Beroep tegen fictieve weigering vijf maanden na ingebrekestelling is niet onredelijk laat

  

Beroep tegen fictieve weigering vijf maanden na ingebrekestelling is niet onredelijk laat

Datum: 19-12-2014
Auteur(s): I.R.J. Thijssen

Bekijk PDF





NTFR2015/391 Beroep tegen fictieve weigering vijfmaanden na ingebrekestelling is nietonredelijk laat
Hoge Raad19december2014,nr.14/00414
2012Brondocument Awb-art. 6:12
mr. I.R.J. Thijssen
Belastingjaar/tijdvak Wetsartikelen Auteur
ECLI
ECLI:NL:HR:2014:3607
Samenvatting
Aanbelanghebbende zijnVPB-aanslagen1997,2002 en2003 opgelegd metdagtekening respectievelijk 30 maart2004,23
september 2006 en24 maart2007.Hiertegenheeftbelanghebbende bezwaar aangetekend op respectievelijk 13 april2004,26 oktober 2006 en12 april2007.Bijbriefvan22 november 2011 heeftbelanghebbende de inspecteur ingebreke gesteld metbetrekking tothetdoenvanuitsprakenop bezwaar.Daarna is nog correspondentie gevoerd tussenbelanghebbende ende inspecteur.Op 16 april 2012 heeftbelanghebbende beroep ingesteld tegende ‘fictieve weigering’.HofArnhem-Leeuwarden(NTFR2014/440) oordeelde dat, nubelanghebbende na november 2011 vijfmaandenheeftgewachtmethetinstellenvanberoep tegenhetniettijdig beslissenop de bezwaarschriften,hetonredelijk laatis ingediend endaarom,geletop art.6:12 Awb,niet-ontvankelijk moetwordenverklaard.Die beslissing houdtincassatie echter geenstand.Uithetdossier blijktnamelijk dathettijdsverloop vanvijfmaandenverband houdtmetde discussie tussenpartijenover de vraag ofde inspecteur toerekenbaar inverzuim was eninverband daarmee over de geldigheid vande ingebrekestelling.Aangeziende ingebrekestelling eenvoorwaarde is voor hetkunneninstellenvanberoep kannietwordengezegd dat inditgevalmethettijdsverloop na de ingebrekestelling eenonredelijke verlenging is gegevenaande tijd die belanghebbende heeft genomenom beroep inte stellen.
Na verwijzing moetwordenbeoordeeld hetdoor de inspecteur ingenomenstandpuntdatgeletop de tijd die belanghebbende na het verstrijkenvande wettelijke beslistermijnheeftlatenverlopenalvorens de inspecteur ingebreke te stellen,hetberoepschriftonredelijk laatis ingediend.
(Cassatieberoep gegrond.)
Feiten
2.1.Incassatie kanvanhetvolgende wordenuitgegaan.
2.1.1.Aanbelanghebbende zijnvoor de jaren1997,2002 en2003 aanslageninde vennootschapsbelasting opgelegd,berekend naar belastbare bedragenvanrespectievelijk f 1.327.794,€ 786.113 en€ 1.017.770 (hierna:de aanslagen).De aanslagenzijngedagtekend onderscheidenlijk 30 maart2004,23 september 2006 en24 maart2007.
2.1.2.Belanghebbende heefttegende aanslagenbezwaarschrifteningediend op respectievelijk 13 april2004,26 oktober 2006 en12 april2007.
2.1.3.Bijbriefvan29 augustus 2011 heeft(de gemachtigde van) belanghebbende de Inspecteur onder meer hetvolgende geschreven: ‘Ik stelvastdatde Inspecteur ingebreke is methetdoenvanuitsprakenop bezwaar.Geziende lange duur vande behandeling in bezwaar achtbelanghebbende zichvrijom eenberoep wegens fictieve weigering tothetdoenvaneenuitspraak op bezwaar inte dienen.’
2.1.4.Bijbriefvan7 oktober 2011,gerichtaande Inspecteur,heeftbelanghebbende onder meer hethiervoor in2.1.3 vermelde betoog herhaald.
2.1.5.Op 22 november 2011 heeftbelanghebbende metbetrekking totde aanslagenwederom eenbriefaande Inspecteur geschreven ,welke briefonder meer inhoudt:
‘Aleerder heb ik ugeschrevenendaarbijgewezenop de lange duur vande behandeling vande bezwaarschriften(…) Tenaanzienvan de (…) aanslagenheeftcliënte de Inspecteur alingebreke gesteld.Indienbinnentwee wekenna hedengeenuitspraak op bezwaar is gedaan(metinachtneming vanalle procedurele regels) zaleenberoepschriftwegens fictieve weigering tothetdoenvaneenuitspraak op bezwaar onder oplegging vaneendwangsom wordeningediend.’
2.1.6.Op deze briefheeftde Inspecteur bijbriefvan25 november 2011 gereageerd.Deze briefvermeldtonder meer:
‘Graag verneem ik vanuofinderdaad bedoeld is de inspecteur ingebreke te stellen.Indiendathetgevalis,zalik daarop binnengerede termijnenconform de voorgeschrevenregels reageren.’
2.1.7.Bijbriefvan29 november 2011 aande Inspecteur heeftbelanghebbende bevestigd datzijde Inspecteur ingebreke heeftwillen stellen.
2.1.8.Bijbriefvan8 december 2011 aanbelanghebbende heeftde Inspecteur zichop hetstandpuntgesteld datde ingebrekestelling nietredelijk is omdatzijns inziens hetaanhoudenvande beslissingenop de bezwaarschriftenwegens gedragingenvan belanghebbende gerechtvaardigd was.Volgens de Inspecteur voldoetde ingebrekestelling daarom nietaande te stelleneisen.Op die grond heefthijvervolgens hetuitkerenvaneendwangsom geweigerd.
2.1.9.Bijbriefvan15 februari 2012 heeftbelanghebbende bezwaar gemaakttegenlaatstvermelde beslissing.Zijbestreed daarbijdat hetaanhaar lag datnog geenuitspraak op de bezwaarschriftenwas gedaan;volgens haar was dataande Inspecteur te wijten. 2.1.10.Bijuitspraak van6 maart2012 heeftde Inspecteur hetbezwaar tegende inzijnbriefvan8 december 2011 vervatte beschikking wegens overschrijding vande bezwaartermijnvanzes wekenniet-ontvankelijk verklaard.
2.1.11.Bijop 13 april2012 gedagtekend,bijde Rechtbank op 16 april2012 ingekomen,beroepschriftheeftbelanghebbende beroep ingesteld tegenhetniettijdig beslissenop de bezwaarschriftentegende aanslagen.

Geschil
2.2.1.Voor hetHofwas,voor zover incassatie vanbelang,ingeschilofhethiervoor in2.1.11 vermelde beroep ontvankelijk was.
2.2.2.HetHofheeftoverwogendatbelanghebbende na november 2011 ongeveer vijfmaandenheeftgewachtmethetinstellenvan beroep tegenhetniettijdig beslissenop de bezwaarschriften.Ter zitting vanhetHofheeftbelanghebbende desgevraagd geen verklaring kunnengevenvoor de omstandigheid dateerstongeveer vijfmaandenna de ingebrekestelling hetberoep door haar is ingediend,althans geenverklaring die eendergelijk lange termijnrechtvaardigt,aldus hetHof.HetHofheeftvoorts geoordeeld datde omstandigheid datna de ingebrekestelling van22 november 2011 nog correspondentie plaatsvond tussenbelanghebbende ende Inspecteur over de toepassing vande dwangsomregeling als bedoeld inartikel4:17 enartikel4:18 vande Awb,inditverband niet relevantis.Eenenander inaanmerking nemend (waaronder de omstandigheid datbelanghebbende werd bijgestaandoor een professionele rechtsbijstandverlener),heefthetHofgeoordeeld dathetberoep vanbelanghebbende bijde Rechtbank inzake hetniet tijdig beslissenop bezwaar niet-ontvankelijk moetwordenverklaard,omdathetonredelijk laatis ingediend als bedoeld inartikel6:12,lid 4,vande Awb.
Rechtsoverwegingen
2.3.Hetmiddelrichtzichtegen’s Hofs oordelenmetonder meer de klachtdathetHofheeftmiskend datinde periode tussende
ingebrekestelling van22 november 2011 ende indiening vanhetberoepschriftvan13 april2012 tussenbelanghebbende ende Inspecteur eencorrespondentie is gevoerd metaande zijde vanbelanghebbende de bedoeling de Inspecteur ertoe te bewegenalsnog te beslissenop de bezwaarschriften.Tenonrechte,aldus hetmiddel,heefthetHofdie correspondentie getypeerd als eenvoor de toepassing vanartikel6:12,lid 4,vande Awb nietrelevante correspondentie over de toepassing vande dwangsomregeling als bedoeld inde artikelen4:17 en4:18 vande Awb.
2.4.Hetmiddelslaagtinzoverre.De stukkenvanhetgeding latengeenandere conclusie toe dandathettijdsverloop tussende hiervoor inonderdeel2.1.5 vermelde briefvan22 november 2011 ende indiening vanhetberoepschriftverband houdtmetde discussie tussen partijenover de vraag ofde Inspecteur toerekenbaar inverzuim was eninverband daarmee over de geldigheid vande ingebrekestelling.Aangezieningevolge artikel6:12,lid 2,vande Awb de ingebrekestelling eenvoorwaarde is voor hetkunneninstellen vanberoep (zie voor hettoepasselijke overgangsrechtHR12 juli 2013,nr.12/02259,ECLI:NL:HR:2013:21,BNB 2013/237 (red.:NTFR 2013/1553)) kannietwordengezegd datinditgevalmethettijdsverloop na de ingebrekestelling eenonredelijke verlenging is gegeven aande tijd die belanghebbende heeftgenomenom beroep inte stellen.
2.5.Geletop hethiervoor in2.4 overwogene kan’s Hofs uitspraak nietinstand blijven.Hetmiddelbehoeftvoor hetoverige geen behandeling.Verwijzing moetvolgenvoor beoordeling vanhetdoor de Inspecteur voor hetHofingenomenstandpuntdatgeletop de tijd die belanghebbende na hetverstrijkenvande wettelijke beslistermijnheeftlatenverlopenalvorens de Inspecteur ingebreke te stellen, hetberoepschriftonredelijk laatis ingediend.
Commentaar
Op 1 oktober 2009 is de ‘Wetdwangsom enberoep bijniettijdig beslissen’ inwerking getreden.Sindsdienis hetvoor een
belanghebbende pas mogelijk om tegenhetuitblijvenvaneenbeslissing op bezwaar inberoep te gaanals twee wekenzijnverstreken nadathijde inspecteur schriftelijk ingebreke heeftgesteld (art.6:12,lid 2,onder b,Awb).Beroep tegenhetuitblijvenvaneenbeslissing op bezwaar is – tenzijhetonredelijk laatis ingediend – verder nietaaneentermijngebonden(art.6:12,lid 1 en3,Awb).Inhet onderhavige gevalheeftbelanghebbende zijnbezwaarschrifteningediend inde jaren2004,2006 en2007 enstelthijde inspecteur pas bijbriefvan22 november 2011 ingebreke.Vervolgens dientbelanghebbende vijfmaandenná de ingebrekestelling eenberoepschriftin bijde rechtbank vanwege hetuitblijvenvaneenbeslissing op bezwaar.
HofArnhem-Leeuwarden(10 december 2013,NTFR2014/440) oordeelde dathetberoep bijde rechtbank onredelijk laatwas ingediend gezienhettijdsverloop vanvijfmaandentusseningebrekestelling enhetinstellenvanberoep.De Hoge Raad overweegt echter datdittijdverloop verband houdtmeteendiscussie tussenpartijenover de rechtsgeldigheid vande ingebrekestelling.Aangezien de ingebrekestelling sinds de inwerkingtreding vande ‘Wetdwangsom enberoep bijniettijdig beslissen’ eenvoorwaarde is voor het kunneninstellenvanberoep (voor hettoepasselijke overgangsrechtwordtverwezennaar HR12 juli 2013,NTFR2013/1553),is de Hoge Raad vanoordeeldatnietkan‘wordengezegd datinditgevalmethettijdsverloop na de ingebrekestelling eenonredelijke verlenging is gegevenaande tijd die belanghebbende heeftgenomenom beroep inte stellen’.
Maar daarmee heeftbelanghebbende de ontvankelijkheidsdrempelwatbetrefthetberoep tegenhetniettijdig doenvanuitspraak op bezwaar nog nietgenomen.Ditomdatde Hoge Raad vervolgens hetverwijzingshofopdraagtom te oordelenover de vraag of– gezien de termijndie is gelegentussenhetverlopenvande beslistermijnvande inde jaren2004,2006 en2007 ingediende bezwaarschriften ende ingebrekestelling in2011 – hetberoepschriftwellichttóchonredelijk laatdoor belanghebbende is ingediend.Aangezienuitde uitspraak vanHofArnhem-Leeuwardenis afte leidendatde inspecteur op 29 oktober 2013 alsnog heeftbeslistop de onderhavige bezwaarschriften(waartegentijdig beroep is ingesteld),lijkthetbelang vande verwijzingsprocedure beperkttoteendwangsom eneen proceskostenvergoeding.
[1]Igor Thijssenis verbondenaanKanPiek Fiscale Advocatuur te Amsterdam
Bron:http://www.ndfr.nl/link/NTFR2015-391 Datum:14-4-2016 15:09:00
Alle rechten voorbehouden. Alle auteursrechten en databankrechten van deze tekst worden uitdrukkelijk voorbehouden. Deze rechten berusten bij Sdu Uitgevers. Niets uit NDFRmag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand ofopenbaar gemaakt in enige vorm ofop enige wijze, hetzij elektronisch,mechanisch, door fotokopieën, opnamen ofenige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
All rights reserved. No part ofthis publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without the publisher’s prior consent.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op