Aan het in rekening brengen van belastingrente bij een verzoek tot herziening van een voorlopige aanslag wordt strikt de hand gehouden

  

Aan het in rekening brengen van belastingrente bij een verzoek tot herziening van een voorlopige aanslag wordt strikt de hand gehouden

Gepubliceerd in: FED 2018/120
Datum: 27-07-2018
Auteur(s): M.H.W.N. Lammers

Bekijk PDF

Afl. 16/17 - 201846
FED 2018/120
f i s c a a l b e s t u u r s r e c h t

Fiscaal bestuursrecht
FED 2018/120
HOGE RAAD
25 mei 2018, nr. 17/03325
(Mrs. De Groot, Wortel, Cools)
m.nt. mw. mr. M.H.W.N. Lammers
Art. 30fb AWR; art. 9.5 Wet IB 2001
BNB 2018/128
V-N Vandaag 2018/1075
V-N 2018/29.5
ECLI:NL:HR:2018:757
Aan het in rekening brengen van belastingrente bij een verzoek tot herziening van een voorlopige
aanslag wordt strikt de hand gehouden
Belanghebbende heeft aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Enkele maan-den later, voor de ontvangst van de voorlopige aanslag, komt belanghebbende erachter dat in die aangifte een bedrag aan voorheffing was begrepen dat in de aangifte van haar echtgenoot had moeten worden verwerkt.
Voor de ontvangst van de voorlopige aanslag stuurt belanghebbende een herziene aangifte aan de Belasting-dienst. Die herziene aangifte en de voorlopige aanslag kruisen elkaar, waardoor in de voorlopige aanslag een
aanzienlijke teruggave is opgenomen die ook aan belanghebbende wordt uitbetaald. Vervolgens verzoekt be-langhebbende expliciet om de voorlopige aanslag te herzien. Dat verzoek wordt de inspecteur verwerkt waar-na een voorlopige aanslag met een aanzienlijk te betalen bedrag volgt. Daarbij brengt de inspecteur ook een
fors bedrag aan belastingrente in rekening. Belanghebbende is het daar niet mee eens en procedeert daarover
tevergeefs tot in hoogste instantie. De regeling omtrent het in rekening brengen van belastingrente wordt na
-melijk strikt gehanteerd waardoor belanghebbende over de periode 1 juli 2013 (6 maanden voor 1 januari 2014) tot en met 16 juni 2014 (10 maart 2014 plus 14 weken) belastingrente is verschuldigd.
Het geschil betreft de beschikking inzake belastingrechte voor het jaar 2012.
OP HET BEROEP IN CASSATIE VAN BELANGHEBBENDE EN HET INCIDENTELE BEROEP IN CASSATIE VAN DE STAATSSECRETARIS OVERWEEGT DE HOGE RAAD:
2 Uitgangspunten in cassatie
2.1.1. Op 17 december 2013 heeft belanghebbende voor het jaar 2012 aangifte gedaan voor de inkom-stenbelasting/premie volksverzekeringen. In de aangifte is een bedrag aan te verrekenen di
vi dend be las-ting vermeld van € 1.100.644. Met dagtekening 21 februari 2014 heeft de Inspecteur op basis van deze aangifte een voorlopige aanslag vastgesteld met een door belanghebbende te ontvangen bedrag van € 1.051.833.
2.1.2. Op 11 februari 2014 heeft de Inspecteur van belanghebbende voor het jaar 2012 een gewijzigde
aangifte ontvangen, waarin een bedrag van € 47.167 aan te verrekenen di
vi dend be las
ting is vermeld. Be-langhebbende en haar echtgenoot hebben alsnog ervoor gekozen om een bedrag van € 1.053.477 aan te
verrekenen di
vi dend be las
ting bij de echtgenoot in aanmerking te nemen.
2.1.3. Belanghebbende heeft bij brief van 7 maart 2014 bezwaar gemaakt tegen de in 2.1.1 bedoelde
voorlopige aanslag. Deze brief is op 10 maart 2014 door de Inspecteur ontvangen.
2.1.4. De Inspecteur heeft een nadere voorlopige aanslag met dagtekening 16 mei 2014 vastgesteld, met een door belanghebbende te betalen bedrag aan belasting van € 1.053.477. Gelijktijdig met deze voorlopige aanslag is aan belanghebbende bij beschikking € 33.886 belastingrente in rekening gebracht. De belastingrente is berekend over het tijdvak 1 juli 2013 tot en met 27 juni 2014.2.2. Voor het Hof was in geschil of aan belanghebbende terecht en tot het juiste bedrag belastingren-te in rekening is gebracht.2.3. Het Hof heeft overwogen dat de Inspecteur terecht belastingrente aan belanghebbende in reke-ning heeft gebracht, maar dat hij er geen rekening mee heeft gehouden dat volgens artikel 30fb van de
AWR bij herziening van een voorlopige aanslag over
een komstig een op de door de inspecteur aangege-
FED

Afl. 16/17 - 201847
FED 2018/120f i s c a a l b e s t u u r s r e c h t
ven wijze ingediend verzoek het tijdvak waarover belastingrente wordt berekend uiterlijk 14 weken na
de datum van ontvangst van het verzoek eindigt. Het Hof heeft vervolgens beslist dat het door belanghebbende bij brief van 7 maart 2014 ingedien
-de bezwaar als een zodanig verzoek moet worden aangemerkt en dat daarom aan haar van 1 juli 2013
tot uiterlijk 13 juni 2014 belastingrente in rekening gebracht kan worden.
3 Beoor de ling van de in het prin ci pa le beroep voorgestelde middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rech
-terlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechts-vragen in het belang van de rechts een heid of de rechtsontwikkeling.
4 Beoor de ling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel
4 .1. Het middel richt zich tegen het in 2.3 vermelde oordeel van het Hof.
4.2.1. Het middel faalt voor zover het ertoe strekt dat het Hof de brief van belanghebbende van 7 maart 2014 ten onrechte heeft aangemerkt als een ‘op de door de inspecteur aangegeven wijze ingediend’ ver-zoek tot herziening van de voorlopige aanslag van 21 februari 2014.
Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt niet dat de Inspecteur zich bij de behandeling
in hoger beroep op het standpunt heeft gesteld dat een verzoek tot herziening van de voorlopige aan
-slag op andere wijze gedaan had behoren te worden en dat dit belanghebbende bekend kon zijn. Om die reden kan in cassatie niet worden geklaagd over het oordeel dat de brief van 7 maart 2014,
die ertoe strekt dat de voorlopige aanslag zal worden gewijzigd, is aan te merken als een op een door de Inspecteur aangegeven wijze gedaan verzoek tot herziening van die voorlopige aanslag.
4.2.2. Het middel treft daarentegen doel voor zover het erover klaagt dat het Hof is uitgegaan van de
datum van verzending van het verzoek om herziening van de voorlopige aanslag in plaats van de datum van ontvangst van dat verzoek, zoals bepaald in artikel 30fb, lid 4, tweede volzin, van de AWR.4.3. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De gedingstukken laten geen andere conclusie toe dan dat de Inspecteur het verzoek tot herziening heeft ontvangen op 10 maart 2014.
Noot
Bij het lezen van dit arrest van de Hoge Raad komt het beeld van ‘rupsje Nooitgenoeg’ een rupsje dat al
-tijd honger heeft direct op mijn netvlies. In dit geval is, zoals u zult begrijpen, de Belastingdienst het ‘rupsje’ en bestaat de ‘honger’ uit het incasseren van zoveel mogelijk rente: enerzijds rente over een be-drag op de eigen rekening en anderzijds het in rekening brengen van belastingrente aan de belasting-plichtige over diezelfde periode wegens gemiste rente.Met de invoering van het Belastingplan 2012 is een nieuwe renteregeling ingevoerd. Daarbij zijn zo-wel regels opgesteld voor het heffen als voor het vergoeden van rente. Aan een belastingplichtige wordt rente in rekening gebracht als het opleggen van een aanslag met een door de belastingplichtige te beta-len bedrag door toedoen van die belastingplichtige te lang duurt. Anderzijds vergoedt de inspecteur be-lastingrente als hij er te lang over doet om een aanslag met een uit te betalen bedrag vast te stellen, in-dien die aanslag over
een komstig de ingediende aangifte of een ingediend (herzienings)verzoek is. Doel
van de regeling is het voorkomen van rentederving aan de zijde van de Belastingdienst. Bij de uitwer-king van de regeling blijkt in de praktijk echter dat de regeling zijn doel voorbij schiet. Niet alleen wordt namelijk voorkomen dat de Belastingdienst rente te kort komt. De Belastingdienst schroomt er niet voor om ook belastingrente in rekening te brengen over perioden waarin het geldbedrag gewoon op de reke-ning van de Belastingdienst stond en de Belastingdienst hierover dus rente kon ontvangen. Deze gang van zaken is ook binnen de Belastingdienst opgevallen, zo volgt uit informatie die in het
kader van een Wob-verzoek boven tafel is gekomen. Uit de brief van de Staats se cre
ta ris van Financiën
van 1 maart 2017, 2017-0000010761, V-N 2017/20.11 volgt dat op 23 november 2015 en op 30 septem
-ber 2016 vergaderingen van de Landelijke vakgroep Formeel recht hebben plaatsgevonden. Van deze vergaderingen zijn verslagen opgesteld. Uit het verslag van 23 november 2015 volgt dat het in de prak-tijk kan voorkomen dat belastingrente wordt berekend over een periode dat de Belastingdienst de be-schikking had over het geld. De Belastingdienst heeft dan geen rentenadeel en het zou reëel zijn de in
rekening gebrachte rente op verzoek te verminderen, aldus de Landelijke vakgroep. Voorgesteld wordt
om in het Besluit Fiscaal Bestuursrecht hiervoor een passage op te nemen. Uit het naschrift bij het ver
-slag blijkt dat die passage er niet komt. Wel wordt in dit naschrift opgemerkt dat de inspecteur, met een
FED

Afl. 16/17 - 201848
FED 2018/120
f i s c a a l b e s t u u r s r e c h t
beroep op een redelijke wets

toe pas sing en in het licht van doel en strekking van de belastingrenterege-ling, geen rente berekent over de periode dat het geld al bij de fiscus was. De enige kanttekening die daarbij wordt gemaakt is dat geen (andere) rentevergoeding heeft plaatsgevonden bij de eerdere terug-betaling. Kennelijk is de Landelijke vakgroep vervolgens teruggefloten door de staats se cre
ta ris. Uit het
verslag van 30 september 2016 volgt namelijk dat de Landelijke vakgroep de inspecteurs attendeert op
de antwoorden die de staats se cre
ta ris op Kamervragen heeft gegeven. De insteek van die antwoorden is dat een strakke interpretatie moet worden gehanteerd. Die lijn moet door de inspecteurs worden ge-volgd, maar ook nu wordt een kanttekening gemaakt. In incidentele gevallen kan er aanleiding zijn om
de rente te matigen gelet op de bijzonderheden van het geval. Daarbij wordt als voorbeeld de situatie
aangehaald dat rente wordt berekend over een periode waarin het geld al bij de fiscus stond. In dit ge
-val past de slogan ‘leuker kunnen we het niet maken, makkelijker wel’, dan ook meer bij de Belasting-dienst dan bij de belastingplichtige. Wat ik niet goed begrijp is dat als dit ‘beleid’ door de Belastingdienst wordt uitgevoerd, dus in inci-dentele gevallen kan tot matiging van de belastingrente worden overgegaan, de inspecteur in deze zaak
daaraan geen gehoor geeft. Met de informatie die in deze zaak beschikbaar is, is het overduidelijk dat
aan de belastingplichtige rente in rekening wordt gebracht over een periode dat het geld op de rekening van de Belastingdienst stond. Opmerkelijk in dit kader is ook dat zowel het hof als de Hoge Raad voor het bepalen van de eindda-tum van het tijdvak waarover belastingrente in rekening kan worden gebracht, uitgaan van de brief van
7 maart 2014 die op 10 maart 2014 door de inspecteur is ontvangen. Uit de feiten volgt dat belangheb-bende op 11 februari 2014 een herziene aangifte aan de Belastingdienst heeft gezonden en dat die aan-gifte ook op 11 februari 2014 door de Belastingdienst is ontvangen. Hof ’s-Hertogenbosch gaat in de uit-spraak van 15 juni 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:2769 uit van die datum waarop vervolgens de veertienwekentermijn op los wordt gelaten. Als dat in deze zaak ook was gedaan, dan had belastingren-te in rekening mogen worden gebracht tot 20 mei 2014. Dat scheelt toch weer drie weken. Dan als laatste nog een formeel punt. In het incidentele beroep in cassatie heeft de staats se cre
ta ris
ook een middel opgenomen over het oordeel van het ge rechts hof dat het verzoek van belanghebbende
niet ‘op de door de inspecteur aangegeven wijze is ingediend’. Door de gemachtigde van belanghebben-de is namelijk eerst een herziene aangifte ingediend en is vervolgens bezwaar gemaakt tegen de voor-lopige aanslag. De staats se cre
ta ris is echter van mening dat op grond van art. 9.5 Wet IB 2001 moet wor-den verzocht om herziening van de voorlopige aanslag. De beslissing van de inspecteur daarop is pas een voor bezwaar vatbare beschikking. Met dit standpunt lijkt de staats se cre
ta ris te proberen om de hele discussie in de ‘doofpot’ te willen stoppen omdat als de Hoge Raad hierin mee zou gaan, de hele zaak
niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden. Die vlieger van de staats se cre
ta ris gaat alleen niet op,
omdat hiervan in de eerdere fases geen punt is gemaakt. In cassatie mogen, zoals voor de staats se cre
ta-
ris toch ook bekend zou moeten zijn, geen nieuwe feitelijke stellingen naar voren worden gebracht, zo
-dat de Hoge Raad dit terecht terzijde legt. Maar nog afgezien daarvan, lijkt mij dit standpunt van de staats se cre
ta ris ook geen hout te snijden. Een verzoek is niet een verzoek omdat er ‘verzoek’ boven staat, maar gekeken moet worden naar de inhoud van het geschrift. Uit dat geschrift volgt dat het doel was de voorlopige aanslag te herzien. In die zin voldoet het geschrift aan de eisen. Het tweede standpunt dat de staats se cre
ta ris ten aanzien van deze kwestie inneemt, is dat het verzoek moet worden ingediend ‘op
de door de inspecteur aangegeven wijze’. Daarmee doelt de staats se cre
ta ris op het door de Belasting-dienst beschikbaar gestelde formulier. De staats se cre
ta ris verwijst ter onderbouwing van dit standpunt
naar art. 9.5 lid 1 Wet IB 2001 en art. 23 Uitvoeringsregeling AWR 1994. In beide artikelen wordt echter
niet verwezen naar een formulier dat de Belastingdienst hiervoor ter beschikking heeft gesteld. Sterker
nog, in de artikelen is alleen opgenomen ‘een daartoe strekkend verzoek van de belastingplichtige’. De
stelling dat het door de Belastingdienst ontworpen formulier hiervoor verplicht moet worden gebruikt,
acht ik dan ook onjuist.
mw. mr. M.H.W.N. Lammers
FED



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op

Jaeger maakt gebruik van cookies

Wij plaatsen cookies om uw ervaring op de website te verbeteren. De cookies die vereist zijn om de website te gebruiken zijn wettelijk toegestaan. Voor de andere cookies kunt u hieronder toestemming geven.

meer informatie