Belanghebbende moet bewijzen dat hij schade heeft geleden door onrechtmatig besluit van inspecteur

  

Belanghebbende moet bewijzen dat hij schade heeft geleden door onrechtmatig besluit van inspecteur

Gepubliceerd in: NTFR 2015/1103
Datum: 13-03-2015
Auteur(s): M.H.W.N. Lammers

Bekijk PDF





NTFR2015/1103 Belanghebbende moetbewijzen dathij schade heeftgeleden door onrechtmatig besluitvan inspecteur
Hoge Raad13maart2015,nr.14/02833
Belastingjaar/tijdvak Trefwoorden
2009Brondocument nadere uitspraak,
schadevergoeding, VAR
Awb-art. 8:73
Wetsartikelen Auteur
BNB
ECLI
mr. M.H.W.N. Lammers 2015/95
ECLI:NL:HR:2015:559
Samenvatting
Belanghebbende heeftde inspecteur verzochtom eenVAR-wuo voor hetjaar 2009.De inspecteur heeftgeweigerd de verklaring te
geven.Pas inhoger beroep wordtbelanghebbende inhetgelijk gesteld.De inspecteur heeftdaarom op 1 oktober 2010 alsnog een VAR-wuo verstrekt.Belanghebbende heeftverzochtom vergoeding vande schade als gevolg vanhetfeitdatde VAR-wuo pas op 1 oktober 2010 is afgegeven.Hethofheeftditverzoek afgewezenomdatbelanghebbende nietaannemelijk heeftgemaaktdathijschade heeftgeleden.Incassatie klaagtbelanghebbende erover dathethofhem niethad mogenbelastenmetde stelplichtende bewijslastmet betrekking totde gestelde schade.De Hoge Raad oordeeltdatbelanghebbende terechtdaarmee is belast.De door de wetgever beoogde aansluiting bijhetcivielrechtelijke schadevergoedingsrechtgaatnietzover datde bestuursrechter moetafwijkenvande inhet bestuursrechtinhetalgemeengeldende regels omtrentstelplichtenbewijslast.Bovendienbrengtart.6:97 BW nietmee datde rechter, bijde beoordeling ofer grond is voor hettoekennenvanschadevergoeding,de overigens gebruikelijke regels vanstelplichten bewijslastbuitentoepassing moetlaten.
Feiten
2.1.Belanghebbende heeftde Inspecteur verzochthaar voor hetjaar 2009 eenverklaring te verstrekkenals bedoeld inartikel3:156,lid
1,WetIB 2001.Bijvoor bezwaar vatbare beschikking heeftde Inspecteur geweigerd de verklaring te geven.Op grond vande uitspraak vanhetHofvan7 mei 2010,waarbijbelanghebbende metbetrekking totde verklaring inhetgelijk is gesteld,heeftde Inspecteur op 1 oktober 2010 alsnog eenverklaring als hiervoor bedoeld verstrekt,waarbijde voordelendie belanghebbende inhetjaar 2009 heeft genotenuitdoor haar verrichte werkzaamhedenzijnaangemerktals winstuitonderneming.Inde thans bestreden(nadere) uitspraak heefthetHofbelanghebbendes verzoek om schadevergoeding afgewezenop de grond datnietaannemelijk is datbelanghebbende schade heeftgeledenals gevolg vande omstandigheid datde hiervoor bedoelde verklaring pas op 1 oktober 2010 is afgegeven. Hiertegenrichtenzichde middelen.
Geschil
2.2.1.MiddelIIentendele middelIIIbetogen– kortgezegd – dathetHofbelanghebbende niethad mogenbelastenmetde stelplichten
de bewijslastmetbetrekking totschade die zijzegtte hebbengeleden.Daartoe wordtbetoogd datop grond vanhetciviele recht, waarbijde wetgever blijkens de totstandkomingsgeschiedenis vanartikel8:73,lid 1,Awb zoveelmogelijk heeftwillenaansluiten,hetHof zelfstandig de omvang vande schade had moetenbegrotendanwelhad moetenschatten,althans datde Inspecteur had moeten wordenbelastmethetbewijs datbelanghebbende geenschade heeftgeleden.De middelenwijzeninditverband onder meer op artikel 6:97 vanhetBurgerlijk Wetboek enartikel150 vanhetWetboek vanBurgerlijke Rechtsvordering.
Rechtsoverwegingen
2.2.2.Uitde geschiedenis vande totstandkoming vanartikel8:73,lid 1,Awb volgtdatnaar de bedoeling vande wetgever de
bestuursrechter bijde beantwoording vande vraag ofop grond vangenoemde bepaling aanspraak op schadevergoeding bestaat,de criteria toepastdie de burgerlijke rechter hanteertbijde afdoening vangeschillenover onrechtmatige overheidsdaad (KamerstukkenII 1992/93,22 495,nr.6,p.55-56).De door de wetgever beoogde aansluiting bijhetcivielrechtelijke schadevergoedingsrechtgaatechter nietzover datde bestuursrechter moetafwijkenvande inhetbestuursrechtinhetalgemeengeldende regels omtrentstelplichten bewijslast(zie HandelingenIIUCV 1992/93,14 juni 1993,p.15-16).Bovendienbrengthetbepaalde inartikel6:97 vanhetBurgerlijk Wetboek nietmee datde rechter bijde beoordeling ofer grond is voor hettoekennenvanschadevergoeding de overigens gebruikelijke regels vanstelplichtenbewijslastbuitentoepassing moetlaten(zie HR5 juni 2009,nr.08/00762,ECLI:NL:HR:2009:BH5410,NJ 2009/257).Geletop hetvorenstaande heefthetHofzonder schending vaneenrechtsregelbelanghebbende kunnenbelastenmetde stelplichtende bewijslastinzake de door haar gestelde schade.MiddelIIeninzoverre middelIIIfalenderhalve. 2.3.MiddelIenmiddelIIIvoor hetoverige kunnenevenmintotcassatie leiden.Ditbehoeft,gezienartikel81,lid 1,vande Wetop de rechterlijke organisatie,geennadere motivering,nudie middeleninzoverre nietnopentotbeantwoording vanrechtsvrageninhetbelang vande rechtseenheid ofde rechtsontwikkeling.
(Volgtongegrondverklaring.)
Commentaar
Inart.8:73 Awb was – tot1 juli 2013 – voor de rechter de mogelijkheid opgenomenom eenschadevergoeding toe te kennen.Sinds die
datum is deze mogelijkheid inart.8:88 Awb neergelegd.Op grond vanhetovergangsrecht(Stb.2013,50,art.V) moetvoor

belastingzakenechter nog steeds gebruik wordengemaaktvanhetinmiddels vervallenart.8:73 Awb.Zakenover de vennootschapsbelasting zijnuitgezonderd,daarvoor geldtwelde nieuwe regeling vanart.8:88 Awb.
Bijde invoering vanartikel8:73 Awb heeftde wetgever ervoor gekozenom de criteria die de civiele rechter hanteertvoor de afdoening vanonrechtmatige overheidsdadenook bijde schadevergoeding vanart.8:73 Awb vantoepassing te latenzijn.Die criteria zijn:(i) onrechtmatig besluit/handeling,(ii) toerekenbaar aanbestuursorgaan,(iii) relativiteit,(iv) causaliteit,(v) schade,(vi) eigenschuld en(vii) verjaring.
Voor hetbepalenvande omvang vande schade kaninciviele zakengebruik wordengemaaktvanart.6:97 BW.Ditartikelbiedtde rechter de mogelijkheid de schade te begrotenals deze nietnauwkeurig kanwordenvastgesteld.De belastingplichtige indeze zaak had hetprobleem datniettotnauwelijks konwordenvastgesteld watzijnschade was door de afgifte vande onjuiste VAR.Hijtrachtte dit manco op te lossendoor te wijzenop deze civielrechtelijke mogelijkheid.Daar gaande fiscale rechters echter nietinmee.
De Hoge Raad overwoog dat,hoewelaangeslotenwordtbijde criteria vande civiele schadevergoeding wegens eenonrechtmatige overheidsdaad,die aansluiting nietzo ver gaatdatook de bestuursrechtelijke regels omtrentstelplichtenbewijslastanders komente liggen.De belastingplichtige moetderhalve stellenenbewijzendatschade is geleden.Daarinis de belastingplichtige nietgeslaagd, zodathetverzoek om schadevergoeding wordtafgewezen.
[1]Mr.M.H.W.N.Lammers is advocaatbijJaeger advocaten-belastingkundigente Amsterdam.
Bron:http://www.ndfr.nl/link/NTFR2015-1103 Datum:28-4-2016 11:33:27
Alle rechten voorbehouden. Alle auteursrechten en databankrechten van deze tekst worden uitdrukkelijk voorbehouden. Deze rechten berusten bij Sdu Uitgevers. Niets uit NDFRmag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand ofopenbaar gemaakt in enige vorm ofop enige wijze, hetzij elektronisch,mechanisch, door fotokopieën, opnamen ofenige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
All rights reserved. No part ofthis publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without the publisher’s prior consent.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op