Bestaat voor naheffing geen grond, dan is de daarmee samenhangende boetebeschikking onrechtmatig

  

Bestaat voor naheffing geen grond, dan is de daarmee samenhangende boetebeschikking onrechtmatig

Datum: 13-08-2010
Auteur(s): I.R.J. Thijssen

Bekijk PDF





NTFR2010/2012 Bestaatvoor naheffing geen grond,dan is de daarmee samenhangende boetebeschikking onrechtmatig
Hoge Raad13augustus2010,nr.09/00020
Belastingjaar/tijdvak Wetsartikelen
Auteur LJN
ECLI
2005Brondocument Awb-art. 7:15
AWR-art. 20 AWR-art. 27m WBRV-art. 17 AWR-art. 67c Awb-art. 8:75
mr. I.R.J. Thijssen BN3849
ECLI:NL:HR:2010:BN3849
Samenvatting
Belanghebbende heefttijdig aangifte gedaanvande loon- enomzetbelasting over hetderde kwartaalvan2005.De verschuldigde
bedragenheeftzijeind oktober 2005 inéénbedrag overgemaakt.De ontvanger heefteendeelvanhetbedrag geboektals betaling van de loonbelasting (€ 2.297).Op 24 november 2005 is eennaheffingsaanslag omzetbelasting van€ 1.187 opgelegd alsmede eenboete. Op 1 december 2005 is hetresterende deelvanheteind oktober 2005 overgemaakte bedrag (€ 1.187) alsnog gekoppeld aande aangifte omzetbelasting over hetderde kwartaalvan2005.Op dezelfde dag zijnde naheffingsaanslag ende boetebeschikking vernietigd.HofAmsterdam (NTFR2010/856) heeftinverband metde gevraagde vergoeding vande bezwaarkostengeoordeeld datde boete nietonrechtmatig was.Volgens de Hoge Raad bestond voor naheffing geengrond,nubelanghebbende eind oktober 2005 de door haar afte dragenomzetbelasting van€ 1.187 had betaald.Voor hetopleggenvaneenboete ontbreektdaneveneens de grondslag,zodatde boetebeschikking onrechtmatig was.Om die redenheeftbelanghebbende rechtop eenvergoeding vande bezwaarkosten.
Feiten
3.1.Incassatie kanvanhetvolgende wordenuitgegaan.
3.1.1.Belanghebbende heefttijdig aangifte gedaanvande omzetbelasting die zijmoestvoldoenover hetderde kwartaalvan2005 en vande loonbelasting die zijmoestafdragenover datzelfde kwartaal.De volgens de aangiftenverschuldigde bedragenvan€ 1.187 onderscheidenlijk € 2.297 heeftzijinéénbedrag van
€ 3.484 overgemaaktnaar de rekening vande belastingdienst,onder vermelding van: `- 002 e 2297
– 003 e 1187'.
Ditbedrag is op 31 oktober 2005 door de belastingdienstontvangen.
3.1.2.De ontvanger heeftvanhetdoor belanghebbende overgemaakte bedrag eendeeltenbedrage van€ 2.297 geboektals betaling vanhetvolgens de vorenvermelde aangifte voor de loonbelasting verschuldigde bedrag.
3.1.3.Bijde bestredennaheffingsaanslag,gedagtekend 24 november 2005,heeftde Inspecteur belanghebbende een naheffingsaanslag inde omzetbelasting over hetderde kwartaalvan2005 opgelegd voor eenbedrag van€ 1.187,alsmede eenboete van€ 118.
3.1.4.Op 1 december 2005 heeftde belastingdiensthetontvangenbedrag van€ 1.187 alsnog gekoppeld aande aangifte omzetbelasting over hetderde kwartaalvan2005 enhetbedrag op de aangifte afgeboekt.Op dezelfde dag zijnde naheffingsaanslag ende boetebeschikking bij`Kennisgeving Omzetbelasting Vermindering’ vernietigd.Metdagtekening 16 december 2005 is deze kennisgeving aanbelanghebbende verzonden.
Geschil
Ingeschilis onder meer ofbelanghebbende rechtheeftop vergoeding vande kostenvanbezwaar.
Rechtsoverwegingen
3.2.1.HetHofheeftgeoordeeld dat,geletop alle feitenenomstandigheden,inhunonderlinge verband bezien,belanghebbende de over
hetderde kwartaalvan2005 verschuldigde omzetbelasting nietheeftbetaald inde zinvanartikel20 vande Algemene wetinzake rijksbelastingen(hierna:de AWR),zodatde bestredennaheffingsaanslag rechtsgeldig is opgelegd.
3.2.2.Voorts heefthetHofinverband metde gevraagde vergoeding vande kostenvanbezwaar geoordeeld datde boetebeschikking nietonrechtmatig was.
3.3.1.De klachtenbestrijdenonder meer hethiervoor in3.2.2 vermelde oordeel.De klachtenslageninzoverre.Uithetgeenhiervoor in 3.1.1 is vermeld,volgtdatbelanghebbende – door haar overmaking op 31 oktober 2005 vanhetbedrag van€ 3.484 – de door haar over hetderde kwartaalvan2005 afte dragenomzetbelasting tenbedrage van€ 1.187 had betaald.Voor naheffing vanlaatstvermeld bedrag bestond dus inbeginselgeengrond.De naheffing konevenminrechtvaardiging vindeninde omstandigheid datsprake zouzijn vaneenterugbetaling die nietbuitende wilvanbelanghebbende geschiedde,reeds om de redendattentijde vanhetopleggenvande naheffingsaanslag nietwas terugbetaald.Uithetvorenstaande volgtdatvoor hetopleggenvaneenboete op de voetvanartikel67c van de AWReveneens de grondslag ontbrak endatde boetebeschikking derhalve onrechtmatig was.

3.3.2.Voorts betogende klachtendathetHoftenonrechte de Inspecteur nietheeftveroordeeld inde proceskostenvan belanghebbende aangaande de beantwoording vanhetincidentele hoger beroep.Ook deze klachtenslagen.Proceshandelingen aangaande hetincidentele hoger beroep dienenop eenzelfde wijze te wordenbehandeld als proceshandelingenaangaande hethoger beroep (vgl.HR20 november 2009,nr.08/03520,LJNBJ5042,BNB 2010/16).
(Volgtvernieting vande uitsprakenvanhethof,de rechtbank ende inspecteur,alsmede vande naheffingsaanslag.)
Commentaar
Zie mijncommentaar bijHR13 augustus 2010,nr.09/00018,NTFR2010/2011.
[1]Mr.I.R.J.Thijssenis advocaatbijJaeger advocaten-belastingkundigente Amsterdam.
Bron:http://www.ndfr.nl/link/NTFR2010-2012 Datum:11-4-2016 15:51:48
Alle rechten voorbehouden. Alle auteursrechten en databankrechten van deze tekst worden uitdrukkelijk voorbehouden. Deze rechten berusten bij Sdu Uitgevers. Niets uit NDFRmag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand ofopenbaar gemaakt in enige vorm ofop enige wijze, hetzij elektronisch,mechanisch, door fotokopieën, opnamen ofenige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
All rights reserved. No part ofthis publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without the publisher’s prior consent.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op