Bij uitspraak op bezwaar na 1 juli 2011 is informatiebeschikking vereist voor omkering; ingebrekestelling kan niet elk gewenst moment plaatsvinden

  

Bij uitspraak op bezwaar na 1 juli 2011 is informatiebeschikking vereist voor omkering; ingebrekestelling kan niet elk gewenst moment plaatsvinden

Datum: 13-11-2015
Auteur(s): I.R.J. Thijssen

Bekijk PDF





NTFR2015/3250 Bijuitspraak op bezwaar na 1 juli2011 is informatiebeschikking vereistvoor omkering; ingebrekestelling kan nietelk gewenstmomentplaatsvinden
Hoge Raad13november2015,nr.14/01722
Brondocument Aanverwanteliteratuur
Belastingjaar/tijdvak Wetsartikelen
2003-2008
Awb-art. 4.17 Awb-art. 8:73 AWR-art. 27e AWR-art. 47 AWR-art. 52a AWR-art. 25
Auteur BNB
ECLI
mr. I.R.J. Thijssen 2016/19
ECLI:NL:HR:2015:3293
Samenvatting
Inhetkader vanhetprojectBank Zonder Naam zijnaanbelanghebbende navorderingsaanslagenenboetes opgelegd.De
bezwaarschriftenzijningediend inde periode tussen24 februari 2009 (IB 2003) en15 april2011 (IB 2008).Bijbriefvan23 november 2011 is de inspecteur ingebreke gesteld voor de afdoening vande bezwaarschriften.De uitsprakenop bezwaar zijngedaanna 1 juli 2011 endaarbijis hetverzoek om dwangsom afgewezen.HofArnhem-Leeuwarden18 februari 2014,(NTFR2014/1309) heeftvanwege schending vanart.47 AWRde bewijslastomgekeerd.Volgens de Hoge Raad is ditnietjuist.Bijuitsprakenop bezwaar gedaanná 1 juli 2011 is immers eeninformatiebeschikking vereistvoor omkering.De inspecteur dientdus volgens de normale bewijsregels de correcties aannemelijk te maken.Ook hetuitgangspuntvanhethofdateeningebrekestelling op elk gewenstmomentkanplaatsvinden, achtde Hoge Raad nietjuist.Ingevolge art.4:17,lid 6,Awb dienteenbestuursorgaanimmers nietonredelijk laatingebreke te worden gesteld.Verder heefthethofer bijzijnoordeelover de vergoeding vanimmateriële schade tenonrechte geenrekening mee gehouden datbijsamenhangende zakenhettijdstip vanheteerste bezwaarschriftals uitgangspuntheeftte gelden.
(Volgtvernietiging enverwijzing.)
Feiten
2.1.De bestredennavorderingsaanslagen,aanslagen,ende daarbijgenomenbeschikkingenhoudenverband methetzogenoemde
projectBank Zonder Naam.
2.1.1.Belanghebbende heeftsteeds ontkend houder te zijnvan(een) buitenlandse bankrekening(en) die volgens de Inspecteur (mede) op zijnnaam stondenengeweigerd informatie te verstrekkenwaarom de Inspecteur op de voetvanartikel47 AWRheeftverzocht. 2.1.2.Bijhetberekenenvande jaarlijkse groei vanhetsaldo vanvoormelde bankrekening(en) is de Inspecteur uitgegaanvaneen enkelvoudig percentage van23,5.
2.1.3.Voor de onderhavige procedures heeftde Inspecteur bezwaarschriftenontvangenop 24 februari 2009 (IB/PVV 2003),25 september 2009 (IB/PVV 2005),1 oktober 2009 (IB/PVV 2006),23 december 2009 (IB/PVV 2007),24 december 2009 (IB/PVV 2004) en15 april2011 (IB/PVV 2008).
2.1.4.Belanghebbende heeftde Inspecteur invoormelde procedures bijbriefvan23 november 2011 op de voetvanartikel4:17 Awb in gebreke gesteld metbetrekking totde afdoening vande bezwaarschriften.De Inspecteur heeftop 8 februari 2012 uitspraak op bezwaar gedaanendaarbijtevens hetverzoek om eendwangsom afgewezen.
2.1.5.Tegende afwijzing vanvoormeld verzoek heeftbelanghebbende bezwaar gemaakt,datde Inspecteur bijuitspraak op bezwaar op 23 april2012 ongegrond heeftverklaard op de grond datbelanghebbende hem onredelijk laatingebreke heeftgesteld.
Geschil
2.2.HetHofheeftgeoordeeld datde navorderingsaanslagenende daarinbegrepenboetenvan100 percentmoetenworden
verminderd.Voorts heefthetHofgeoordeeld datbelanghebbende steeds heeftontkend engeweigerd de gevraagde informatie te verstrekken,waardoor de schending vanartikel47 AWRreeds voorafgaande aanhetopleggenvande navorderingsaanslagenis voltooid enomkering enverzwaring vande bewijslastinde bezwaarfase dus vaststaat.Daarinbrengtartikel52a AWRgeen verandering omdatde Inspecteur nochinde bezwaarfase,nochna de datum vaninwerkingtreding vanartikel52a AWR(1 juli 2011) belanghebbende opnieuwheeftgevraagd inlichtingente verstrekken,aldus nog steeds hetHof.Tegendeze oordelenrichtenzichde door belanghebbende voorgestelde middelenItotenmetV.
2.3.HetHofheefttevens geoordeeld datde Inspecteur nietaannemelijk heeftgemaaktdathetin2.1.2 genoemde percentage van23,5 redelijk is.Voorts heefthetHofgeoordeeld datbelanghebbende metbetrekking totde navorderingsaanslagenIB/PVV over de jaren 2004,2006 en2007 de Inspecteur nietonredelijk laatingebreke heeftgesteld,zodatde Inspecteur voor elk vandie jarende maximale dwangsom van€ 1260 heeftverbeurd.Tegendeze oordelenrichtenzichde door de Staatssecretaris voorgestelde middelen.
Rechtsoverwegingen
3.Beoordelingvandedoorbelanghebbendevoorgesteldemiddelen
3.1.MiddelIIbetoogtdathetHofhetnemo tenetur-beginselheeftgeschonden.Hetmiddelfaaltop de grondendie zijnopgenomeninhet
arrestvande Hoge Raad van29 mei 2015,nr.14/00584,ECLI:NL:HR:2015:1359,V-N2015/28.7 (red.NTFR2015/1807).

3.2.MiddelV betoogtdatde bewijslastniethad mogenwordenomgekeerd enverzwaard zonder hetnemenvaneen informatiebeschikking inde bezwaarfase.
De uitsprakenop bezwaar zijngedaanna 1 juli 2011.Hetmiddelslaagtop de grondendie zijnvermeld inhetarrestvande Hoge Raad van2 oktober 2015,nr.14/02335,ECLI:NL:HR:2015:2795,V-N2015/50.4 (red.NTFR2015/2709).
3.3.De middelenI,IIIenIV kunnenniettotcassatie leiden.Ditbehoeft,gezienartikel81,lid 1,vande Wetop de rechterlijke organisatie, geennadere motivering,nudie middelennietnopentotbeantwoording vanrechtsvrageninhetbelang vande rechtseenheid ofde rechtsontwikkeling.
3.4.1.MiddelVIbetoogtdathetHofbijzijnoordeelover de vergoeding vanimmateriële schade wegens overschrijding vande redelijke termijnalle onderhavige zaken(nrs.14/01701,14/01722,14/01723,14/01744,14/01747,14/01748,14/01750,14/01751 en14/01949) heeftaangemerktals samenhangende zaken,maar er daarbijgeenrekening mee heeftgehoudendatter bepaling vande mate van overschrijding,moetwordengerekend vanafhettijdstip vanindiening vanheteerstaangewende rechtsmiddel.
3.4.2.Blijkens de gedingstukkenis heteerste bezwaarschriftineensamenhangende zaak ontvangenop 29 januari 2008.HetHofis echter bijde berekening vande overschrijding uitgegaanvande aanvangsdatum 24 februari 2009.Hetmiddelslaagtderhalve.
4.BeoordelingvandedoordeStaatssecretarisvoorgesteldemiddelen
4.1.Middel1 komtop tegen’s Hofs oordeelomtrentde redelijkheid vande schatting vande verzwegeninkomsten.Bijdatoordeelis het
Hofervanuitgegaandatde bewijslastop grond vanartikel27e AWRwas omgekeerd enverzwaard.Uithetgeenhiervoor inonderdeel 3.2 is overwogenvolgtdatbelanghebbende dituitgangspuntmetsucces bestrijdt.Daarmee ontvaltook de grond aanhethier bestreden oordeelwaartoe die bewijslastverdeling indatgevalvolgens hetHofzoumoetenleiden.Hetmiddelfaaltderhalve.
4.2.Hettweede middelkomtmeteenrechtsklachteneenmotiveringsklachtop tegen’s Hofs beslissing datbelanghebbende de Inspecteur nietonredelijk laatingebreke heeftgesteld.
HetHofheeftaanzijnbeslissing tothetverbeurenvandwangsommentengrondslag gelegd dateenbelanghebbende inbeginselop elk door hem gewenstmomenteenberoep kandoenop de dwangsombepaling.Datoordeelis onjuist.Ingevolge artikel4:17,lid 6,letter a, Awb is geendwangsom verschuldigd indienhetbestuursorgaanonredelijk laatingebreke is gesteld.De vraag ofdaarvansprake is moetwordenbeantwoord aande hand vande omstandighedenvanhetgeval.Daarbijkanonder meer vanbelang zijnofhetuitblijven vaneeningebrekestelling verband hield metbijzondere omstandigheden,zoals bijvoorbeeld eenlopend overleg tussende aanvrager en hetbestuursorgaan.’s Hofs uitgangspuntdateeningebrekestelling inbeginselop elk gewenstmomentkanplaatsvindenis daarmee in strijd.Hetmiddelslaagtderhalve.
5.Slotsom
5.1.Geletop hetgeenhiervoor is geoordeeld inde onderdelen3.2,3.4.2 en4.2 kan’s Hofs uitspraak nietinstand blijven.Verwijzing
moetvolgen.
5.2.De uitsprakenop bezwaar zijngedaanna 1 juli 2011.Aangeziententijde vanhetdoenvandie uitsprakengeen informatiebeschikking als bedoeld inartikel52a AWRwas genomen,dienthetHofna verwijzing uitte gaanvande regels voor bewijslastverdeling zonder toepassing vanomkering enverzwaring vande bewijslastwegens schending vanartikel47,lid 1,letter a, AWR.
Voorts verdientopmerking dat,ingevalna verwijzing zouwordenbeslistdateendwangsom is verbeurd op de voetvanartikel4:17 Awb, onderzochtmoetwordeninhoeverre sprake is vansamenhangende zaken(vgl.HR29 mei 2015,nr.14/05515,ECLI:NL:HR:2015:1352, BNB 2015/164 (red.NTFR2015/1699)).
(Volgtvernietiging enverwijzing.)
Commentaar
Zie mijncommentaar bijHR13 november 2015,nr.14/01701,NTFR2015/3248.
[1]Igor Thijssenis verbondenaanJaeger advocaten-belastingkundigente Amsterdam
Bron:http://www.ndfr.nl/link/NTFR2015-3250 Datum:15-4-2016 11:13:21
Alle rechten voorbehouden. Alle auteursrechten en databankrechten van deze tekst worden uitdrukkelijk voorbehouden. Deze rechten berusten bij Sdu Uitgevers. Niets uit NDFRmag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand ofopenbaar gemaakt in enige vorm ofop enige wijze, hetzij elektronisch,mechanisch, door fotokopieën, opnamen ofenige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
All rights reserved. No part ofthis publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without the publisher’s prior consent.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op