Wetgever te kort door de bocht: strafbaarheid niet tijdig betalen aangifte

  

Wetgever te kort door de bocht: strafbaarheid niet tijdig betalen aangifte

Datum: 07-02-2014
Auteur(s): W. de Vries

Bekijk PDF



Accountancynieuws 7 februari 2014 nr 2www.accountancynieuws.nl 23
belastingrecht An
D
e nieuwe strafbaarstelling is geïn-troduceerd met als doel om carrou-
selfraude en fraude met inkomstenbelas-ting, de zogenaamde ‘Bulgarenfraude’, aan te pakken. Deze strafbaarstelling is echter dermate ruim geformuleerd, dat deze veel meer lijkt te omvatten dan het enkel bestrijden van de eerder genoemde fraude. Ook goedwillende ondernemers die al dan niet tijdelijk in financieel zwaar weer terecht zijn gekomen, lopen het ri-sico strafrechtelijk te worden vervolgd.
De wettekst luidt als volgt:
1. Degene die opzettelijk de belasting welke op aangifte moet worden vol-daan of afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de be-lastingwet gestelde termijn betaalt, wordt bestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboe-te van de vijfde categorie of, indien dit belang hoger is, ten hoogste een-maal het bedrag van de te weinig be-
taalde belasting.
2. Artikel 69, zesde lid, is van overeen-
komstige toepassing.
In de Memorie van Toelichting van het wetsvoorstel wordt als uitgangspunt ge-nomen ‘dat zo veel mogelijk moet wor-den voorkomen dat de goedwillenden lei-den onder de kwaadwillenden, die in aantal slechts een kleine minderheid vor-men.’ De Memorie van Toelichting ver-
volgt dat ‘daarom is getracht om de anti-
fraudemaatregelen zo specifiek mogelijk te richten op de fraudeurs.’ De voorge-stelde wetswijziging waarborgt echter niet de rechtsbescherming van goedwil-lende belastingplichtigen.
Daders van Bulgaren- en carrouselfraude kunnen zonder meer als ‘kwaadwillenden’ worden aangemerkt. Opzet omvat echter ook voorwaardelijke opzet. Het ‘afwezig zijn van alle schuld’ wordt in het strafrecht verder slechts zeer zelden als schulduit-
sluitingsgrond toegepast. Hierdoor lopen
ook goedwillende belastingplichtigen het risico om binnen het bereik van de nieuwe
strafbepaling te vallen. Hoe zit het bijvoor-
beeld met ondernemers die vanwege niet-verwijtbare liquiditeitsproblemen hun aangifte – uiteraard – wel juist indienen, maar ten tijde van het indienen eigenlijk al weten dat zij de verschuldigde loon – of omzetbelasting kunnen voldoen? Het wetsvoorstel sluit een dergelijke – in de
praktijk veel voorkomende – situatie uit-
‘In het op zich mooie streven om de goedwillen-de belastingbetaler niet te laten lijden onder de kwaadwillende, lijkt het ministerie bij het opstellen van het nieuwe artikel 69a AWR te ver zijn doorgeslagen.’
Wetgever te kort door de bocht
Strafbaarheid niet tijdig betalen aangifte
‘Het kabinet heeft fraudebestrijding hoog in het vaandel staan’ zo meldt de Memorie van Toelichting bij het voorstel Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit. Ter bestrij-ding van fraude in de sfeer van de fiscaliteit stelt het wetsvoorstel verschillende maat-regelen voor. Eén van die maatregelen is de invoering van artikel 69a AWR, dat het op-zettelijk niet (tijdig) betalen op aangifte strafbaar stelt. Dit artikel is per 1 januari van
dit jaar in werking getreden.
Wiebe de Vries
drukkelijk niet uit. Vanuit een maatschap-pelijk oogpunt zal deze groep onderne-mers echter niet direct als ‘kwaadwillend’ worden aangemerkt.
Hoe vergaat het verder de accountant, die
namens zijn verder keurige klant die fi-
nancieel het water aan de lippen staat om uitstel van betaling verzoekt, maar wel van zijn klant verwacht dat zijn nota eer-der zou worden betaald dan de fiscus?
Is er dan geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking bij het niet nako-men van de betalingsverplichting waar-door deze accountant als medeplichtige of zelfs als medepleger eveneens straf-baar is? De tekst van het huidige wets-voorstel lijkt naast de ‘kwaadwillende’ carrousel- en Bulgarenfraude tevens deze situaties te omvatten.
Natuurlijk zou het te grote bereik van de voorgestelde wettekst – zoals ook door de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs is opgemerkt – door middel van beleids-matige waarborgen het opportuniteitsbe-ginsel op zo’n wijze ingeperkt kunnen worden, dat alleen ‘kwaadwillende zaken’ voor vervolging in aanmerking komen. Het zal geen sinecure zijn om in beleid het niet (tijdig) betalen op aangifte door kwaadwillenden te onderscheiden van goedwillende (tijdelijke) wanbetalers. Dit
zal ertoe leiden dat de afweging om een
situatie waarin niet (tijdig) op aangifte is betaald al dan niet te vervolgen, al snel zal
afhangen van de magistratelijke grillen
van de betrokken officier van justitie (en in de praktijk de parketmedewerker). Wenselijk zou zijn, zoals ook door de Adviescommissie wetsvoorstellen belastingrecht van de Nederlandse
Orde van Advocaten is voorgesteld, om het bestanddeel ‘oogmerk’ op te laten
nemen in de strafbepaling. ->

24 www.accountancynieuws.nl7 februari 2014 nr 2 Accountancynieuws
1) Schenking enkele bv
2) Schenking holdingstructuur
Y bvY bv
X bvX bv
Vader AZoon B
Vader AZoon B
schenking
X bvX bv
schenking
Dga, zet uw kind op de payroll!
Ondernemers uit de naoorlogse geboortegolf gaan zich betrekkelijk massaal bezig-houden met vraagstukken rondom (familiaire) bedrijfsopvolging. Ondernemers brei-den de bedrijfsopvolging vaak niet zorgvuldig voor. Ik vind dat onverstandig. In dit stuk beschrijf ik één van de redenen waarom het nuttig is om over een (toekomstige) bedrijfsopvolging na te denken: de doorschuifregeling bij schenking en vererving van
een aanmerkelijk belang.1
Geert de Jong
An belastingen
V
an een aanmerkelijk belang is kort-weg sprake als een natuurlijk per-
soon 5% of meer van de aandelen in een bv houdt. Als een aanmerkelijk be-lang wordt vervreemd, is 25%2 aanmer-
kelijkbelangheffing verschuldigd over
het verschil tussen de verkoopprijs en de prijs die is betaald toen het belang
werd verkregen (verkrijgingsprijs).
Bij zowel schenking als vererving van ondernemingsvermogen verschuift
– op verzoek – de aanmerkelijkbelang-heffing naar de volgende generatie. Deze zogenoemde doorschuifregeling maakt de financiering van bedrijfsop-volging aanmerkelijk eenvoudiger, zeker in combinatie met de bedrijfsop-volgingsregeling (BOR) in de Successie-wet.3
Op het moment dat de bedrijfsopvolger de aanmerkelijkbelangaandelen krachtens
De doorschuifregeling aanmerkelijk belang
Vader A en moeder B drijven een onderneming, waarvan de waarde € 1.000.000 bedraagt. Stel, ze schenken de helft van hun onderneming aan hun zoon C. De doorschuifregeling aanmerkelijk belang is dan van toepassing over de helft van de waarde van de onderneming. Over de andere helft van de waarde is dan in beginsel direct aanmerkelijkbelangheffing verschuldigd. In beginsel, want deze heffing kan nog worden uitgesmeerd als de door zoon C te betalen koopprijs van € 500.000 wordt schuldig gebleven (wat vanuit oogpunt van financierbaar-heid van de koopsom door zoon C verstandig kan zijn). Op basis van een beta-lingsfaciliteit in de Invorderingswet4 kan (onder voorwaarden) de verschuldigde
aanmerkelijkbelangheffing in tien jaarlijks gelijke termijnen worden betaald.
Voorbeeld
Schenking enkele bv versus schenking holdingstructuur
Van oogmerk is pas sprake zodra er spra-ke is van een zekere doelgerichtheid en dat vereist dus meer dan het enkele ‘wil-len’ en ‘weten’ dat voor het aanwezig achten van het in het voorgestelde be-standdeel opzet voldoende is. Het ken-merk van een kwaadwillende wanbetaler is immers dat deze als doel heeft om de overheid onrechtmatig geld te onthou-den.
De huidige delictsomschrijving onder-vangt niet de hiervoor genoemde situa-ties. Hierdoor wordt het risico gelopen dat de strafbaarstelling zal worden aan-gewend voor zaken waar ten tijde van de totstandkoming ervan niet op is gedoeld. De ervaring leert dat de doelstelling bij de totstandkoming van een wet na invoering al snel ondergesneeuwd kan raken. Een
voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld de wet-
geving over de criminele organisatie. Vol-gens de parlementaire geschiedenis had deze strafbaarstelling tot doel om een te-genwicht te kunnen bieden aan de groot-schalige georganiseerde misdaad. De de-lictsomschrijving is echter de afgelopen
jaren te pas en te onpas vooral ingezet
om kleinere samenwerkingsverbanden strafrechtelijk te kunnen vervolgen. Een
ander voorbeeld is de witwas- en ontne-
mingswetgeving. Deze is opgetrokken met het idee om het vermogen van de grootste criminelen te kunnen aanpak-ken. De ervaring leert dat het in het gros van dergelijke zaken gaat om relatief be-perkte financiële belangen die de kwalifi-catie grootschalige misdaad onwaardig zijn. In het op zich mooie streven om de goedwillende belastingbetaler niet te la-ten lijden onder de kwaadwillende, lijkt het ministerie bij het opstellen van het nieuwe artikel 69a AWR te ver zijn door-
geslagen. An


Mr. drs. W. de Vries, partner Jaeger
Advocatenbelastingkundigen.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op