A-G bepleit ruimere verjaringstermijn btw-fraude voor Italië en de Unie

  

A-G bepleit ruimere verjaringstermijn btw-fraude voor Italië en de Unie

Gepubliceerd in: NLFiscaal
Datum: 18-07-2017
Auteur(s): B.J.G.L. Jaeger

Bekijk PDF

Kijk op NLFiscaal voor online versiePagina 1 van 29A-G HvJ, 18 juli 2017, C￿42/17, ECLI:EU:C:2017:564
A-G bepleit ruimere verjaringstermijn btw-fraude voor Italië en de Unie
SAMENVATTING
Btw-fraude kan fraude vormen waardoor de financiële belangen van de Europese Unie worden geschaad
(artikel 325 VWEU). Het Italiaanse wetboek van strafrecht kent een bepaling waarin staat dat in geval
van stuiting van de verjaring de verjaringstermijn in geen enkel geval kan worden verlengd met meer
dan een kwart van de aanvankelijke duur ervan. Gelet op de ingewikkeldheid en de lange duur van de
strafprocedures tegen ernstige btw-fraude kan dit tot feitelijke straffeloosheid voor die fraude leiden,
aangezien deze strafbare feiten gewoonlijk zijn verjaard voordat de in de wet voorziene straf kan
worden opgelegd door een definitief geworden rechterlijk besluit. In de strafzaak tegen M.A.S, M.B, heeft
de Corte costituzionale (grondwettelijk hof van Italië) aan het Hof van Justitie de prejudiciële vraag
gesteld of een dergelijke situatie afbreuk doet aan de door artikel 325 VWEU aan de lidstaten opgelegde
verplichtingen. A-G Bot concludeert in deze zaak, kort gezegd, dat artikel 325 VWEU aldus moet worden
uitgelegd dat het van de nationale rechter, handelend als gewone rechter van de Unie, vereist dat hij
de verjaringstermijn die voortvloeit uit het wetboek van strafrecht buiten toepassing laat indien een
dergelijke regeling het opleggen van doeltreffende en afschrikkende straffen belet in geval van ernstige
fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad.

.................................................................................................................................................................
NOOT
De Italiaanse rechter
Dat het Hof van Justitie voorrang verleent aan de bestrijding van btw-fraude boven de verjaringsregels
werd al duidelijk in de Italiaanse zaak Taricco e.a.[1] In die zaak oordeelde het Hof van Justitie dat
de Italiaanse regeling voor verjaring van de vervolging in strijd kan komen met de EU-rechtelijke
verplichtingen. Daarvan kan sprake zijn als de regeling belet dat doeltreffende en afschrikkende
sancties worden opgelegd in een groot aantal gevallen van ernstige fraude, waardoor de financiële
belangen van de EU worden geschaad. De Italiaanse rechters moeten nu uitvoering gaan geven aan
deze beslissing van het HvJ. Dat gaat niet zonder slag of stoot. Het is namelijk de vraag of deze
nieuwe ‘harde’ uitwerking wel zo eerlijk is tegenover Italianen die al onderwerp van een strafrechtelijk
onderzoek waren op het moment dat de beslissing in de zaak Taricco e.a. werd gepubliceerd. Zij worden
immers geconfronteerd met een strafbaar feit dat niet meer kan verjaren, omdat de werking van het
Unierecht anders in het gedrang zou komen. De Italiaanse rechters willen die nadelige consequenties
niet zo maar op het bordje van de Italiaanse verdachte leggen. Om die reden wordt – kort gezegd
– met de onderhavige prejudiciële vragen nog eens op het arrest Taricco e.a. voortgeborduurd. De
Italiaanse rechters vragen zich dan ook af of de beslissing van het HvJ terzijde kan worden geschoven
voor de strafzaken die reeds op 8 september 2015 gaande waren, omdat anders het Italiaanse
legaliteitsbeginsel zou worden geschonden. Met andere woorden: de Italiaanse rechters willen
Italiaanse verdachten graag nog de helpende hand bieden om aan een veroordeling te ontkomen. Zo niet
de A-G in deze zaak.  
De advocaat-generaal
De A-G ziet ook wel in dat het niet handig is dat alle lidstaten andere regels voor verjaring van strafbare
feiten in acht nemen. Om die reden acht de A-G het essentieel te komen tot een harmonisatie van
[1]HvJ 8 september 2015, C-105/14 (Taricco e.a.), ECLI:EU:C:2015:555.

Pagina 2 van 29verjaringsregels teneinde een bescherming van de financiële belangen van de Unie te waarborgen
die gelijkwaardig en uniform is in alle lidstaten, en aldus te voorkomen dat de misdadigers een bijna-
straffeloosheid genieten door de voor hun belangen meest gunstige strafwetgeving te benutten.
Indien er geen opsporing is verricht, lijkt het de A-G volslagen rechtmatig om te voorzien in een termijn
die begint te lopen op de dag dat het strafbare feit is begaan en dat na het verlopen daarvan geen
vervolging kan worden ingesteld. Wanneer echter een strafprocedure in gang is gezet, dient elke daad
van vervolging de verjaring te stuiten, waardoor een nieuwe termijn in zijn geheel begint. Als enige
mogelijke beperking en verwijzing daarbij geldt de eerbiediging van het beginsel van de redelijke termijn,
zoals omschreven door het EHRM. De verwijzing naar het beginsel van de redelijke termijn is dan een
vereiste voor alle lidstaten. Deze wens van de A-G is echter nog niet in vervulling gegaan, zodat hij op
zoek moet naar een oplossing voor het onderhavige probleem. Bij de oplossing geeft ook de A-G blijk
van de visie dat bij het voorkomen c.q. oplossen c.q. aanpakken van fraude in de btw zo’n beetje alles is
geoorloofd. Zolang de harmonisatie er niet is, is de A-G van mening dat de nationale rechters verplicht
zijn nationale verjaringsregels (vergelijkbaar met de Italiaanse) buiten toepassing te laten, zelfs indien
deze regels onder het legaliteitsbeginsel van de betrokken lidstaat vallen. De lidstaten moeten namelijk
alles in het werk stellen om ervoor te zorgen dat de btw wordt geïnd en het plegen van strafbare feiten
niet onbestraft kan plaatsvinden. Artikel 49 en 53 Handvest staan hieraan niet in de weg. Het gevolg zal
naar mijn mening in die gevallen een contra-legem-interpretatie van nationale wetgeving zijn.
Nederland
Hoe zit het eigenlijk in Nederland met de verjaringsregels? Zouden wij tegen dezelfde problemen kunnen
aanlopen of, met andere woorden, zouden de Nederlandse rechters verdachten ook een helpende
hand kunnen toesteken? In Nederland is het verval van het recht tot strafvordering door verjaring
geregeld in artikel 70 Sr. Hierbij is de verjaringstermijn afhankelijk van het soort strafbaar feit. Zo is de
verjaringstermijn twaalf jaar voor misdrijven waarop een tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie
jaar is gesteld en is de verjaringstermijn twintig jaar voor de misdrijven waarop een gevangenisstraf van
acht jaar of meer is gesteld. In artikel 72 Sr. is geregeld dat elke daad van vervolging de verjaring stuit
en na de stuiting een nieuwe verjaringstermijn aanvangt. Het recht tot strafvordering vervalt evenwel ten
aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen
een periode is verstreken die gelijk is aan tweemaal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn.
De vervolging van btw-fraude vindt veelal plaats op grond van artikel 69 AWR, waarin onder andere
strafbaar is gesteld het opzettelijk niet, onjuist of onvolledig doen van een belastingaangifte. Ook vindt
vervolging plaats via strafbare feiten als oplichting, valsheid in geschrifte en (gewoonte)witwassen.
De maximale gevangenisstraffen op deze strafbare feiten variëren tussen de vier en acht jaar. Gelet op
de dan geldende lange verjaringstermijnen in Nederland lopen wij niet tegen de problemen aan zoals
in Italië. Verondersteld mag worden dat in twaalf tot mogelijk zelfs veertig jaar een strafrechtelijke
veroordeling wel getackeld is.
Ludwijn Jaeger
Jaeger Advocaten-belastingkundigen

.................................................................................................................................................................
Bron:
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
1.BOT
van 18 juli 2017 (1)
Zaak C￿42/17
Strafzaak
tegen

Pagina 3 van 29M.A.S.,
M.B.
[verzoek van de Corte costituzionale (grondwettelijk hof, Italië) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie – Artikel 325
VWEU – Strafprocedure wegens strafbare feiten ter zake van de belasting over de toegevoegde
waarde (btw) – Mogelijke aantasting van de financiële belangen van de Unie – Nationale wetgeving
die voorziet in absolute verjaringstermijnen welke de straffeloosheid van delicten tot gevolg kunnen
hebben – Arrest van 8 september 2015, Taricco e.a. (C￿105/14, EU:C:2015:555) – Gelijkwaardigheids-
en doeltreffendheidsbeginsel – Niet￿ontvankelijkheid van de betrokken wetgeving – Verplichting van
de nationale rechter deze wetgeving buiten toepassing te laten in het geval dat deze het opleggen
van doeltreffende en afschrikkende straffen zou beletten ‚in een groot aantal gevallen van ernstige
fraude’ waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, of voor gevallen van fraude
waardoor de financiële belangen van de betrokken lidstaat worden geschaad, verjaringstermijnen
stelt die langer zijn dan voor gevallen van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden
geschaad – Onmiddellijke toepassing van deze verplichting op lopende procedures overeenkomstig het
beginsel tempus regit actum – Verenigbaarheid met het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen
– Reikwijdte en rang van dat beginsel in de rechtsorde van de betrokken lidstaat – Opneming van de
verjaringsregels in de werkingssfeer van genoemd beginsel – Wezenlijk karakter van genoemde regels –
Artikel 4, lid 2, VEU – Eerbiediging van de nationale identiteit van de betrokken lidstaat – Handvest van
de grondrechten van de Europese Unie – Artikelen 49 en 53”
Inleiding
1.In het kader van de onderhavige prejudiciële verwijzing vraagt de Corte costituzionale
(grondwettelijk hof, Italië) het Hof naar de mate waarin de nationale rechters verplicht zijn zich
te houden aan de door het Hof in het arrest van 8 september 2015, Taricco e.a.(2), afgeleide
verplichting om in lopende strafprocedures de regels in artikel 160, laatste alinea, en artikel 161,
tweede alinea, van de codice penale (wetboek van strafrecht) buiten toepassing te laten.
2.In dat arrest, en in lijn met het arrest van 26 februari 2013, Åkerberg Fransson(3), heeft het Hof
bevestigd dat fraude ter zake van de belasting over de toegevoegde waarde (btw), fraude kan
vormen waardoor de financiële belangen van de Europese Unie worden geschaad.
3.Het Hof heeft opgemerkt dat de in het wetboek van strafrecht voorziene bepalingen, waarmee met
name de regel is ingevoerd dat in geval van stuiting van de verjaring, de verjaringstermijn in geen
enkel geval kan worden verlengd met meer dan een kwart van de aanvankelijke duur ervan, gelet
op de ingewikkeldheid en de lange duur van de strafprocedures tegen ernstige btw-fraude tot de
feitelijke straffeloosheid voor die fraude leiden, aangezien deze strafbare feiten gewoonlijk zijn
verjaard voordat de in de wet voorziene straf kan worden opgelegd door een definitief geworden
rechterlijk besluit. Het Hof heeft geoordeeld dat een dergelijke situatie aldus afbreuk doet aan de
door artikel 325, leden 1 en 2, VWEU aan de lidstaten opgelegde verplichtingen.
4.Teneinde de doeltreffendheid te waarborgen van de bestrijding van fraude waardoor de financiële
belangen van de Unie worden geschaad, heeft het Hof derhalve de nationale rechters verzocht
deze bepalingen zo nodig buiten toepassing te laten.
5.In het kader van de onderhavige prejudiciële verwijzing stelt de Corte costituzionale dat een
dergelijke verplichting in strijd kan zijn met een grondbeginsel van zijn constitutionele orde,
het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen (nullum crimen, nulla poena sine lege), dat is
vastgelegd in artikel 25, lid 2, van de Costituzione (grondwet; hierna: „Italiaanse grondwet”), en
aldus de constitutionele identiteit van de Italiaanse Republiek kan aantasten.
6.De Corte costituzionale benadrukt dat het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen, zoals dat
is uitgelegd in de Italiaanse rechtsorde, een hoger niveau van bescherming waarborgt dan hetgeen
voortvloeit uit de uitlegging van artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese
Unie(4), aangezien het zich uitstrekt tot de vaststelling van de op het strafbare feit toepasselijke
verjaringstermijnen en er derhalve aan in de weg staat dat de nationale rechter op een lopende
procedure een langere verjaringstermijn toepast dan die welke gold op het moment dat dat
strafbare feit is begaan (beginsel dat een strengere strafrechtelijke bepaling geen terugwerkende
kracht heeft).

Pagina 4 van 297.De Corte costituzionale benadrukt dat de door het Hof in het arrest Taricco e.a. afgeleide
verplichting de Italiaanse strafrechter dwingt om op strafbare feiten die begaan zijn vóór
de publicatie van dat arrest op 8 september 2015, en die nog niet zijn verjaard, langere
verjaringstermijnen toe te passen dan die welke aanvankelijk golden op de dag dat deze strafbare
feiten zijn begaan. Hij merkt bovendien op dat deze verplichting niet berust op een nauwkeurig
bepaalde rechtsgrondslag en dat deze verplichting overigens is gebaseerd op criteria die hij vaagt
acht. Bijgevolg zal deze verplichting leiden tot het aan de nationale rechter toekennen van een
beoordelingsmarge die een risico van willekeur met zich mee kan brengen en die bovendien de
grenzen van zijn rechterlijke functie te buiten zal gaan.
8.Aangezien de Italiaanse grondwet een hoger niveau van bescherming van de grondrechten
waarborgt dan het niveau dat het recht van de Unie waarborgt, stelt de Corte costituzionale dat
artikel 4, lid 2, VEU en artikel 53 van het Handvest de nationale rechters derhalve toestaan zich te
verzetten tegen de nakoming van de door het Hof in het arrest Taricco e.a. afgeleide verplichting.
9.Met zijn drie prejudiciële vragen verzoekt de Corte costituzionale het Hof bijgevolg of artikel 325
VWEU, zoals het door laatstgenoemde in het arrest Taricco e.a. is uitgelegd, de nationale rechters
verplicht de aan de orde zijnde verjaringsregels buiten toepassing te laten, zelfs indien deze
regels, in de eerste plaats, in de rechtsorde van de betrokken lidstaat onder het legaliteitsbeginsel
inzake delicten en straffen vallen en als zodanig onder het materiële strafrecht, en indien een
dergelijke verplichting, in de tweede plaats, een voldoende nauwkeurig bepaalde wettelijke
grondslag ontbeert en ten slotte, in de derde plaats, indien deze verplichting in strijd is met de
grondbeginselen van de Italiaanse constitutionele orde of met de onvervreemdbare rechten van de
persoon, zoals die zijn erkend door de Italiaanse grondwet.
10.In zijn verwijzingsbeslissing snijdt de Corte costituzionale niet alleen deze drie prejudiciële vragen
aan het Hof aan, maar adviseert hij het Hof eveneens aangaande het antwoord dat zou moeten
worden geformuleerd teneinde het inleiden van de procedure van de zogenoemde „tegencontroles”
te voorkomen.(5) Wat dat betreft, herinnert deze verwijzingsbeslissing aan de prejudiciële
vraag van het Bundesverfassungsgericht (federaal grondwettelijk hof, Duitsland) in het kader
van de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 16 juni 2015, Gauweiler e.a.(6). De
Corte costituzionale zet immers zeer duidelijk uiteen dat in het geval het Hof zijn uitlegging van
artikel 325 VWEU zou willen handhaven in gelijke bewoordingen als die welke het in het arrest
Taricco e.a. heeft gebruikt, de Corte costituzionale de nationale wet tot ratificatie en uitvoering
van het Verdrag van Lissabon – aangezien deze artikel 325 VWEU ratificeert en uitvoert – in strijd
met de grondbeginselen van zijn constitutionele orde zou kunnen verklaren, en aldus de nationale
rechters zou ontslaan van hun verplichting om te voldoen aan het arrest Taricco e.a.
11.In de onderhavige conclusie zal ik uiteenzetten waarom er geen sprake van is het door het Hof
in dat arrest afgeleide beginsel zelf ter discussie te stellen, volgens hetwelk de nationale rechter
verplicht is zo nodig de regels in artikel 160, laatste alinea, en artikel 161, tweede alinea, van het
wetboek van strafrecht buiten toepassing te laten teneinde een doeltreffende en afschrikkende
bestraffing te waarborgen van fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden
geschaad.
12.In de eerste plaats zal ik uiteenzetten dat de zeer strikte uitlegging van het begrip stuiting van de
verjaring en van de handelingen die stuiting van de verjaring tot gevolg hebben, die voortvloeit
uit de combinatie van de aan de orde zijnde bepalingen, aangezien deze de vervolgende en de
rechtsprekende autoriteiten een redelijke termijn ontnemen om de tegen btw-fraude ingestelde
procedures tot een goed einde te brengen, kennelijk niet duidelijk is afgestemd op het vereiste
dat inbreuken op de financiële belangen van de Unie worden bestraft, en niet de noodzakelijke
afschrikkende werking bezit om het begaan van nieuwe strafbare feiten te voorkomen, en aldus het
materiële deel, maar eveneens – wat kan worden gekwalificeerd als – het „procedurele” deel van
artikel 325 VWEU, schendt.
13.Ik zal dienaangaande uiteenzetten dat, gelet op de bewoordingen van artikel 49 van het Handvest
en op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens betreffende de reikwijdte
van het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen in artikel 7 van het Verdrag tot bescherming
van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november
1950(7), niets eraan in de weg staat dat de nationale rechter, in het kader van de nakoming van de
krachtens het recht van de Unie op hem rustende verplichtingen, de bepalingen van artikel 160,

Pagina 5 van 29laatste alinea, en artikel 161, tweede alinea, van het wetboek van strafrecht buiten toepassing laat
op lopende procedures.
14.Ik zal daartoe de criteria verduidelijken op basis waarvan de nationale rechter een dergelijke
verplichting moet nakomen. Het komt mij immers met de Corte costituzionale – waarmee ik het op
dat punt eens ben – voor dat, teneinde zowel in het strafprocesrecht als in het materiële strafrecht
de noodzakelijke voorzienbaarheid te waarborgen, de bewoordingen van het arrest Taricco e.a.
moeten worden verduidelijkt. Dienaangaande zal ik voorstellen het aldaar vermelde criterium te
vervangen door een criterium dat alleen is ontleend aan de aard van het strafbare feit.
15.Ik zal ten slotte uiteenzetten waarom ik van mening ben dat de totstandbrenging van een ruimte
van vrijheid, veiligheid en recht vereist dat de bestraffing van strafbare feiten die de financiële
belangen van de Unie schaden, heden ten dage samengaat met een harmonisatie van de
verjaringsregels in de Unie en met name van de regels die de stuiting ervan beheersen.
16.In de tweede plaats, en in lijn met de door het Hof in het arrest van 26 februari 2013, Melloni(8),
afgeleide beginselen, zal ik duidelijk maken dat artikel 53 van het Handvest mijns inziens niet
toestaat dat de rechterlijke autoriteit van een lidstaat zich verzet tegen de nakoming van de door
het Hof in het arrest Taricco e.a. afgeleide verplichting op grond dat deze verplichting het hogere
niveau van bescherming van de door de grondwet van deze lidstaat gewaarborgde fundamentele
rechten, niet zou eerbiedigen.
17.Ten slotte zal ik in de derde plaats uiteenzetten waarom de onmiddellijke toepassing van een
langere verjaringstermijn, die voortvloeit uit de nakoming van genoemde verplichting, mijns inziens
de nationale identiteit van de Italiaanse Republiek niet kan aantasten en aldus artikel 4, lid 2, VEU
niet kan schenden.
18.Toepasselijke bepalingen
19.Recht van de Unie
20.EU￿Verdrag
21.Artikel 4, lid 2, VEU bepaalt dat de Unie de nationale identiteit van de lidstaten die besloten ligt
in hun politieke en constitutionele basisstructuren, eerbiedigt. Krachtens lid 3 van dat artikel en
krachtens het beginsel van loyale samenwerking respecteren de Unie en de lidstaten elkaar en
steunen zij elkaar bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien. De lidstaten
treffen alle algemene en bijzondere maatregelen die geschikt zijn om de nakoming van de uit de
Verdragen of uit de handelingen van de instellingen van de Unie voortvloeiende verplichtingen te
verzekeren.
22.Overeenkomstig artikel 325 VWEU zijn de Unie en de lidstaten verplicht „fraude en alle andere
onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad” te
bestrijden en deze belangen „een doeltreffende bescherming” te bieden.
23.Handvest
24.Artikel 47, tweede alinea, van het Handvest bepaalt:
„Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn,
door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [...]”
1.Artikel 49 daarvan, met het opschrift „Legaliteitsbeginsel en evenredigheidsbeginsel inzake
delicten en straffen”, bepaalt in lid 1:
„Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten dat geen strafbaar feit naar
nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin
mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit
van toepassing was. Indien de wet na het begaan van het strafbare feit in een lichtere straf voorziet,
moet die worden toegepast.”
1.Artikel 52, lid 3, van het Handvest bepaalt:
„Voor zover dit handvest rechten bevat die corresponderen met rechten die zijn gegarandeerd door het
[EVRM], zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden
toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt.”
1.Artikel 53 van het Handvest bepaalt:

Pagina 6 van 29„Geen der bepalingen van dit Handvest mag worden uitgelegd als zou zij een beperking vormen van of
afbreuk doen aan de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden welke binnen hun respectieve
werkingssferen worden erkend door het recht van de Unie, het internationaal recht en de internationale
overeenkomsten waarbij de Unie of alle lidstaten partij zijn, met name het [EVRM], alsmede door de
grondwetten van de lidstaten.”
1.Italiaans recht
2.Italiaanse grondwet
3.Artikel 25, lid 2, van de Italiaanse grondwet bepaalt dat „niemand kan worden gestraft dan uit
kracht van een wet die in werking is getreden voordat het feit is gepleegd”.
4.Bepalingen van het wetboek van strafrecht betreffende de verjaring van strafbare feiten
5.Verjaring vormt een van de redenen van verval van strafbare feiten (boek I, titel VI, hoofdstuk I, van
het wetboek van strafrecht). De regeling ervan is ingrijpend gewijzigd bij legge n. 251, 5 dicembre
2005 (wet nr. 251 van 5 december 2005)(9).
6.Overeenkomstig artikel 157, lid 1, van het wetboek van strafrecht is een strafbaar feit verjaard na
verstrijking van een termijn die gelijk is aan de maximumduur van de wettelijk bepaalde straf, maar
die hoe dan ook niet korter is dan zes jaar voor misdrijven en dan vier jaar voor overtredingen.
7.Artikel 158 van dat wetboek regelt de aanvang van de verjaringstermijn als volgt:
„De termijn van de verjaring vangt aan op de dag waarop het strafbare feit is gepleegd of, voor poging
of voortdurende feiten, respectievelijk op de dag waarop de handeling van de dader of de voortzetting is
gestaakt.
[...]”
1.Artikel 159 van genoemd wetboek, inzake de regels betreffende de schorsing van de verjaring, luidt
als volgt:
„De verjaring wordt geschorst in alle gevallen waarin de schorsing van de procedure, van het strafproces
of van de termijn voor de voorlopige hechtenis is voorzien bij een bijzondere wettelijke bepaling,
alsmede in de volgende gevallen:
1.machtiging tot vervolging;
2.verwijzing van de zaak naar een andere rechter;
3.schorsing van de procedure of van het strafproces wegens verhindering van de partijen en van de
raadslieden, of op verzoek van de verdachte of van zijn raadsman. [...]
[...]
De verjaring wordt hervat op de dag waarop de oorzaak van de schorsing wegvalt.
[...]”
1.Artikel 160 van hetzelfde wetboek, dat de stuiting van de verjaring regelt, bepaalt:
„De verjaring wordt gestuit door een veroordelend vonnis of decreet.
Een beschikking tot toepassing van persoonlijke dwangmiddelen [...] [en] het decreet waarbij de datum
voor de preliminaire zitting wordt vastgesteld, [...] stuiten de verjaring eveneens.
Wanneer de verjaring is gestuit, vangt een nieuwe verjaringstermijn aan op de dag van de stuiting.
In geval van meerdere stuitingshandelingen vangt de verjaringstermijn aan op de dag van de laatste
handeling. De in artikel 157 neergelegde termijnen kunnen echter in geen geval worden verlengd tot
na de in artikel 161, tweede alinea, [van het wetboek van strafrecht] bedoelde termijnen, tenzij voor
de strafbare feiten uit hoofde van artikel 51, lid 3 bis en quater, van [de codice di procedura penale
(wetboek van strafvordering)].”
1.Artikel 161 van het wetboek van strafrecht, inzake de gevolgen van schorsing en stuiting, luidt als
volgt:
„De schorsing en de stuiting van de verjaring hebben gevolgen voor allen die het strafbare feit hebben
gepleegd.

Pagina 7 van 29Met uitzondering van de vervolging van strafbare feiten uit hoofde van artikel 51, leden 3 bis en 3 quater,
van het wetboek van strafvordering kan de verjaringstermijn door stuiting ten hoogste met een kwart
worden verlengd [...]”
III. Feiten
1.Arrest Taricco e.a.
2.Het verzoek om een prejudiciële beslissing van de Tribunale di Cuneo (rechtbank Cuneo, Italië)
betrof de uitlegging van de artikelen 101, 107 en 119 VWEU alsmede van artikel 158 van richtlijn
2006/112/EG(10) aangaande de nationale regeling betreffende de verjaring van strafbare feiten,
zoals is vastgesteld bij artikel 160, laatste alinea, en artikel 161, tweede alinea, van het wetboek
van strafrecht.
3.Dat verzoek is ingediend in het kader van een strafprocedure tegen meerdere individuen, die werd
verweten betrokken te zijn bij de oprichting en de organisatie van een vereniging met het oogmerk
verschillende strafbare feiten ter zake van de btw te plegen.
4.In dat arrest van 8 september 2015 heeft het Hof geoordeeld dat een nationale regeling zoals
die welke aan de orde is, volgens welke op de datum van de feiten in het hoofdgeding de
stuitingshandeling in een strafvervolging voor ernstige strafbare feiten ter zake van de btw tot
gevolg heeft dat de verjaringstermijn met slechts een kwart van de oorspronkelijke duur wordt
verlengd, afbreuk kan doen aan de door artikel 325, leden 1 en 2, VWEU aan de lidstaten opgelegde
verplichtingen, ingeval deze nationale regeling belet dat doeltreffende en afschrikkende sancties
worden opgelegd in een groot aantal gevallen van ernstige fraude waardoor de financiële belangen
van de Unie worden geschaad, of, voor gevallen van fraude waardoor de financiële belangen van de
betrokken lidstaat worden geschaad, verjaringstermijnen stelt die langer zijn dan voor gevallen van
fraude waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad.
5.Het Hof heeft immers vastgesteld dat de betrokken bepalingen, door in geval van stuiting van
de verjaring de regel in te voeren volgens welke de verjaringstermijn in geen geval met meer
dan een kwart van de oorspronkelijke duur kan worden verlengd, tot gevolg hebben, gelet op de
complexiteit en de lange duur van de strafprocedures die tot een definitief vonnis leiden, dat het
tijdseffect van een grond voor stuiting van de verjaring ongedaan wordt gemaakt. Het Hof heeft
opgemerkt dat op grond daarvan feiten die ernstige fraude uitmaken, in een groot aantal gevallen
niet strafrechtelijk worden bestraft.
6.Teneinde de volle werking van artikel 325, leden 1 en 2, VWEU te waarborgen, heeft het Hof
derhalve geoordeeld dat het de taak van de nationale rechter is om, indien nodig, de bepalingen
van nationaal recht die ertoe leiden dat de betrokken lidstaat wordt belet de krachtens artikel 325,
leden 1 en 2, VWEU op hem rustende verplichtingen na te komen, buiten toepassing te laten.
7.Door de Corte suprema di cassazione en de Corte d’appello di Milano aan de Corte costituzionale
voorgelegde grondwettigheidsvragen
8.De Corte suprema di cassazione (hof van cassatie, Italië) en de Corte d’appello di Milano (rechter
in tweede aanleg Milaan, Italië), waarbij procedures aanhangig zijn met betrekking tot ernstige
btw-fraude, zijn van oordeel dat het buiten toepassing laten van artikel 160, laatste alinea, en
artikel 161, tweede alinea, van het wetboek van strafrecht op situaties voorafgaand aan de
publicatie van het arrest Taricco e.a., met terugwerkende kracht zou leiden tot strengere regels
voor de strafbaarstelling, hetgeen onverenigbaar is met het legaliteitsbeginsel inzake delicten en
straffen van artikel 25, lid 2, van de Italiaanse grondwet.
9.Zij hebben bijgevolg de Corte costituzionale grondwettigheidsvragen voorgelegd betreffende
artikel 2 van legge n. 130, 2 agosto 2008 (wet nr. 130 van 2 augustus 2008)(11), aangezien dat
de ratificatie en de uitvoering van het Verdrag van Lissabon goedkeurt, en met name artikel 325,
leden 1 en 2, VWEU, op grond waarvan het Hof de betrokken verplichting heeft afgeleid.(12)
10.Verwijzingsbeslissing
11.Reikwijdte en rang van het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen in de Italiaanse
rechtsorde
12.In zijn verwijzingsbeslissing benadrukt de Corte costituzionale in de eerste plaats dat in de
Italiaanse rechtsorde het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen eraan in de weg staat dat

Pagina 8 van 29de nationale rechter de bepalingen van artikel 160, laatste alinea, en artikel 161, tweede alinea, van
het wetboek van strafrecht buiten toepassing laat wat betreft lopende procedures.
13.De Corte costituzionale wijst er immers op dat, anders dan andere rechtsstelsels waarin de
verjaringsregels in het strafrecht als procesrechtelijke bepalingen worden gekwalificeerd(13),
de verjaringsregels in de Italiaanse rechtsorde materieelrechtelijke bepalingen vormen, die
noodzakelijk deel uitmaken van het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen en derhalve niet
met terugwerkende kracht kunnen worden toegepast ten nadele van de vervolgde persoon.
14.De Corte costituzionale merkt op dat artikel 25, lid 2, van de Italiaanse grondwet aan het
legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen derhalve een ruimere werkingssfeer toekent dan die
welke wordt erkend door de bronnen van het recht van de Unie, aangezien het niet is beperkt tot de
enkele omschrijving van het strafbare feit en de daarop toepasselijke straffen, maar zich uitstrekt
tot alle materiële aspecten met betrekking tot de strafbaarheid en met name tot de vaststelling van
de op het strafbare feit toepasselijke verjaringsregels. Overeenkomstig dat beginsel moeten het
strafbare feit, de straf en de verjaringstermijn bijgevolg in duidelijke, nauwkeurige en dwingende
bewoordingen worden omschreven in een wet die van kracht is op het ogenblik dat de feiten
worden begaan. Volgens de verwijzende rechter moet de eerbiediging van dat beginsel eenieder
in staat stellen te begrijpen welke strafrechtelijke gevolgen zijn gedrag teweeg kan brengen, en
verhinderen dat het recht willekeurig wordt toegepast.
15.In het kader van het hoofdgeding stelt de Corte costituzionale dat de betrokkenen op basis van de
wettelijke regeling die van kracht was ten tijde van de feiten, redelijkerwijs niet konden voorzien dat
de nationale rechter krachtens het recht van de Unie en met name artikel 325 VWEU verplicht was
om artikel 160, laatste alinea, en artikel 161, tweede alinea, van het wetboek van strafrecht buiten
toepassing te laten en aldus de toepasselijke verjaringstermijnen langer maakte. Bijgevolg zou
de door het Hof in het arrest Taricco e.a. afgeleide verplichting in strijd zijn met de vereisten van
artikel 7 EVRM.
16.De Corte costituzionale benadrukt bovendien dat het legaliteitsbeginsel inzake delicten en
straffen ten grondslag ligt aan de onvervreemdbare rechten van de persoon en in al zijn aspecten
moet worden beschouwd als een grondbeginsel van de Italiaanse constitutionele orde, waarbij
laatstgenoemde bijgevolg voorrang heeft boven de ermee conflicterende regels van het recht van
de Unie.
17.Aangaande de kwalificatie van de verjaringsregels in het strafrecht preciseert de Corte
costituzionale dat deze niet afhangt van het recht van de Unie, maar van de grondwettelijke traditie
van elk van de lidstaten.
18.Voor zover de Italiaanse rechtsorde een hoger niveau van bescherming van de grondrechten
toekent dan dat welk voortvloeit uit de uitlegging van artikel 49 van het Handvest en artikel 7
EVRM, voegt de Corte costituzionale toe dat artikel 53 van het Handvest de nationale rechter
derhalve toestaat zich te onttrekken aan de door het Hof in het arrest Taricco e.a. vastgestelde
verplichting.
19.De Corte costituzionale onderscheidt derhalve de onderhavige zaak van de zaak die aanleiding
heeft gegeven tot het arrest van 26 februari 2013 Melloni(14), waarin de toepassing van de
grondwettelijke bepalingen van het Koninkrijk Spanje rechtstreeks invloed had op de voorrang
van het recht van de Unie, met name op de reikwijdte van kaderbesluit 2009/299/JBZ(15), en
resulteerde in het verbreken van de uniformiteit en de eenheid van het recht van de Unie op een
gebied dat berust op wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten.
20.In de tweede plaats stelt de Corte costituzionale dat de door het Hof in het arrest Taricco
e.a. afgeleide verplichting berust op niet voldoende nauwkeurig bepaalde criteria, hetgeen in
strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, aangezien de nationale rechter niet in staat is om
ondubbelzinnig te omschrijven in welke gevallen de fraude waardoor de financiële belangen van de
Unie worden geschaad als „ernstig” kan worden gekwalificeerd en in welke gevallen de toepassing
van de aan de orde zijnde verjaringsregels tot gevolg heeft dat een „aanzienlijk aantal gevallen”
onbestraft blijft. Dergelijke criteria leiden derhalve tot een groot risico van willekeur.
21.In de derde plaats is de verwijzende rechter van oordeel dat de door het Hof in het arrest
Taricco e.a. afgeleide regels onverenigbaar zijn met de beginselen die de scheiding der machten
beheersen.

Pagina 9 van 2922.Hij preciseert dienaangaande dat de verjaringstermijnen en de berekeningswijze daarvan door de
nationale wetgever door middel van nauwkeurige bepalingen moeten worden omschreven en dat
het derhalve niet aan de gerechtelijke autoriteiten staat om per geval te beslissen over de inhoud
ervan. De Corte costituzionale is van oordeel dat de in het arrest Taricco e.a. vermelde beginselen
niet toelaten dat de beoordelingsmarge van de gerechtelijke autoriteiten wordt beperkt, zodat
laatstgenoemden vrij zijn om de aan de orde zijnde wettelijke bepalingen buiten toepassing te
laten, zodra zij zouden oordelen dat deze bepalingen een belemmering vormen voor de bestraffing
van het strafbare feit.
23.Constitutionele identiteit van de Italiaanse Republiek
24.In het kader van zijn verwijzingsbeslissing stelt de Corte costituzionale ten slotte dat artikel 4, lid 2,
VEU de nationale rechter toestaat zich te onttrekken aan de door het Hof in het arrest Taricco e.a.
vastgestelde verplichting, aangezien deze verplichting een grondbeginsel van zijn constitutionele
orde schendt en bijgevolg de nationale identiteit, en met name de constitutionele identiteit, van de
Italiaanse Republiek aantast.
25.Hij benadrukt dat het recht van de Unie, net als de uitlegging van dat recht door het Hof, de lidstaat
niet kan verplichten afstand te doen van de grondbeginselen van zijn constitutionele orde, die een
deel van zijn nationale identiteit vormen. De toepassing van een arrest van het Hof zal aldus altijd
afhankelijk zijn van de verenigbaarheid van dat arrest met de constitutionele orde van de betrokken
lidstaat, hetgeen moet worden beoordeeld door de nationale autoriteiten en in Italië door de Corte
costituzionale.
26.Prejudiciële vragen
27.Gelet op het bovenstaande heeft de Corte costituzionale beslist de behandeling te schorsen van
de grondwettigheidsvraag inzake artikel 2 van wet nr. 130 van 2 augustus 2008, tot ratificatie en
uitvoering van het Verdrag van Lissabon, en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
„1)      Moet artikel 325, leden 1 en 2, VWEU aldus worden uitgelegd dat de strafrechter een nationale
verjaringsregeling die in een groot aantal gevallen belet dat ernstige fraude wordt bestraft waardoor de
financiële belangen van de Europese Unie worden geschaad, of die voor gevallen van fraude waardoor
de financiële belangen van de Unie worden geschaad, kortere verjaringstermijnen stelt dan voor
gevallen van fraude waardoor de financiële belangen van de betrokken lidstaat worden geschaad, buiten
toepassing dient te verklaren, ook wanneer hiervoor geen voldoende bepaalde wettelijke grondslag
aanwezig is?
2)      Moet artikel 325, leden 1 en 2, VWEU aldus worden uitgelegd dat de strafrechter een nationale
verjaringsregeling die in een groot aantal gevallen belet dat ernstige fraude wordt bestraft waardoor de
financiële belangen van de Europese Unie worden geschaad, of die voor gevallen van fraude waardoor
de financiële belangen van de Unie worden geschaad, kortere verjaringstermijnen stelt dan voor
gevallen van fraude waardoor de financiële belangen van de betrokken lidstaat worden geschaad, buiten
toepassing dient te verklaren, ook wanneer de verjaring in de rechtsorde van de betrokken lidstaat
onderdeel vormt van het materiële strafrecht en onderworpen is aan het legaliteitsbeginsel?
3)      Moet het arrest [Taricco] aldus worden uitgelegd dat de strafrechter een nationale
verjaringsregeling die in een groot aantal gevallen belet dat ernstige fraude wordt bestraft waardoor de
financiële belangen van de Europese Unie worden geschaad, of die voor gevallen van fraude waardoor
de financiële belangen van de Unie worden geschaad, kortere verjaringstermijnen stelt dan voor
gevallen van fraude waardoor de financiële belangen van de betrokken lidstaat worden geschaad, buiten
toepassing dient te verklaren, ook wanneer dit in strijd is met de grondbeginselen van de constitutionele
orde van de betrokken lidstaat en met de door de grondwet van de betrokken lidstaat erkende
onvervreemdbare rechten van de persoon, met name met het strafrechtelijke legaliteitsbeginsel?”
1.Inleidende opmerkingen
2.Voordat ik begin met het onderzoek van de door de Corte costituzionale gestelde prejudiciële
vragen, lijkt het mij juist om enkele inleidende opmerkingen te maken; om te beginnen met
betrekking tot de context waarin het arrest Taricco e.a. is gewezen, en vervolgens betreffende de
benadering die partijen en de Europese Commissie ter terechtzitting hebben gekozen.
3.In de eerste plaats wil ik opmerken dat de invloed van de in het wetboek van strafrecht
vastgestelde verjaringsregels op de effectiviteit van de rechtsvervolging, of deze is ingesteld

Pagina 10 van 29wegens een tegen een persoon gepleegd misdrijf of vergrijp, of dat deze past in het kader van
de economische en financiële criminaliteit, geen volkomen nieuwe vraag is. Deze vraag is reeds
voorwerp geweest van talrijke aan de Italiaanse Republiek gerichte rapporten en aanbevelingen,
waarin met name de op de verjaring toepasselijke regels en berekeningsmethoden zijn gekritiseerd
en met name de strikte uitlegging van de stuitingsgronden van de verjaring en het bestaan van een
absolute verjaringstermijn die noch kan worden gestuit, noch geschorst.
4.De door het Hof in het arrest Taricco e.a. onder de aandacht gebrachte moeilijkheden betreffende
de gevolgen van de verjaringsregels in artikel 160, laatste alinea, en artikel 161, tweede alinea, van
het wetboek van strafrecht voor de effectiviteit van de beteugeling van btw-fraude, zijn derhalve
niet nieuw.
5.In de eerste plaats hebben de gerechtelijke autoriteiten op nationaal niveau de nationale wetgever
zeer snel gewaarschuwd dat de geldende verjaringstermijnen het onmogelijk maakten om een
definitieve rechterlijke beslissing te verkrijgen in de meeste zaken van ernstige en ingewikkelde
corruptie(16), hetgeen aanleiding heeft gegeven tot de instelling van een werkgroep (commissie ad
hoc) die is belast met het bestuderen van de bestaande mogelijkheden aangaande een hervorming
van de verjaringsregels, waarvan de werkzaamheden op 23 april 2013 zijn voltooid(17).
6.Op het niveau van de Unie heeft de Commissie vervolgens in 2014 een bijzondere studie gewijd
aan de gevolgen die de Italiaanse verjaringsregeling heeft voor de effectieve bestrijding van
de corruptie.(18) Zij heeft aldus opgemerkt dat „[d]e verjaring [in deze lidstaat] altijd al een
uiterst zorgwekkende vraag vormde” en heeft benadrukt dat „[d]e krachtens de Italiaanse
wetgeving toepasselijke verjaringstermijn, in samenhang met de uiterst langdurige juridische
procedures, de op de verjaring toepasselijke regels en berekeningsmethodes, het gebrek aan
soepelheid aangaande de gronden voor schorsing en stuiting en het bestaan van een absolute
verjaringstermijn die noch kan worden gestuit, noch kan worden geschorst, hebben geleid en
blijven leiden tot beëindiging van een aanzienlijk aantal zaken”(19).
7.In lijn met de aanbevelingen die op 9 juli 2013 door de Raad aan de Italiaanse Republiek waren
gezonden(20), heeft de Commissie deze lidstaat derhalve aangemaand de regels inzake
verjaringstermijnen te herzien, teneinde het rechtskader voor de strijd tegen corruptie te
versterken.
8.Op het niveau van de Raad van Europa heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens
thans, in de arresten Alikaj e.a. v Italië(21) en Cestaro v Italië(22), eveneens geoordeeld dat de
verjaringsregeling, zoals vastgesteld bij de artikelen 157 tot en met 161 van het wetboek van
strafrecht, gevolgen kan hebben die in strijd zijn met de eisen die aangaande het strafrechtelijke
deel ervan worden gesteld inzake de bescherming van de in het EVRM neergelegde fundamentele
rechten, omdat deze regeling ertoe leidt dat ernstige strafbare feiten onbestraft blijven. Het heeft
derhalve geoordeeld dat dit wettelijk kader ontoereikend was(23) om aanslagen op het leven en
folteringen en slechte behandelingen te voorkomen en te bestraffen.
9.Aldus is de Italiaanse Republiek in het arrest Cestaro v Italië(24), dat slechts enige maanden
voor het arrest Taricco e.a. is gewezen, veroordeeld wegens schending van artikel 3 EVRM, niet
alleen aangaande het materiële deel, maar eveneens aangaande het procedurele deel, waarbij het
Europees Hof voor de Rechten van de Mens het bestaan heeft opgemerkt van een „structureel
probleem”, namelijk „de ontoereikendheid” van de in het Italiaanse wetboek van strafrecht
voorziene verjaringsregels om folteringen te straffen en om een voldoende afschrikkende werking
te waarborgen.(25) Na te hebben opgemerkt dat deze verjaringsregels in de praktijk kunnen
verhinderen dat de verantwoordelijken worden berecht en gestraft, en dat ondanks alle door de
autoriteiten geleverde inspanningen inzake de vervolging en door de rechters inzake de berechting,
heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de op dit soort strafbare feiten toegepaste
Italiaanse strafwetten veroordeeld als „ontoereikend” in verhouding tot het bestraffingsvereiste
en verstoken van de noodzakelijke afschrikkende werking om het plegen van andere vergelijkbare
strafbare feiten te voorkomen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft de Italiaanse
Republiek derhalve aangemaand zich te voorzien van juridische instrumenten die geschikt zijn om
de verantwoordelijken voor deze schendingen toereikend te bestraffen en te verhinderen dat zij
kunnen profiteren van maatregelen die in strijd zijn met zijn rechtspraak, aangezien de toepassing
van de verjaringsregels verenigbaar moet zijn met de vereisten van het EVRM.(26)

Pagina 11 van 2910.Op een meer politiek niveau heeft de Groep van staten tegen corruptie van de Raad van Europa
(hierna: „GRECO”) thans bovendien in zijn evaluatieverslagen van de eerste (juni 2008), de tweede
(oktober 2008) en de derde (oktober 2011) gezamenlijke evaluatieronde inzake de Italiaanse
Republiek(27), opgemerkt dat, hoewel de theoretische looptijd van de verjaringstermijn niet veel
verschilt van die van de andere lidstaten, de berekeningsmethode van de verjaringstermijn en de
rol die wordt gespeeld door andere factoren (zoals het ingewikkelde karakter van onderzoeken
inzake corruptie, de tijd die kan verlopen tussen het moment dat het strafbare feit is gepleegd
en het moment dat het wordt gemeld aan de strafrechtelijke autoriteiten, de beschikbare
rechtsmiddelen, de achterstanden en de overmaat aan werk van de strafrechtspraak) in
aanzienlijke mate de doeltreffendheid belemmeren van het in Italië van kracht zijnde stelsel van
bestraffing.
11.Ten slotte heeft op internationaal niveau de Organisatie voor Economische Samenwerking en
Ontwikkeling (OESO), in het kader van haar evaluaties betreffende de toepassing van het Verdrag
betreffende de strijd tegen corruptie bij internationale zakelijke transacties(28), de Italiaanse
Republiek eveneens aanbevolen de looptijd van de in het wetboek van strafrecht vastgestelde
absolute verjaringstermijn te verlengen, zodat de doeltreffendheid wordt gewaarborgd van
vervolgingen ter zake van supranationale corruptie en om aldus te voldoen aan de bij artikel 6 van
genoemd verdrag(29) gestelde eisen. Het lijkt erop dat de Italiaanse Republiek zich daartoe heeft
verplicht in het kader van een wetsvoorstel dat op 15 maart 2017 is goedgekeurd door de Senato
(Italiaanse senaat).(30)
12.Deze elementen lijken mij van belang om de nationale context, maar eveneens de Europese
context, waarin het arrest Taricco e.a. past, goed te begrijpen.
13.In de tweede plaats en gelet op de discussies ter terechtzitting, lijkt het mij belangrijk om de door
partijen en de Commissie gekozen eenduidige benadering recht te zetten, door te herinneren aan
het specifieke karakter van het strafrecht.
14.Het strafrecht is immers een recht van bestraffing dat samenhangt met het begrip openbare orde
zelf en, in het onderhavige geval, met de openbare orde van de Unie. Dat recht moet derhalve een
evenwicht tot stand brengen tussen de eerbiediging van de openbare orde, de gelijkheid voor de
wet van burgers wanneer deze laatsten deze schenden en de procesrechtelijke waarborgen van
de vervolgde personen. Een beroep op deze waarborgen door een van de vervolgende of vervolgde
partijen kan in geen geval leiden tot een subjectief recht van hetzij willekeurige bestraffing, hetzij
ontsnappen aan de normale en doordachte gevolgen van de gepleegde strafbare feiten.
VII. Analyse
1.In het kader van zijn eerste twee prejudiciële vragen stelt de Corte costituzionale de
verenigbaarheid van de door het Hof in het arrest Taricco e.a. afgeleide beginselen en criteria met
het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen, ter discussie. In de Italiaanse rechtsorde vereist
dat beginsel dat de verjaringstermijn nauwkeurig wordt vastgesteld in een bepaling die van kracht
is op het moment dat de feiten zijn begaan en in geen enkele omstandigheid met terugwerkende
kracht kan worden toegepast wanneer deze ongunstig is voor de vervolgde persoon.
2.De Italiaanse grondwet waarborgt aldus aan eenieder het recht te weten, voor het plegen van
een laakbare handeling, of deze een strafbaar feit vormt, de daarop toepasselijke straf en
verjaringstermijn, terwijl geen van deze onderdelen later ten nadele van de belanghebbende kan
worden gewijzigd.
3.De Corte costituzionale stelt dat, door van de nationale rechter te eisen dat hij de bij
artikel 160, laatste alinea, en artikel 161, tweede alinea, van het wetboek van strafrecht
vastgestelde bepalingen in lopende procedures buiten toepassing laat en aldus de toepasselijke
verjaringstermijn verlengt, de door het Hof in het arrest Taricco e.a. afgeleide verplichting in strijd
is met dat beginsel.
4.Ter ondersteuning van zijn benadering benadrukt de Corte costituzionale dat de aan de orde
zijnde bepalingen zijn vastgesteld met de bedoeling om enerzijds de eerbiediging van de redelijke
termijn van de procedure en anderzijds de rechten van de vervolgde persoon te waarborgen.
Dienaangaande moet worden erkend dat het arrest Taricco e.a. op zichzelf geen antwoord biedt op
de door de verwijzende rechter geuite kritiek.

Pagina 12 van 295.Het zou evenwel onrechtvaardig zijn het Hof al te zeer te verwijten dat het dat niet heeft gedaan,
aangezien noch de Tribunale di Cuneo, die de eerste prejudiciële verwijzing heeft opgesteld, noch
de Italiaanse regering, in haar schriftelijke en mondelinge opmerkingen in het kader van de zaak
die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Taricco e.a., de bijzondere kenmerken heeft aangevoerd
die zijn verbonden aan de aard van en aan de regels die de verjaringsregeling beheersen in de
Italiaanse rechtsorde, hetgeen toch de kern vormt van de prejudiciële verwijzing, terwijl deze
bijzondere kenmerken nu door de Corte costituzionale naar voren worden gebracht.
6.Na dat aanvullende rechtsmiddel van de Italiaanse rechter zal ik het Hof derhalve voorstellen zijn
eerste antwoord te vervolledigen.
7.Het gaat er immers niet om het door het Hof in het arrest Taricco e.a. afgeleide beginsel zelf ter
discussie te stellen, dat de nationale rechter de regels in artikel 160, laatste alinea, en artikel 161,
tweede alinea, van het wetboek van strafrecht buiten toepassing moet laten, teneinde een
effectieve en afschrikkende bestraffing te waarborgen van de frauduleuze handelingen die de
financiële belangen van de Unie schaden, maar eerder om de criteria te preciseren op basis
waarvan deze verplichting moet worden nagekomen.
8.Door het Hof in het arrest Taricco e.a. afgeleid beginsel
9.Het standpunt dat de Corte costituzionale vertolkt, spitst zich toe op begrippen waarvan de
onderdelen, zoals hij deze omschrijft, met name het beginsel van de doeltreffendheid van het recht
van de Unie schenden en daarom met dat laatstgenoemde onverenigbaar zijn.
10.Voordat ik begin met mijn analyse van de voorgelegde vragen, moet ik bijgevolg zeer nauwkeurig
de punten identificeren die tot dat resultaat leiden.
11.In de eerste plaats vormt het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen, ook wel het
legaliteitsbeginsel of het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel genoemd, een van de wezenlijke
beginselen van het moderne strafrecht. Dat beginsel is met name ontwikkeld door de Italiaanse
strafrechtgeleerde Cesare Beccaria, die in zijn vermaarde verhandeling Des Délits et des
Peines(31), naar de werken van Montesquieu(32) heeft verwezen.
12.Vanouds wordt erkend dat overeenkomstig dat beginsel een strafbaar feit niet kan worden
verweten en geen straf kan worden opgelegd, indien zij niet door de wet zijn voorzien en
omschreven, voordat de feiten zijn begaan.
13.In het kader van het onderhavige zaak werpt dat beginsel slechts problemen op omdat de
Italiaanse wetgeving aan deze omschrijving van Beccaria toevoegt dat de verjaringsregeling onder
dat beginsel valt en dat de overtreder derhalve beschikt over het verworven recht dat de gehele
vervolging verloopt volgens de verjaringsregels zoals die golden op de dag dat hij het strafbare feit
heeft begaan.
14.Wat in de tweede plaats de verjaring betreft, is niet het beginsel zelf maar de regeling ervan,
eveneens wegens de door de Italiaanse wetgeving ingevoerde bijzondere kenmerken, in casu
onverenigbaar met het recht van de Unie, gelet op de werking van de schorsing en de stuiting van
de verjaring.
15.Aangaande de stuiting van de verjaring beperken de aan de orde zijnde bepalingen immers de
situaties waarin de verjaring kan worden gestuit, door deze voor te behouden aan minder talrijke
en, in voorkomend geval, tardieve procedurele handelingen, die bovendien beperkte gevolgen
hebben. Wanneer zich aldus een stuitingshandeling voordoet, heeft deze niet tot gevolg dat er een
nieuwe termijn gaat lopen die gelijk is aan de aanvankelijke termijn, maar volgt uitsluitend een
verlenging van laatstgenoemde termijn met enkel een kwart van de aanvankelijke looptijd, terwijl
deze verlenging van de verjaringstermijn bovendien noch opnieuw kan worden geschorst, noch
opnieuw kan worden gestuit, en zich derhalve slechts eenmaal kan voordoen in de loop van de
procedure.
16.De combinatie van de bepalingen in artikel 160, laatste alinea, en artikel 161, tweede alinea,
van het wetboek van strafrecht leidt derhalve tot de vaststelling van een absolute grens van de
toepasselijke verjaringstermijn. Dientengevolge wordt deze onveranderlijk en krijgt wat dat betreft
het kenmerk van een fatale termijn, die vanouds wordt gedefinieerd als de bij wet bepaalde termijn
waarin iets moet worden gedaan en die in tegenstelling tot de verjaringstermijn niet kan worden
geschorst, noch gestuit.(33) Dat begrip is derhalve onverenigbaar met het begrip verjaring zelf; de
rechtsgeleerde schrijvers plaatsen beide begrippen overigens tegenover elkaar.

Pagina 13 van 2917.Tegenover de door de Corte costituzionale verdedigde benadering, die te zijner ondersteuning
enerzijds de bedoeling aanvoert om de eerbiediging van de redelijke termijn van de procedure te
waarborgen en anderzijds de bescherming van de rechten van de vervolgde persoon, bevat het
arrest Taricco e.a., zoals ik heb opgemerkt, niet alle gegevens om deze benadering te kunnen
bestrijden.
18.In feite moet de vraag worden opgeworpen betreffende de oorzaak van de bestaande
onverenigbaarheid tussen de verjaringsregeling in artikel 160, laatste alinea, en artikel 161, tweede
alinea, van het wetboek van strafrecht en de vereiste eerbiediging van de doeltreffendheid van het
recht van de Unie.
19.Een recht is slechts effectief indien schending ervan wordt bestraft.
20.Indien, teneinde de bescherming ervan te waarborgen, het recht van de Unie vereist dat elke
schending wordt bestraft, is elke toepassingsregeling daarvan die in feite leidt tot het uitblijven
van bestraffing of tot een kennelijk en groot risico van straffeloosheid, per definitie in strijd met het
beginsel van voorrang van het recht van de Unie en met het doeltreffendheidsbeginsel waarop met
name artikel 325 VWEU berust.
21.Is dat zo in het onderhavige geval?
22.Mijn antwoord luidt bevestigend en berust op vaststellingen die met name betrekking hebben op
de aard zelf van de tegen de financiële belangen van de Unie gepleegde strafbare feiten en met
name op hun per definitie supranationale karakter.
23.De onderzoeken die zijn verricht in het kader van deze economische en financiële criminaliteit
moeten het mogelijk maken het belang van de fraude vast te stellen, wat betreft de duur ervan, de
omvang ervan en de winsten die deze heeft opgeleverd. In aanmerking genomen de termijnen die
noodzakelijk zijn voor een onderzoek dat betrekking heeft op een btw-carrouselfraude(34), waarbij
schermvennootschappen zijn betrokken die over het grondgebied van meerdere lidstaten zijn
verspreid, met mededaders en medeplichtigen van verschillende nationaliteit, waarvoor technische
onderzoeken, veelvuldige hoorzittingen en confrontaties, evenals een grote boekhoudkundige
en financiële deskundigheid alsook een beroep op maatregelen van internationale justitiële
en politiële samenwerking zijn vereist. In de loop van de gerechtelijke procedure moeten de
rechtsprekende autoriteiten met spoed een ingewikkeld strafproces voeren teneinde, met
eerbiediging van de waarborgen van een rechtvaardig proces, de individuele verantwoordelijkheid
vast te stellen van elk van de vervolgde personen en moeten zij eveneens het hoofd bieden aan de
door de advocaten en andere gespecialiseerde deskundigen gekozen verdedigingsstrategie, die
erin bestaat de procedure voort te zetten tot aan de verjaring ervan.
24.In zaken van deze aard lijkt de aan de opsporing en de berechting opgelegde uiterste termijn
derhalve onmiskenbaar ontoereikend, en de verschillende, op nationaal en internationaal niveau
opgestelde verslagen bewijzen inderdaad het systematische karakter van de vastgestelde
onmacht. Het risico van straffeloosheid is hier niet te wijten aan het getreuzel, de vriendelijkheid
of de nalatigheid van de gerechtelijke autoriteiten, maar aan de ontoereikendheid van het wettelijk
kader om btw-fraude te bestraffen, aangezien de nationale wetgever een onredelijke procestermijn
– omdat hij te kort en onveranderlijk is – heeft ingevoerd, waardoor de nationale rechter, ondanks
al zijn inspanningen, niet in staat is voor de gepleegde handelingen de normale straf op te leggen
die zij verlangen.
25.Ik begrijp dat een van de zorgen van de nationale wetgever bij de door de wet ex-Cirielli aan
de verjaringsregeling aangebrachte wijzigingen de bestrijding is geweest van de procedurele
vertragingen, die dikwijls door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aan de kaak zijn
gesteld, en aldus de waarborging van een redelijke duur van de procedure in het belang van de
vervolgde personen.
26.Op paradoxale wijze vormt deze wijziging, die is voortgevloeid uit de wens de snelheid van
gerechtelijke procedures te waarborgen, een schending van het begrip redelijke termijn zelf en
uiteindelijk een belemmering van de goede rechtsbedeling.(35)
27.In het kader van artikel 6, lid 1, EVRM omschrijft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens de
redelijke termijn immers als een procestermijn die evenredig is aan de objectieve ingewikkeldheid
van de zaak, aan het belang van het geding, en aan het gedrag van partijen en van de bevoegde
autoriteiten.(36)

Pagina 14 van 2928.Vastgesteld moet worden dat een fatale termijn, naar zijn aard, in tegenspraak is met dat beginsel
zelf.
29.Het recht op een redelijke termijn is geen recht op straffeloosheid en mag de werkelijke
veroordeling van de pleger van het strafbare feit niet beletten.
30.Een fatale termijn kan deze perverse gevolgen veroorzaken.
31.Dienaangaande moet ik mijns inziens wijzen op de tekst van het voorstel voor een richtlijn van
het Europees Parlement en de Raad betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de
financiële belangen van de Unie schaadt(37), waarvan de werkingssfeer het strafbare feit inzake
ernstige btw-fraude omvat. Terwijl de PIF-overeenkomst de vraag inzake de verjaringstermijnen
niet behandelde, voert artikel 12 van het voorstel voor de PIF￿richtlijn een nieuw geheel van
bindende en gedetailleerde regels in betreffende de verjaringsregeling die toepasselijk is op
strafbare feiten waardoor de begroting van de Unie wordt geschaad. De lidstaten moeten aldus
voorzien in een verjaringstermijn.
32.Hoewel het voorstel voor de PIF￿richtlijn zeker voorziet in langere verjaringstermijnen, zodat de
wetshandhavingsdiensten gedurende een voldoende lange periode kunnen ingrijpen om deze
strafbare feiten doeltreffend te bestrijden, stelt zij eveneens een absolute maximumprocestermijn
vast.
33.Ik kan derhalve slechts blijk geven van mijn onbegrip dat in dat voorstel een verjaringsregeling
wordt aanbevolen die is overgenomen van de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde
procedurele regeling, waarvan de gevolgen hetzelfde zijn als die welke worden veroorzaakt door
de combinatie van artikel 160, laatste alinea, en artikel 161, tweede alinea, van het wetboek van
strafrecht en die volgens mij dus aan dezelfde kritiek is blootgesteld, aangezien deze in feite
dezelfde gevaren met zich meebrengt.
34.Dat soort bepalingen leidt in feite immers tot het overdragen van de verantwoordelijkheid voor de
niet-berechting van zaken aan de gerechtelijke instanties. Er is vergeten dat de doeltreffendheid
van de procedures afhankelijk is van de middelen die ter beschikking worden gesteld van
de gerechtelijke instanties en dat het niet ter beschikking stellen ervan altijd een mogelijke
uitvlucht zal zijn aangaande de verplichtingen die uit het recht van de Unie voortvloeien. Derhalve
bestaat het risico dat de zaken die als de meest ernstige en de meest ingewikkelde worden

Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op