn van elke
42verplichting om informatie te melden die is verkregen voor, tijdens of na een gerechtelijke 43procedure, of bij het bepalen van de rechtspositie van een cliënt. Bijgevolg blijft juridisch 44advies onderworpen aan de beroepsgeheimhoudingsplicht, tenzij de juridisch adviseur
45deelneemt aan witwasactiviteiten, het juridisch advies voor witwasdoeleinden wordt
15 HR 12 maart 1997, nr. 30 478, BNB 1997/146, met conclusie van A-G Van den Berge, V-N 1997, blz. 1293, met noot van Wattel, FED 1997, blz. 2289, met noot van Koopman.

7
1verstrekt, of de advocaat weet of redenen heeft om aan te nemen dat zijn cliënt juridisch 2advies wenst voor witwasdoeleinden.’
3
4De Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten is van mening dat de hiervoor 5behandelde uitzonderingsbepaling onvoldoende recht doet aan Overweging 17. De
6interpretatie van de Algemene Raad komt erop neer dat elk advies van (in ieder geval) een 7advocaat onder de uitzondering zou moeten vallen, tenzij de advocaat instrumenteel aan
8het witwassen is. De Raad van State onderschrijft in zijn advies over het aanwijzingsbesluit 9de opvatting van de Algemene Raad niet. Duidelijk is dat er implementatieverschillen zijn
10ontstaan tussen de verschillende lidstaten en dat de (straf)rechter te zijner tijd hierover wel 11het definitieve oordeel zal vellen.
12
131.5SANCTIES
14Tot aan de inwerkingtreding van het hiervoor genoemde wijzigingsvoorstel van de WID en 15de Wet MOT bestaat alleen de mogelijkheid om strafrechtelijk op te treden tegen
16onvolkomenheden in de uitvoering van deze regelgeving. Er vanuit gaande dat de wijziging 17(nagenoeg) ongeschonden door de Eerste Kamer komt, zal na de inwerkingtreding daarvan 18ook bestuurlijke beboeting en het opleggen van dwangsommen tot de mogelijkheden gaan 19horen.
20
21Strafrechtelijke afdoening is geïndiceerd, aldus de memorie van toelichting op de 22wetswijziging, indien de inbreuk een aanzienlijke normatieve lading heeft.
23Veelvoorkomende overtredingen van geringe ernst, die betrekkelijk eenvoudig zijn vast te 24stellen, kunnen bestuurlijk worden afgedaan.
25
261.5.1Strafrechtelijk optreden
27Niet (juist) identificeren, niet (tijdig) melden, niet voldoen aan verzoeken om extra
28inlichtingen, of de cliënt inlichten dat er is gemeld, levert een economisch delict op. Bij 29opzettelijke schending riskeert de adviseur een gevangenisstraf van maximaal twee jaar of 30een boete van € 11.250. De onopzettelijke, maar wel voldoende onzorgvuldige ‘dader’
31hangt zes maanden of dezelfde boete boven het hoofd. 32
33Naar alle waarschijnlijkheid zullen de strafrechtelijke consequenties van schending van de 34meldingsregeling vooral worden gehanteerd bij vermoedens van (moeilijk bewijsbare)
35betrokkenheid van de adviseur bij de criminele activiteiten zelf, 36
37Met de opsporing van deze delicten is de FIOD-ECD belast. 38
391.5.2Bestuurlijke beboeting
40Min of meer vergelijkbaar met de criteria en het juridische begrippenkader dat bekend is uit 41de fiscale beboeting, wordt het na de wetswijziging mogelijk om het kantoor waar de
42adviseur werkzaam is, te gaan beboeten. De hoogte van de boete wordt gekoppeld aan de 43omzet. De basisboete van € 5.445 wordt vermenigvuldigd met een factor half bij een omzet 44van minder dan € 45.400, oplopend tot een factor vier bij een omzet van ten minste
45€ 453.800. 46
47De komende regeling voorziet voorts in het doen van een kennisgeving (hierover onder 1.6 48meer), zo nodig na te leven onder verbeurte van een dwangsom, bepaalt dat een
49bestuurlijke boete wordt opgelegd bij beschikking en dat deze binnen zes weken moet

8
1worden betaald. Ook bij deze bestuurlijke boete gaat de una via gedachte gelden:
2bestraffing sluit beboeting uit en vice versa. De mogelijkheid om te beboeten verjaard na 3drie jaar. Dienstverleners die zijn onderworpen aan tuchtrechtspraak kunnen overigens
4geen dwangsommen opgelegd krijgen, noch worden beboet. Dit geldt dus voor notarissen, 5advocaten en RA’s. In geval van een geconstateerde overtreding door deze dienstverleners 6zal het BFT bij de desbetreffende tuchtrechter een zaak aanhangig moeten maken. Tot slot, 7maar zeker niet onbelangrijk, bevat het wetsvoorstel een schandpaalbepaling, in de zin dat 8de beboeting of het opleggen van een dwangsom ter openbare kennis kan worden gebracht. 9
10Gelet op het gemak waarmee in de fiscale wereld thans verzuimboetes worden opgelegd, 11kan dit systeem de dienstverlener wel eens duur komen te staan.
12
131.6TOEZICHT
14Het Bureau Financieel Toezicht (BFT) is de aangewezen toezichthouder voor de naleving 15van de identificatie- en meldplicht voor de aangewezen beroepsgroepen. Het toezicht op de 16huidige wetgeving is voornamelijk preventief van aard en gericht op adequate
17implementatie en interne controle van de regelgeving. Slechts grove inbreuken op het 18systeem gaan het strafrechtelijk circuit in. Hoewel volgens de wetgever de nadruk blijft 19liggen op preventie, worden de bevoegdheden van de toezichthouder in het wetsvoorstel 20fors uitgebreid. Behalve dat het BFT bij het meldpunt gegevens mag opvragen over het
21meldgedrag van een specifieke dienstverlener, mag het straks ook specifieke aanwijzingen 22geven aan dienstverleners over de implementatie van en het voldoen aan de regelgeving, 23alsmede over de opleiding en training van werknemers. Het opvolgen van die aanwijzingen 24kan worden afgedwongen via dwangsommen. Bovendien - zoals gezegd - kunnen
25inbreuken worden beboet.
26Aan de politieke wens dat de toezichthouder zich actief gaat opstellen en algemene
27controles gaat houden is inmiddels daadwerkelijk de daad gevoegd. De eerste controles en
28schermutselingen hebben plaats gehad. Het BFT ventileert op haar website opvattingen 29over bepaalde problemen, geeft tips,16 beantwoordt veelgestelde vragen en heeft
30werkdocumenten geplaatst die de taak van onder meer de juridische beroepsgroepen 31zouden moeten vergemakkelijken. Deze werkdocumenten zijn uitvoerige vragenlijsten,
32waaruit in elk geval valt te destilleren waar het de toezichthouder om te doen is. Als ze een 33indicatie vormen voor de verplichtingen die daar kennelijk bij horen, is er bij alle kantoren 34nog veel werk aan de winkel en zullen de protocollen niet alleen veel uitvoeriger moeten 35worden, maar zal ook de aannameprocedure erg uitgebreid en ingewikkeld worden.
36Nog immer voert het BFT overleg met verschillende representatieve beroepsorganisaties 37om te komen tot toezichtarrangementen met betrekking tot de implementatie van de WID 38en de Wet MOT, het auditten van die implementatie en uiteraard de wijze waarop het BFT 39zo’n audit weer toetst.
40 41
422 De identificatieplicht 43
44Sinds 1 juni 2003 moeten ingevolge de WID nieuwe cliënten, en bij het aanvaarden van 45een nieuwe opdracht bestaande cliënten, op voorgeschreven wijze worden geïdentificeerd..
16 Waaronder de tip om (anoniem) onjuiste of niet-naleving, alsmede betrokkenheid bij witwassen van collega-dienstverleners te melden.

9
1De verplichte vaststelling van de identiteit van de cliënt dient plaats te vinden voordat een 2(nieuwe) dienst wordt verricht. Het lijkt derhalve aanbevelenswaardig om van bestaande 3cliënten met een doorlopende opdracht de identiteit op geldige wijze vast te stellen en te 4registreren, al is het maar om discussie over wat nu een nieuwe dienst oplevert en
5 vertragingen bij het verlenen van een nieuwe dienst te voorkomen. Registratie van de 6 gegevens is overigens eenmalig: er bestaat geen verplichting om bij wijziging van de
7gegevens, dan wel bij het aanvaarden van een nieuwe dienst, opnieuw tot identificatie over 8te gaan.17
9
102.1IDENTIFICATIE VAN DE CLIËNT
11In beginsel wordt ervan uitgegaan dat de cliënt in persoon verschijnt. De cliënt is de
12natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie de dienst wordt verleend. Bij dienstverlening 13aan groepen van rechtspersonen kan worden aangenomen dat de rechtspersoon die de
14opdracht bevestigt of, wanneer geen expliciete bevestiging plaatsvindt, de betaler van de 15declaratie de cliënt is, tenzij deze geen belang heeft bij de te verrichten dienst. Om deze 16reden kan het handig zijn om zo hoog mogelijk in de vennootschappelijke structuur te 17identificeren.
18
19Samenwerkingsverbanden en kantoren met meerdere vestigingen zullen in de regel als 20dezelfde instelling in de zin van de WID worden aangemerkt. Na de eerste identificatie 21vereist een interne doorverwijzing naar een andere dienstverlener binnen dezelfde
22organisatie, ook al werkt deze op een andere vestiging, derhalve geen additionele 23werkzaamheden. Bij doorverwijzingen van een dienstverlener van buiten de eigen
24organisatie kan, wanneer het vertrouwen in deze dienstverlener dat rechtvaardigt, de
25identificatie door de verwijzer worden verricht. De verantwoordelijkheid berust dan wel bij 26de nieuwe adviseur.
27
28Bij niet-generieke vragen van andere adviseurs moet worden achterhaald om welke 29achterliggende cliënt het gaat en moet deze op de gebruikelijke wijze worden
30geïdentificeerd, dan wel uitdrukkelijk worden vastgesteld dat de adviseur die de vraag stelt 31voor deugdelijke identificatie van die cliënt heeft zorggedragen. Als de vraag redelijkerwijs 32niet specifiek genoeg is om toegespitst te zijn op een achterliggende cliënt, kan worden
33volstaan met identificatie van de vragensteller. 34
35Bij verwijzingen door een ‘goedgekeurde’ financiële instelling is van de cliënt geen
36formele identificatie meer nodig, mits de financiële instelling daar al voor heeft
37zorggedragen. Sinds de laatste wijziging van de uitvoeringsregeling van de WID18 mogen
38al diegenen die op grond van de WID identificatieplichtig zijn en een cliënt krijgen via een 39in één van de EU-lidstaten gevestigde advocaat of (kandidaat-)notaris, afgaan op de
40identificatie die deze beroepsbeoefenaar al heeft verricht. Voorwaarde is wel dat de 41verwijzende advocaat of (kandidaat-)notaris is geïdentificeerd en dat duidelijk is dat
42identificatie van de cliënt overeenkomstig de wettelijke vereisten heeft plaatsgevonden. De 43beroepsorganisaties hebben zich beklaagd over het feit dat deze uitbreiding is beperkt tot 44genoemde beroepsbeoefenaren, hetgeen immers strijdig is met de doelstelling van de Wet 45MOT en de WID om voor gelijksoortige diensten dezelfde verplichtingen in het leven te
17 Art. 2, vierde lid, WID.
18 Besluit van 28 mei 2003, Stcrt. 2003, 102.

10
1roepen, maar dit beklag heeft (totnogtoe) niet geresulteerd in een uitbreiding van de 2vrijstelling tot accountants en belastingadviseurs.
3
4Hoewel het (zelf) maken van een kopie van het originele identiteitsdocument uitgangspunt 5is in de WID, volstaat bij particulieren het opvragen van een kopie van het document en het 6vastleggen van het nummer daarvan, op het moment dat er door die persoon een betaling is 7verricht via een erkende bank. Tot de erkende banken behoren in ieder geval alle EU
8banken (met vergunning). 9
102.1.1De natuurlijke persoon als cliënt
11Bij natuurlijke personen is de instelling verplicht na te gaan of degene die voor de
12dienstverlener verschijnt, voor zichzelf optreedt. Is dit niet zo, dan dient de achterliggende 13persoon te worden geïdentificeerd. Bij een handelsonbekwame cliënt kan worden volstaan 14met identificatie van de wettelijk vertegenwoordiger. De identiteit dient te worden
15vastgesteld via:
16− een geldig reisdocument in de zin van de Paspoortwet (zowel Nederlandse als 17 buitenlandse paspoorten);
18− een geldig Nederlands rijbewijs;
19− een Nederlands vreemdelingendocument; 20− een door de minister aangewezen document. 21
222.1.2Een Nederlandse rechtspersoon als cliënt
23Identificatie van een Nederlandse rechtspersoon, dan wel een buitenlandse rechtspersoon 24die in Nederland is gevestigd, dient plaats te vinden met behulp van een gewaarmerkt
25uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel (KvK). Een via de mail ontvangen 26elektronisch gewaarmerkt uittreksel volstaat eveneens.Daarnaast kan een door een in
27Nederland gevestigde notaris opgemaakte akte worden gehanteerd. Een Nederlandse
28publiekrechtelijke rechtspersoon kan tevens worden geïdentificeerd aan de hand van een 29verklaring van het bestuursorgaan.
30
31De identiteit van kerkgenootschappen kan tevens worden vastgesteld aan de hand van een 32verklaring van de organisatie waarvan het kerkgenootschap deel uitmaakt. Maakt het geen 33deel uit van een organisatie, dan kan er worden geïdentificeerd aan de hand van een eigen 34verklaring van het kerkgenootschap.
35
362.1.3Een buitenlandse rechtspersoon als cliënt
37Een niet in Nederland gevestigde buitenlandse rechtspersoon moet worden geïdentificeerd 38aan de hand van een uittreksel uit het officiële handelsregister van de staat waar zich de 39statutaire zetel van de rechtspersoon bevindt, dan wel met behulp van een notariële
40verklaring, of een verklaring afgegeven door een andere van de rechtspersoon
41onafhankelijke functionaris uit die staat. Een ‘legal opinion’ van een (buitenlands) 42advocatenkantoor, mits niet van de ‘eigen’ advocaat van de rechtspersoon, volstaat. 43
44Overigens voorzien de meeste uittreksels uit Buitenlandse handelsregister niet in alle 45gegevens die zijn voorgeschreven voor een deugdelijke identificatie. Deze ontbrekende
46gegevens moeten op andere wijze worden aangevuld door het opvragen van – afhankelijk 47van de omissie te bepalen - aanvullende documenten.
48

11
1Een buitenlandse publiekrechtelijke rechtspersoon kan tevens worden geïdentificeerd aan 2de hand van een verklaring van het bevoegde gezag.
3
42.1.4Komende wetswijziging
5De 3e Richtlijn (zie noot 9) gaat uit van een meer risico georiënteerde benadering.
6Desondanks gaat de komende wetswijzigingen op een heel aantal onderdelen de
7regelgeving detailleren, hetgeen tot verdergaande administratieve lasten zal leiden, zonder 8dat er ook daadwerkelijk (veel) onduidelijkheden worden opgelost. Het voorstel van Wet 9kent (bovendien) een heel aantal delegatiebepalingen, zodat de toekomst moet uitwijzen of
10daar op een praktische wijze door de staatssecretaris mee zal worden omgegaan. 11
12De komende wetswijziging voorziet in een vrijstelling van de plicht tot het identificeren 13van beursgenoteerde ondernemingen en 100% dochtervennootschappen daarvan. Bepleit 14wordt deze vrijstelling uit te breiden tot door de beursgenoteerde onderneming
15gecontroleerde vennootschappen. 16
172.2VAST TE LEGGEN GEGEVENS
18De volgende gegevens moeten worden geregistreerd en door de toezichthouder te 19raadplegen zijn:
20− de geslachtsnaam, de voornamen en de geboortedatum (van de vertegenwoordiger), 21 alsmede bij rechtspersonen de rechtsvorm, de statutaire naam en de handelsnaam;
22− het adres met huisnummer en postcode, en de woonplaats, alsmede bij rechtspersonen 23 de plaats van vestiging en het land van statutaire zetel;
24− de aard, het nummer en de datum en plaats van uitgifte van het document aan de hand 25 waarvan is geïdentificeerd, alsmede bij verklaringen de datum van afgifte en de
26bepaling dat de functionaris onafhankelijk is; 27 − de aard van de dienst.
28
293 De meldingsplicht 30
31Sinds 1 juni 2003 moeten instellingen waar vrije beroepsbeoefenaren werkzaam zijn, een 32verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie melden aan het Meldpunt
33Ongebruikelijke Transacties. Ondanks het feit dat het gaat om ‘witwasactiviteiten’ en 34‘transacties’ – woorden die suggereren dat het om duidelijke handelingen moet gaan – is
35een melding al sneller aan de orde, namelijk ook zonder dat er nog enige handeling heeft 36plaatsgevonden waarvan bekend is dat deze zijn herkomst vindt in illegale activiteiten. 37
38De komende wetswijziging leidt tot uitbreiding van de meldplicht voor de financiering van 39terrorisme. Het besef is doorgedrongen dat het financiële stelsel eveneens kan worden
40misbruikt voor de financiering van terrorisme. Omdat die financiering ook vaak plaatsvindt 41met crimineel geld, en in elk geval zo heimelijk mogelijk, is bij de bestrijding van deze
42financieringsstromen aansluiting gezocht bij de WID en de Wet MOT. Bij de financiering 43van terrorisme wordt overigens zeker niet altijd geld gebruikt dat afkomstig is van
44misdrijven. Hoewel het begrip van vóór deze wetswijziging is, zal de verplichting om ook 45zwartwassen te gaan melden, geen verschil van interpretatie meer opleveren.
46
47In de wettekst komt een nadrukkelijke vermelding van de reikwijdte van de regelgeving. 48Op diverse plaatsen komt te staan dat de regelgeving het oog heeft op het voorkomen en 49opsporen van het witwassen van geld en het financieren van terrorisme. Bovendien wordt

12
1art. 3, onder a, Wet MOT, waar thans ‘voorkoming en opsporing van – in deze wetgeving 2bedoelde, (opmerking van de auteur) – misdrijven’ staat, uitgebreid tot ‘bij algemene
3maatregel van bestuur aangewezen misdrijven’. Deze wijziging maakt het een stuk
4 eenvoudiger om de reikwijdte van de regelgeving uit te breiden tot allerhande andere 5 delicten. Of dit in het huidige, toch fors repressieve klimaat een voorbode is voor een
6meldplicht bij juridische dienstverleners van al hetgeen in Nederland als ongewenst wordt 7beschouwd, moet de tijd leren.
8
93.1ONGEBRUIKELIJKE TRANSACTIES
10Niet alleen daadwerkelijk plaatsgevonden, maar ook voorgenomen transacties vallen onder 11de meldingsplicht. Maar wat is ongebruikelijk? De toelichting op het aanwijzingsbesluit 12meldt dat het moet gaan om een (voorgenomen) handeling of samenstel van handelingen 13van of ten behoeve van een cliënt in verband met het afnemen van een (aangewezen)
14dienst. Daarbij moeten er redenen zijn om te veronderstellen dat deze verband houden met 15witwassen (en straks dus zwartwassen en de financiering van terrorisme).
16Het begrip witwassen is bij wet van 6 december 2001 opgenomen in een apart hoofdstuk 17over de strafbaarstelling van witwassen. Bovendien is toen tevens de strekking van de
18helingsbepaling verruimd. De huidige specifieke strafrechtelijke bepaling over witwassen 19is erg ruim. Onder de oude (helings)bepaling was witwassen grofweg het in de
20bovenwereld brengen van de onzichtbare gelden, verkregen uit met drugs gerelateerde
21criminaliteit. Onder de op witwassen toegespitste strafbepaling heeft het delict betrekking 22op alle hoge opbrengsten verkregen uit criminele betrokkenheid bij het plegen van ernstige
23strafbare feiten, waaronder in ieder geval fraude. Alle lidstaten die onder de Europese 24witwasrichtlijn19 vallen, waaronder dus Nederland, is uitdrukkelijk toegestaan andere 25strafbare feiten onder de werking van de implementatiewetgeving te brengen.20
26
273.1.1Witwassen
28Volgens artikel 1 van de 1e richtlijn, artikel 2 van de 3e richtlijn, wordt onder witwassen
29van geld verstaan;
30− de omzetting of overdracht van voorwerpen, wetende dat deze zijn verworven uit een 31 criminele activiteit of uit deelneming aan een dergelijke activiteit, met het oogmerk de 32 illegale herkomst ervan te verhelen of te verhullen, of een persoon die bij deze activiteit 33 is betrokken, te helpen ontkomen aan de wettelijke gevolgen van zijn daden;
34− het verhelen of verhullen van de werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, 35 verplaatsing, rechten op of de eigendom van voorwerpen, wetende dat deze verworven 36 zijn uit een criminele activiteit of uit deelneming daaraan;
37− de verwerving, het bezit, of het gebruik van voorwerpen, wetende, op het tijdstip van 38 verkrijging, dat deze voorwerpen zijn verworven uit een criminele activiteit of uit
39deelneming daaraan;
40− deelneming aan, medeplichtigheid bij, poging tot hulp aan, aanzetten tot,
41vergemakkelijken van, of het geven van raad met het oog op het begaan van een van de 42in de voorgaande punten bedoelde daden.
43
44Artikel 4 van de 3e richtlijn geeft aan dat voor de toepassing van de richtlijn onder
45„financiering van terrorisme” wordt verstaan:
19 Zie noot 6 en 9.
20 Waar dus, naast het vergemakkelijken van de mogelijkheid door de misdrijven waar de regeling op ziet als
delegatiebepaling op te nemen, bij komende wetswijziging, voor het eerste cht gebruik van wordt gemaakt.

13
1de verstrekking of verzameling van gelden en andere vermogensbestanddelen, op welke 2wijze ook, rechtstreeks of onrechtstreeks, met de bedoeling of wetende dat deze geheel of
3gedeeltelijk zullen worden gebruikt om strafbare feiten in de zin van het kaderbesluit 4inzake terrorismebestrijding21 te plegen.
5
6Ons Wetboek van strafrecht omschrijft witwassen in art. 420bis als volgt:
71. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier 8 jaren of geldboete van de vijfde categorie:
9a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de
10vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie 11de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het 12voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf;
13b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een 14 voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of
15middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.
162. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten. 17
18Naast deze opzetvariant is art. 420quater de gelijkluidende schuldvariant. Ook art. 19420quinquies (deels) is het vermelden waard: Bij veroordeling (...) kan de schuldige
20worden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf heeft begaan. 21
22In het wetboek van Strafrecht wordt onder terroristisch oogmerk verstaan het oogmerk om 23de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel 24een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te 25doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of
26sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te 27vernietigen.
28
293.1.2Objectieve en subjectieve indicatoren
30Behalve het daadwerkelijk aanwenden van misdaadgeld in het gewone economische 31verkeer, valt dus ook het voorhanden hebben, verbergen en verhullen van uit misdrijf 32verkregen zaken en vermogensrechten onder witwassen en valt naast witwassen ook 33zwartwassen onder de meldingsregeling, alsmede binnenkort de financiering van
34terrorisme. In veel gevallen zal de cliënt zijn adviseur echter niet vertellen dat het hem om 35witwassen, zwartwassen of terrorismefinanciering te doen is, of wat de herkomst is van
36vermogensbestanddelen waarop de verlangde dienst betrekking heeft. Om desalniettemin 37duidelijk te maken of iets ongebruikelijk is, zijn bij ministeriële regeling22 voor de diverse
38meldingsplichtigen afzonderlijke objectieve indicatoren vastgesteld, alsmede een algemene 39subjectieve indicator. Bij de objectieve indicatoren is melding per definitie verplicht, bij de 40subjectieve indicator geldt dat de inschatting van de adviseur – lees: de instelling waar de 41adviseur werkt – doorslaggevend is.
42
43Voor alle indicatoren geld (vanzelfsprekend) dat melden alleen verplicht is indien het gaat 44om (voorgenomen) transacties waarop men in het kader van MOT-plichtige dienstverlening
21 Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad 13 juni 2002, artt. 1 t/m 4.
22 (laatstelijk) Regeling indicatoren ongebruikelijke transacties 2005 van 19 augustus 2005, Nr. FM 2005-
00241 M, Stcrt. 25 augustus 2005, 164, p. 7.

14
1stuit. Transacties die in verband met witwassen aan politie of justitie worden gemeld, 2moeten ook aan het meldpunt worden doorgegeven.
3
4De enige voor dienstverleners van toepassing zijnde objectieve indicator handelt om
5contante transacties: transacties van € 15.000 of meer (of de tegenwaarde daarvan in een 6vreemde valuta), betaald aan of door tussenkomst van de beroepsbeoefenaar in contanten, 7met cheques aan toonder of soortgelijke betaalmiddelen.
8De subjectieve indicator luidt als volgt: transacties waarbij aanleiding is om te
9veronderstellen dat ze verband kunnen houden met witwassen of financiering van 10terrorisme.
11
12Het gaat dus – kennelijk - om transacties waarbij iemand in de uitoefening van zijn beroep 13of bedrijf vermoedt of aanvoelt dat er iets niet in orde is. Situaties die voor zo’n
14beroepsbeoefenaar, op basis van ervaringsregels, buiten de normale gang van zaken vallen, 15zonder dat daarvoor een geloofwaardige verklaring is. Hij hoeft daar echter geen volledig 16onderzoek naar te doen; hij is namelijk geen opsporingsinstantie.
17
18Naar onze mening wordt met het geven van indicatoren gesuggereerd dat er duidelijke 19aanknopingspunten worden gegeven wanneer er moet worden gemeld. Hoewel de
20objectieve indicator voldoet aan die suggestie, laat de subjectieve, en tevens belangrijkste 21indicator aan duidelijkheid zeer te wensen over.
22
233.1.3De subjectieve indicator
24De Wet MOT heeft betrekking op het verplicht melden van ongebruikelijke transacties. De 25term ‘ongebruikelijk’ slaat daarbij op het verruimde begrip witwassen, zwartwassen en
26straks terrorismefinanciering. Een indicator die aangeeft dat meldingsplichtig zijn
27‘transacties waarbij aanleiding is om te veronderstellen dat ze verband kunnen houden met 28witwassen of financiering van terrorisme’, voegt daar echter niets aan toe. De adviseur
29 moet terugvallen op zijn eigen intuïtie, dan wel op voorbeelden gegeven in een brochure 30 van het ministerie van Financiën23, of het uittreksel daarvan opgenomen in bijlage D1 bij
31de voor belastingadviseurs en openbare accountants geschreven ‘Richtsnoeren voor de 32interpretatie van de Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding
33ongebruikelijke transacties’. De gegeven voorbeelden, onder meer gerelateerd aan bepaalde 34diensten, zijn indicatief en niet limitatief.
35Ook de Wet MOT kent zijn eigen ‘as van het kwaad’. Dienstverlening aan of via
36ingezetenen en ondernemingen uit ‘non-cooperative countries en territories’ is reden om al 37bij voorbaat wantrouwend te zijn. Daarnaast zijn een problematische identificatie, het
38gebruikmaken van stromannen, een niet-geregistreerde feitelijk leidinggevende, een 39regelmatige wisseling van adviseur, de voorkeur voor contanten en toonderstukken, 40leningen van een onduidelijke buitenlandse relatie en niet-transparante structuren en
41zeggenschapsverhoudingen evenzovele redenen voor een adviseur om extra alert te zijn op 42‘ongebruikelijke’ transacties.
43
443.1.4Voorbeelden per beroepsgroep
45De brochure van het ministerie van Financiën geeft een flink aantal voorbeelden van 46situaties die voor de adviseurs aanleiding kunnen zijn om rekening te houden met
23 Op te vragen via de website van het meldpunt: http://www.justitie.nl/mot/

15
1meldingsplichtige transacties. Zo is voor de juridische adviseurs en advocaten het 2volgende voorbeeld opgenomen:
3− er zijn redenen om te twijfelen aan de oorsprong van of de titel waaronder gelden ter 4 beschikking worden gesteld aan vennootschappen waarover de adviseur de directie 5 voert. De cliënt of de tussenpersoon is niet of slechts na zware aandrang bereid
6informatie te verstrekken over de herkomst of de titel van de gelden. 7 Voor de belastingadviseurs, openbare accountants, administrateurs en 8 bedrijfseconomische adviseurs zijn er maar liefst negen voorbeelden:
9− een transactie waarbij een cliënt betrokken is, leidt tot een resultaat dat duidelijk hoger 10 of lager is dan redelijkerwijs te verwachten is, dan wel tot een ongebruikelijk hoog
11resultaat vergeleken met vergelijkbare ondernemingen in de branche waarin de cliënt 12werkzaam is, met name indien de omzet voor een belangrijk deel uit contante verkopen 13bestaat;
14− er is een onverklaarbare discrepantie tussen geld en goederenstroom. Een cliënt behaalt 15 ongebruikelijk hoge omzetten en/of winsten, waarvan niet duidelijk is met welke
16activiteiten deze samenhangen;
17− een transactie waarbij een cliënt betrokken is, geschiedt onder duidelijk slechtere 18 voorwaarden dan redelijkerwijs te verwachten is, zonder dat er een acceptabele 19 verklaring is waarom niet voor een betere structurering gekozen is;
20− het werkelijke beeld van de jaarrekening komt niet overeen met onderliggende stukken. 21 Ongeautoriseerde transacties of onjuist geregistreerde transacties. Administratieve
22systemen die door hun ontwerp of opzettelijk, geen adequate mogelijkheid bieden 23transacties te volgen of voldoende bewijs te leveren;
24− betaling voor verleende diensten die excessief hoog lijken in relatie tot de verleende 25 diensten. Commissies e.d. die excessief hoog lijken; betalingen voor niet
26gespecificeerde diensten of leningen aan adviseurs, verbonden partijen, werknemers of 27overheidspersoneel;
28− er wordt niet voldaan aan enige publicatieverplichting dan wel aan de wettelijke 29 verplichting – indien aanwezig – een accountantsverklaring te verkrijgen bij de 30 jaarrekening;
31− atypische vooruitbetalingen van verzekeringspremies;
32− verzekeringspolissen met premies die de middelen van de koper te boven lijken te gaan; 33− verzekeringspolissen met waardes die niet lijken te stroken met de behoefte van de
34koper.
35En voor notarissen ten slotte:
36− de cliënt is niet woonachtig of werkzaam in het werkgebied van de desbetreffende 37 notaris en behoort ook niet tot diens cliëntenkring, maakt gebruik van een
38tussenpersoon die deze notaris onbekend is of schakelt hem in voor een dienst
39waarvoor hij ook een notaris uit zijn eigen regio had kunnen inschakelen, een en ander 40zonder dat hij de notaris daarvoor een acceptabele verklaring kan geven.
41
42Ontleend aan het discussion paper on anti-money laundering van de Financial Action Task 43Force on money laundering (FATF)24 zijn nog als specifieke voorbeelden van
44ongebruikelijkheden voor belastingadviseurs en openbare accountants uitgebreide en 45onnodige buitenlandse reizen aan te geven en het gebruik maken van vele verschillende 46accountants en adviseurs voor verbonden partijen.
47
24 www.fatf-gafi.org

16
13.1.5Zwart geld
2Het meldpunt stelt zich op het standpunt dat het enkele vermoeden dat er sprake is van de 3aanwezigheid van zwart geld, aanleiding dient te zijn om tot melding over te gaan. Voor 4het standpunt van het meldpunt lijkt de tekst van de regelgeving weliswaar niet al te veel 5steun te verlenen, maar de doelstelling van de wetgever strookt er wel mee en ook de
6jurisprudentie lijkt deze kant op te gaan.
7
8In een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 november 200025 wordt overwogen
9dat de ‘doelstelling van de Wet MOT is dat alle ongebruikelijke transacties worden
10gemeld, waarbij elke transactie afzonderlijk moet worden beoordeeld. De indicatorenlijst is
11slechts een hulpmiddel om te bepalen of het om een ongebruikelijke transactie gaat.’ Deze 12uitspraak van de rechtbank is op 4 april 2003 door het Gerechtshof Amsterdam26
13bekrachtigd onder de navolgende overweging: ‘Weliswaar was het veronderstelde doel
14voor het gebruik van de C-rekeningen primair het buiten het zicht van de fiscus houden van 15vermogen, doch daarmee bestaat de aanmerkelijke kans dat het geld geen legale herkomst 16heeft. Dit klemt te meer daar in veel gevallen het geld buiten het normale bancaire verkeer 17om op de Luxemburgse rekening terecht was gekomen. Hierbij kan in het midden blijven
18of de niet-legale herkomst is te kwalificeren als opbrengst van een fiscaal misdrijf of een 19andersoortig misdrijf.’ Op 3 mei 2002 oordeelde de rechtbank Amsterdam27 ‘dat niet de
20herkomst voordat het geld op de rekeningen werd gestort, dat geld zwart maakt, maar het 21feit dat het gedurende het “parkeren” op deze rekeningen doelbewust aan het zicht van de 22fiscus was onttrokken’.
23
24Ondanks dat er nog best wat valt af te dingen op het standpunt van het meldpunt in het licht 25van de nieuw toegevoegde beroepsgroepen en de Hoge Raad nog niet is aangezocht zijn
26oordeel te vellen, is wel duidelijk dat de verplichting om tot melden over te gaan, in ieder 27geval in de ogen van de toezichthouder, sneller ontstaat dan menig dienstverlener denkt. 28
293.2DE MELDING
30Een ongebruikelijke transactie moet worden gemeld bij het Meldpunt Ongebruikelijke 31Transacties te Zoetermeer. Het meldpunt maakt deel uit van het Directoraat-Generaal
32Rechtshandhaving van het ministerie van Justitie. De ministeries van Justitie en Financiën 33zijn beide verantwoordelijk voor een goede toepassing van de Wet MOT. De website van 34het meldpunt geeft onderstaand stappenschema van de meldprocedure:
35


25 LJN-nummer: AA7998, zaaknr. 13/009039-00 26 LJN-nummer AF6887, zaaknr. 23-001395-01
27 NJ 2002/407, LJN-nummer: AE2270, zaaknr. 13/120070-98

17
1
2Ook de registratie en het verkrijgen van meldformulieren kan plaatsvinden via de site van 3het meldpunt. Een melding moet onverwijld plaatsvinden en in ieder geval binnen veertien 4dagen nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie is vastgesteld.
5Een melding moet, voor zover mogelijk, de volgende gegevens bevatten:
6− de identiteit van de cliënt (en, zo van toepassing, de identiteit van de betrokken 7 vennootschappen, rechtspersonen of soortgelijke lichamen);
8− de aard en het nummer van het identiteitsbewijs van de cliënt; 9− de aard, het tijdstip en de plaats van de transactie;
10− de omvang van de transactie;

18
1− de herkomst en bestemming van het geld of de andere waarden die bij de transactie zijn 2 betrokken;
3− de omstandigheden die de transactie ongebruikelijk maken. 4
53.3DE GEVOLGEN VAN (NIET) MELDEN
6Strikt genomen is het op grond van de wet niet noodzakelijk de werkzaamheden te staken 7als tot melding wordt, of moet worden overgegaan. Het is wel verboden de cliënt of enig 8ander op de hoogte te stellen van het feit dat er een melding is gedaan.
9
10Art. 12 Wet MOT voorziet in vrijwaring van strafrechtelijke vervolging bij het voldoen aan 11de meldingsplicht. Vervolging kan nog slechts plaatshebben als de adviseur – kort gezegd – 12instrumenteel is geweest aan de (voorgenomen) witwasactiviteiten, dat wil zeggen dat hij 13er meer bij betrokken is geweest dan goed voor hem was. Daarnaast voorziet art. 13 in
14uitsluiting van civielrechtelijke aansprakelijkheid voor schade ten gevolge van de melding. 15Schade valt nog slechts te verhalen als de instelling, gelet op alle feiten en
16omstandigheden, redelijkerwijs niet tot melding had mogen overgaan. Hoe de tuchtrechter 17met de schending van de geheimhoudingsplicht zal omgaan als de cliënt klaagt over het 18doen van een melding, is vooralsnog onduidelijk. De uitkomst bij een gerechtvaardigde 19melding laat zich echter raden.
20
214 Literatuur 22
23B.J.G.L. Jaeger, ‘De identificatieplicht en de meldplicht voor adviseurs: een update’, 24Vakblad voor de MKB-adviseur, 2005-7/8, blz. 17.
25
26I.L.J.M. Schröder, ‘Identificatie van cliënten sinds 1 juni 2003 verplicht’,Vakblad voor de 27MKB-adviseur, 2003-7/8, blz. 23.
28
29B.J.G.L. Jaeger, ‘De Wet MOT: de advocaat, notaris, accountant en belastingadviseur als 30klikspaan’, Vakblad voor de MKB-adviseur, 2003-6, blz. 6.
31
32De Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten geeft in ‘De meld- en
33identificatieplicht’, Advocatenblad 2003, nr. 8, blz. 342, haar opinie over de reikwijdte van 34de meldplicht ten aanzien van het juridisch advies en betoogt dat de strekking van
35Overweging 17 bij de Richtlijn verstrekkender is dan de implementatiewetgeving. 36
37K.L.H. van Mens en M. Bouallouch, ‘De Wet MOT: meldplicht voor vrije 38beroepsbeoefenaren’, O&F nr. 52, september 2002, blz. 77.
39
40M. Pheijffer, poneert in zijn artikel ‘Witwastransactie melden: niet kunnen of niet willen?’ 41in TFB 2002/9, blz. 5, dat de nieuw aangewezen beroepsgroepen (louter) drogredeneringen 42in stelling brengen tegen de nieuwe verplichtingen en het meer tot hun (morele) plicht
43zouden moeten rekenen een bijdrage te leveren aan de strijd tegen het corrumperen van 44geld- en goederenverkeer.
45
46M.V. Lambooij, ‘Belastingadviseurs en het voorkomen van witwassen van gelden’, 47Weekblad Fiscaal Recht, 4 juli 2002, blz. 953.
48
49C. Heck-Vink, ‘Wettelijke identificatie- en meldplicht voor het notariaat’, WPNR 02/6508.

19
1
2A. Baas, ‘Wijziging van de witwasrichtlijn goedgekeurd’, Advocatenblad 2002, nr. 1, blz. 321.
4
5C.D. Schaap, ‘Heling getoetst’, Arnhem: Gouda Quint 1999. 6
7Zie voor de wetsgeschiedenis en de betekenis voor de praktijk onder meer D.R. Doorenbos, 8‘Money Laundering’, DD 23 (1993), afl. 8, blz. 764; ‘Witwassen en (misbruik van)
9verschoningsrecht’, Advocatenblad 1996, blz. 111; alsmede tezamen met D. van der 10Landen, rubriek Financieel strafrecht, DD 32 (2002), afl. 10, blz. 1132.
11



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op