Brief Belastingdienst over verwerkingswijze betaling en vermelding van de nog verschuldigde invorderingsrente is een beschikking in de zin van art. 1:3 Awb

  

Brief Belastingdienst over verwerkingswijze betaling en vermelding van de nog verschuldigde invorderingsrente is een beschikking in de zin van art. 1:3 Awb

Gepubliceerd in: FED 201871
Datum: 08-12-2017
Auteur(s): M.H.W.N. Lammers

Bekijk PDF

FED 2018/49 HR 08-12-2017, ECLI:NL:HR:2017:3084, m.nt. mw. mr. M.H.W.N. Lammers InstantieHoge RaadDatum8 december 2017MagistratenMrs. R.J. Koopman, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van DoorenZaaknummer17/00447Nootmw. mr. M.H.W.N. LammersVakgebied(en)Fiscaal procesrecht / BeroepsfaseFiscaal procesrecht (V)Fiscaal bestuursrecht / AlgemeenInvordering / Invorderingsrente en betalingskortingBrondocumentenECLI:NL:HR:2017:3084, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑12‑2017Beroepschrift, Hoge Raad, 31‑08‑2017ECLI:NL:PHR:2017:908, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 31‑08‑2017WetingangArt. 30 Invorderingswet; art. 1:3, 8:113 AwbBrief Belastingdienst over verwerkingswijze betaling en vermelding van de nog verschuldigde invorderingsrente is eenbeschikking in de zin van art. 1:3 AwbBelanghebbende heeft de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2012, de boetebeschikkingbij deze navorderingaanslag en de beschikking heffingsrente in termijnen betaald. Na elke betaling ontving debelanghebbende een brief van de ontvanger van de Belastingdienst met daarin opgenomen op welke wijze de betaling wasverwerkt (afboeking heffingsrente, invorderingsrente, inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en boete) en welkbedrag nog aan invorderingsrente is verschuldigd. De belanghebbende is het niet eens met de wijze waarop de ontvangervan de Belastingdienst de verschuldigde invorderingsrente heeft berekend en zoekt een ingang om daartegen op te komen.Belanghebbende heeft die ingang gezocht in een brief van 14 augustus 2013 van de Belastingdienst. Bij de rechtbank enhet gerechtshof was primair in geschil of de ontvanger een of meer beschikkingen in de zin van art. 30 lid 1 Invorderingswetheeft afgegeven waartegen rechtsmiddelen openstaan. De rechtbank is van oordeel dat de ontvanger van deBelastingdienst meerdere van dit soort beschikkingen heeft afgegeven. Het gerechtshof daarentegen is van oordeel dat decorrespondentie van de ontvanger van de Belastingdienst niet kwalificeert als beschikkingen in de zin van art. 30 lid 1Invorderingswet. De Hoge Raad oordeelt, in navolging van A-G Wattel, dat indien de ontvanger aan de belanghebbende, naeen betaling op een belastingaanslag, een schriftelijke kennisgeving stuurt waarin is vermeld welk bedrag van die betalingaan invorderingsrente is toegerekend, die kennisgeving een beschikking is in de zin van art. 1:3 Awb en dus ook in de zinvan art. 30 lid 1 Invorderingswet 1990. De Hoge Raad verwijst de zaak naar Hof ’s-Hertogenbosch voor de verderebehandeling van het geschil. In dat kader geeft de Hoge Raad ook een aantal uitgangspunten/handreikingen waarmee in deverwijzingsprocedure rekening moet worden gehouden. Het verwijzingshof moet er, aldus het oordeel van de Hoge Raad, inde verwijzingsprocedure van uitgaan dat de bezwaarschriften van belanghebbende met toepassing van art. 6:11 Awb tijdigzijn ingediend. Verder stelt de Hoge Raad vast dat de ontvanger op één bezwaarschrift nog moet beslissen en bepaalt deLink: http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00CFCC55&cpid=WKNL-LTR-Nav2Alle (auteurs-)rechten op dit document berusten bij Wolters Kluwer Nederland B.V. of haar licentiegevers en worden uitdrukkelijkvoorbehouden. Dit document is gegenereerd op 17-04-2018. Kijk voor meer informatie over de diensten van Wolters Kluwer opwww.wolterskluwer.nl Pagina 1/6

Hoge Raad onder toepassing van art. 8:113 lid 2 Awb dat tegen die uitspraak alleen beroep kan worden ingesteld bij hetverwijzingshof (judiciële lus). Dit zorgt ervoor dat de zaken efficiënt worden afgewikkeld. Ook oordeelt de Hoge Raad nogdat geen sprake is van onverschuldigde betaling van invorderingsrente omdat de beschikking daarvan, op grond van dewet, pas na de verwerking van de betaling wordt geformaliseerd. Tot slot verwerpt de Hoge Raad het beroep vanbelanghebbende op toepassing van art. 3:40 Awb omdat dit artikel op grond van art. 1 lid 2 Invorderingswet niet vantoepassing is.2.1.In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.2.1.1.Ter zake van een met dagtekening 1 juli 2005 opgelegde navorderingsaanslag, een daarbij gegeven boetebeschikking eneen daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente heeft de Ontvanger belanghebbende bij brief van 8 juli 2010 uitstelvan betaling verleend met de mededeling dat bij betaling na afloop van de enige dan wel laatste betaaltermijn renteverschuldigd is.2.1.2.Belanghebbende heeft in gedeelten betaald. Een betaling van € 25.000 heeft de Ontvanger op 17 april 2012 ontvangen.Daarop heeft belanghebbende een acceptgirokaart van de Ontvanger gekregen waarop zonder specificatie een openstaandbedrag van € 19.977 is vermeld. De acceptgirokaart bevat geen verwijzing naar een rechtsmiddel. Bij brief van 19 mei 2012heeft belanghebbende de Ontvanger laten weten dat volgens hem nog slechts € 14.881 moest worden betaald.De Ontvanger heeft belanghebbende bij brief van 6 juli 2012 (hierna: de brief van 6 juli 2012) bericht, voor zover thans vanbelang:“Uw betaling ad €25.000,00 is op 17 april 2012 door de Belastingdienst ontvangen en is als volgt afgeboekt:Belasting/boete/heffingsrente € 19.891,00Kosten € 13,00Invorderingsrente € 5.096,00 periode 02-08-2005 tot 17 april 2012Zoals op het aanslagbiljet en ook de aan u toegezonden uitstelbeschikking staat is er na afloop van de enige of laatstebetalingstermijn van een aanslag rente verschuldigd. Het maakt daarbij niet uit of uitstel van betaling is verkregen.”2.1.3.De Inspecteur heeft in augustus 2012 ambtshalve de navorderingsaanslag verminderd en de boetebeschikking vernietigd.2.1.4.Tussen oktober 2012 en mei 2013 heeft de Ontvanger belanghebbende verschillende acceptgirokaarten toegezondenwaarop telkens zonder specificatie een nog openstaand bedrag was vermeld. Ook deze acceptgirokaarten bevatten geenrechtsmiddelverwijzing. Bij brief van 18 februari 2013 heeft de Ontvanger aan belanghebbende een overzicht toegezondenvan de verwerking van de door belanghebbende gedane betalingen. Bij brief van 6 maart 2013 heeft belanghebbende latenweten dat de wijze waarop zijn betalingen waren toegerekend naar zijn inzicht meebracht dat er in december 2012 geensprake meer kon zijn van een restant invorderingsrente, en dat hem teveel invorderingsrente in rekening is gebracht. Bijbrief van 24 mei 2013, met opschrift ‘Aanvraag tot het geven van een beschikking ex. artikel 4:1 Awb’ heeft belanghebbendede Ontvanger bericht dat hij € 6730 exclusief ‘vergoedingsrente’ per direct als onverschuldigd betaald terugvorderde.2.1.5.Bij brief van 14 augustus 2013 heeft de Ontvanger wederom een overzicht gegeven van de wijze waarop de doorbelanghebbende gedane betalingen waren verwerkt, met vermelding van de invorderingsrente die na verwerking van elkebetaling verschuldigd was.2.1.6.Bij brief van 26 augustus 2013 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de, door hem als een beschikkingLink: http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00CFCC55&cpid=WKNL-LTR-Nav2Alle (auteurs-)rechten op dit document berusten bij Wolters Kluwer Nederland B.V. of haar licentiegevers en worden uitdrukkelijkvoorbehouden. Dit document is gegenereerd op 17-04-2018. Kijk voor meer informatie over de diensten van Wolters Kluwer opwww.wolterskluwer.nl Pagina 2/6

aangemerkte, brief van 14 augustus 2013.Bij brief van 17 september 2013 heeft de Ontvanger belanghebbende laten weten dat de brief van 14 augustus 2013 geenvoor bezwaar vatbare beschikking is en dat belanghebbendes brief van 26 augustus 2013 niet als bezwaarschrift kanworden beschouwd.2.1.7.Tegen deze beslissing van de Ontvanger heeft belanghebbende beroep ingesteld. Hij vordert terugbetaling van een bedragdat hij bij brief van 18 augustus 2014 nader heeft berekend op € 7056.2.2.1.Bij de Rechtbank en bij het Hof was primair in geschil of de Ontvanger een of meer beschikkingen als bedoeld in artikel 30,lid 1, Invorderingswet 1990 (hierna: Inv. 1990) heeft gegeven waartegen rechtsmiddelen openstaan.2.2.2.De Rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord. Zij heeft de brief van 6 juli 2012 als een voor bezwaar vatbarebeschikking aangemerkt, de hiervoor in onderdeel 2.1.4 genoemde brief van belanghebbende gedateerd 6 maart 2013 alseen tegen die beschikking gericht bezwaar, de hiervoor in onderdeel 2.1.5 genoemde brief van 14 augustus 2013 als eenuitspraak op het bezwaar, en de hiervoor in onderdeel 2.1.6 genoemde brief als een beroepschrift.Na gegrondverklaring van het beroep heeft de Rechtbank bepaald dat de Ontvanger € 14 invorderingsrente aanbelanghebbende moet terugbetalen.2.2.3.Het Hof daarentegen heeft de in 2.2.1 genoemde vraag ontkennend beantwoord. Daartoe overwoog het Hof dat partijenzich in hoger beroep eensluidend op het standpunt hebben gesteld dat de brief van 6 juli 2012 geen beschikking vormtwaartegen een rechtsmiddel kan worden aangewend. Het Hof heeft partijen hierin gevolgd omdat naar zijn oordeel niet iskomen vast te staan dat zij zich op een juridisch onjuist uitgangspunt hebben gesteld. Daarnaast heeft het Hof vastgestelddat de door de Ontvanger aan belanghebbende gezonden acceptgirokaarten niet voldoen aan de vereisten die ingevolgeartikel 30, lid 1, Inv. 1990 voor een beschikking gelden, en dat het bedrag van de verschuldigde invorderingsrente evenminop andere wijze schriftelijk aan belanghebbende kenbaar is gemaakt. De Rechtbank had het beroep van belanghebbendedaarom niet-ontvankelijk moeten verklaren, aldus het Hof.2.3.1.Het tegen deze oordelen van het Hof gerichte tweede cassatiemiddel treft doel.2.3.2.In artikel 30, lid 1, Inv. 1990 is bepaald dat de ontvanger het bedrag van de invorderingsrente vaststelt bij voor bezwaarvatbare beschikking. Of sprake is van een beschikking, moet worden beoordeeld aan de hand van de definitie daarvan inartikel 1:3 Awb.2.3.3.Indien een ontvanger aan de belanghebbende, na een betaling op een belastingaanslag, een schriftelijke kennisgevingzendt waarin is vermeld welk bedrag van die betaling aan invorderingsrente is toegerekend, is dat een beschikking alsbedoeld in artikel 1:3 Awb en daarmee ook in de zin van artikel 30 , lid 1, Inv. 1990 (vgl. HR 13 maart 1991,ECLI:NL:HR:1991:ZC4539, BNB 1991/147). Met de toezending van deze beschikking is het bedrag van deinvorderingsrente ‘op andere wijze schriftelijk kenbaar gemaakt’ in de zin van artikel 30, lid 1 (slotzin), Inv. 1990.2.3.4.Uit de uitspraak van het Hof blijkt dat de Ontvanger een aantal malen – in elk geval op 6 juli 2012 en 14 augustus 2013 –schriftelijke overzichten aan belanghebbende heeft verstrekt waarmee hij heeft bekendgemaakt welke bedragen aaninvorderingsrente zijn afgeboekt op door belanghebbende verrichte betalingen. Al deze brieven zijn evenzovelebeschikkingen in de zin van artikel 30 Inv. 1990 waartegen bezwaar en beroep openstaan.2.3.5.Voor zover het oordeel van het Hof inhoudt dat de brief van de Ontvanger van 6 juli 2012 geen beschikking is in de zin vanartikel 30, lid 1, Inv. 1990, berust het dus op een onjuiste rechtsopvatting.2.4.Het slagen van het tweede middel brengt mee dat het derde middel geen behandeling behoeft.Het eerste en het vierde middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op deLink: http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00CFCC55&cpid=WKNL-LTR-Nav2Alle (auteurs-)rechten op dit document berusten bij Wolters Kluwer Nederland B.V. of haar licentiegevers en worden uitdrukkelijkvoorbehouden. Dit document is gegenereerd op 17-04-2018. Kijk voor meer informatie over de diensten van Wolters Kluwer opwww.wolterskluwer.nl Pagina 3/6

rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in hetbelang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.2.5.1.De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven en verwijzing moet volgen voor een behandeling van het doorbelanghebbende ingestelde hoger beroep in volle omvang, met inachtneming van dit arrest.2.5.2.Met het oog op de procedure na verwijzing verdient voorts opmerking dat de Ontvanger voor het Hof terecht niet isopgekomen tegen het oordeel van de Rechtbank dat, ervan uitgaande dat de brief van 6 juli 2012 is aan te merken als eenvoor bezwaar vatbare beschikking, de overschrijding van de voor het maken van bezwaar geldende termijn in dit gevalverschoonbaar is. De Rechtbank heeft hieraan kennelijk en terecht ten grondslag gelegd dat het op de weg van eenbestuursorgaan ligt duidelijkheid te verschaffen over de tegen zijn besluit openstaande rechtsmiddelen en dat de gevolgenvan het verzuim deze duidelijkheid te verschaffen in beginsel niet voor rekening van de belanghebbende mogen wordengelaten. In geval van een dergelijk verzuim zal een niet‑ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding achterwegemoeten blijven tenzij aannemelijk is dat de belanghebbende op andere wijze van de termijn op de hoogte was geraakt (zieHR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7954, BNB 2010/240). Aangezien in het hier bedoelde oordeel van de Rechtbankbesloten ligt dat het laatste niet aannemelijk is, zal het verwijzingshof ervan moeten uitgaan dat het bezwaar tegen dehiervoor bij 2.3.4 bedoelde beschikkingen die zijn gedagtekend vóór 6 maart 2013 niet wegens termijnoverschrijdingniet‑ontvankelijk mag worden verklaard, gelet op het bepaalde in artikel 6:11 Awb.2.5.3.Daarbij verdient opmerking dat artikel 30, lid 2, Inv. 1990 bepaalt dat Hoofdstuk V AWR van overeenkomstige toepassing isop (onder meer) het bezwaar en beroep tegen een beschikking inzake invorderingsrente als bedoeld in het eerste lid.Hoofdstuk V AWR bevat met betrekking tot de bezwaar- en beroepsfase enkele bepalingen die afwijken van de algemeneregels over bezwaar en beroep in Hoofdstuk 6 Awb. Voor het overige zijn die algemene regels wel van toepassing op hetbezwaar en beroep als bedoeld in dat Hoofdstuk V. Aangenomen moet worden dat de verwijzing in artikel 30, lid 2, Inv.1990 naar de bijzondere bepalingen van Hoofdstuk V AWR tevens meebrengt dat die overige, daarvan niet afwijkende,algemene bepalingen over bezwaar en beroep in Hoofdstuk 6 Awb van overeenkomstige toepassing zijn, dus ook debepaling van artikel 6:11. In zoverre vormt dit een uitzondering op het bepaalde in artikel 1, lid 2, Inv. 1990. Een andereopvatting zou ertoe leiden dat de wettelijke regeling op dit punt een aanzienlijke leemte zou vertonen.2.5.4.Voor zover in de brief van de Ontvanger van 14 augustus 2013 bedragen aan invorderingsrente zijn vermeld die niet warenvermeld in een van de als beschikking aan te merken brieven van vóór 6 maart 2013, is die brief als beschikking aan temerken en moet het geschrift waarbij belanghebbende beroep tegen deze brief heeft ingesteld, mede als bezwaarschrifttegen die beschikking worden aangemerkt. De Ontvanger zal daarop alsnog uitspraak moeten doen. Uit overwegingen vanproceseconomie zal de Hoge Raad met overeenkomstige toepassing van artikel 8:113, lid 2, Awb bepalen dat beroepdaartegen slechts kan worden ingesteld bij het verwijzingshof.2.5.5.Met het oog op de procedure na verwijzing merkt de Hoge Raad verder nog het volgende op. In het onderhavige geval heeftde Ontvanger aan belanghebbende uitstel van betaling voor een belastingaanslag verleend en is de betalingstermijn voordie aanslag overschreden. Het bepaalde in artikel 28 Inv. 1990 brengt mee dat belanghebbende invorderingsrenteverschuldigd is. Op grond van artikel 7, lid 1, Inv. 1990 moet een na afloop van deze termijn verrichte betaling op denavorderingsaanslag eerst worden toegerekend aan die rente en pas daarna aan die belastingaanslag. De Ontvanger heeftdaarom terecht een deel van de betaling van € 25.000 toegerekend aan de verschuldigd geworden invorderingsrente.In geval van toerekening van de betaling op een belastingaanslag aan (materieel) verschuldigde invorderingsrente, kan nietworden gezegd dat die rente onverschuldigd is betaald, ook al is zij ten tijde van de betaling nog niet door de ontvanger bijbeschikking vastgesteld. Die formalisering door middel van de bekendmaking van een voor bezwaar vatbare beschikkingkan pas plaatsvinden nadat een betaling is gedaan die met toepassing van artikel 7, lid 1, Inv. 1990 geheel of gedeeltelijk istoe te rekenen aan invorderingsrente. De beschikking heeft slechts tot gevolg dat de belanghebbende een rechtsinganggeboden wordt.Het beroep van belanghebbende op artikel 3:40 Awb faalt, reeds omdat dit artikel op grond van artikel 1, lid 2, Inv. 1990 nietvan toepassing is.De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.Link: http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00CFCC55&cpid=WKNL-LTR-Nav2Alle (auteurs-)rechten op dit document berusten bij Wolters Kluwer Nederland B.V. of haar licentiegevers en worden uitdrukkelijkvoorbehouden. Dit document is gegenereerd op 17-04-2018. Kijk voor meer informatie over de diensten van Wolters Kluwer opwww.wolterskluwer.nl Pagina 4/6

De Hoge Raad:verklaart het beroep in cassatie gegrond,vernietigt de uitspraak van het Hof,verwijst het geding naar Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak metinachtneming van dit arrest ,verstaat dat de Ontvanger alsnog uitspraak zal doen op het hiervoor in 2.5.4 bedoelde bezwaarschrift,bepaalt dat beroep tegen de uitspraak op dat bezwaarschrift uitsluitend bij het verwijzingshof kan worden ingesteld, engelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling vanhet beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 124.Auteur: mw. mr. M.H.W.N. LammersHet in rekening brengen van rente door de Belastingdienst zorgt al geruime tijd voor de nodige reuring. De Belastingdienstbrengt belastingrente (tot 1 januari 2013 heffingsrente geheten) in rekening als de (voorlopige) aanslag door toedoen van debelastingplichtige te lang op zich heeft laten wachten. Zit er vertraging aan de zijde van de Belastingdienst bij het vaststellenvan een negatieve aanslag (een teruggaaf dus) dan moet de Belastingdienst rente vergoeden aan de belastingplichtige.‘Leuker kunnen we het niet maken, makkelijker wel’ zou je zeggen. Maar niets is minder waar.Belastingrente is een vergoeding van gemiste rente. Deze rente wordt berekend over het bedrag dat een belastingplichtigeaan belasting moet betalen. Naast deze belastingrente kennen we ook invorderingsrente. Invorderingsrente is eveneenseen vergoeding van gemiste rente, maar dan omdat een belastingaanslag niet op tijd is betaald. Een belastingplichtigebetaalt invorderingsrente als na de (enige of) laatste betaaltermijn nog een bedrag moet worden betaald op de aanslag (art.28 lid 1 Invorderingswet 1990). Ook als een belastingplichtige uitstel van betaling geniet voor het op de aanslag te betalenbedrag, loopt de tikker van de invorderingsrente gewoon door. De belastingplichtige ontvangt invorderingsrente als deBelastingdienst een uit te betalen bedrag niet betaalt binnen zes weken na de dagtekening van de daartoe strekkendebelastingaanslag (art. 28a Invorderingswet 1990) of een verzoek om uitstel van betaling van het op de aanslag te betalenbedrag is afgewezen en later wordt dit bedrag verminderd of herzien tot een lager bedrag (art. 28b Invorderingswet 1990).Art. 30 lid 1 AWR bepaalt dat de ontvanger van de Belastingdienst het bedrag van de invorderingsrente bij voor bezwaarvatbare beschikking vaststelt. Wat dan de voor bezwaar vatbare beschikking is, wordt in feite in dit artikel ook al benoemd:het afschrift van de uitspraak of de kennisgeving waarmee de vermindering wordt bekendgemaakt of een op andere wijzeschriftelijk kenbaar gemaakt. Vooral dit laatste onderdeel biedt niet heel veel duidelijkheid. Wat moet worden verstaan onder‘op andere wijze schriftelijk kenbaar maken’?In het verleden (13 maart 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4539, FED 1991/291) heeft de Hoge Raad al laten zien dat op dit punteen ruime uitleg van het begrip beschikking wordt gehanteerd. In deze zaak oordeelde de Hoge Raad dat een acceptgiro(met bijbehorend strookje) kan worden aangemerkt als een beschikking in de zin van art. 30 lid 1 Invorderingswet. Dat gafde betreffende belastingplichtige de mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden tegen de acceptgiro. Een beschikkingis niet dus alleen een beschikking als het woord ‘beschikking’ erop staat vermeld. Veel belangrijker is de bedoeling die deontvanger heeft gehad met het geschrift.Deze ruimte uitleg van het begrip beschikking staat de Hoge Raad ook thans nog voor ogen. In het onderhavige arrestoordeelde de Hoge Raad dat het geschrift, in de praktijk meestal een mededeling geheten, dat de ontvanger verstuurt na deverwerking van een betaling, op welk geschrift ook is vermeld welk deel van die betaling is benut voor de voldoening van deinvorderingsrente, kwalificeert als een beschikking in de zin van art. 1:3 Awb. Daarmee zet de Hoge Raad de in 1991ingezette lijn door. Hetgeen ook zorgt voor rechtsbescherming bij de belastingplichtige. Immers door dit oordeel krijgt debelastingplichtige een rechtsingang om op te komen tegen de hoogte van de (in rekening gebrachte) invorderingsrente.Omdat het gerechtshof deze lijn van de Hoge Raad niet heeft gevolgd, moet de zaak worden verwezen voor de verderebehandeling van de zaak. Dat noopt mij ertoe om in deze aantekening enige terughoudendheid te betrachten. Of deBelastingdienst de verschuldigde invorderingsrente correct heeft berekend, zal ik dan ook in het midden laten. Wel wil ik nogaandacht bestreden aan twee aanwijzingen die de Hoge Raad geeft voor de behandeling van de zaak in deverwijzingsprocedure.In de eerste plaats geeft de Hoge Raad aan dat het verwijzingshof ervan uit moet gaan dat alle bezwaarschriften tegen de,wat we nu weten, beschikkingen van de ontvanger van de Belastingdienst als ontvankelijk moeten worden aangemerkt.Daarbij maakt de Hoge Raad gebruik van art. 6:11 Awb waarin is bepaald dat niet-ontvankelijkheid achterwege blijft alssprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Zo’n situatie doet zich in deze zaak voor, aldus de Hoge Raad,omdat de ontvanger van de Belastingdienst in gebreke is gebleven om duidelijk te maken of en zo ja welke rechtsmiddelenopenstaan tegen zijn beslissingen. Daarbij behandelt de Hoge Raad ook direct de vraag of bij de onderhavigeLink: http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00CFCC55&cpid=WKNL-LTR-Nav2Alle (auteurs-)rechten op dit document berusten bij Wolters Kluwer Nederland B.V. of haar licentiegevers en worden uitdrukkelijkvoorbehouden. Dit document is gegenereerd op 17-04-2018. Kijk voor meer informatie over de diensten van Wolters Kluwer opwww.wolterskluwer.nl Pagina 5/6

beschikkingen eigenlijk wel een beroep kan worden gedaan op de toepassing van art. 6:11 Awb. Dat is namelijk nietzonneklaar. De onderhavige beschikking vindt zijn grondslag in de Invorderingswet. In art. 1 Invorderingswet is explicietvermeld dat de hoofdstukken 6 en 7 Awb niet van toepassing zijn op besluiten die zijn genomen op basis van deInvorderingswet. Aangezien art. 6:11 Awb in hoofdstuk 6 Awb is opgenomen, zou je zeggen één en één is twee, eenbelastingplichtige kan geen beroep doen op de toepassing van dit artikel. Ook op dit punt verbetert de Hoge Raad derechtsbescherming, namelijk door met een ‘omweg’ art. 6:11 Awb alsnog van toepassing te verklaren. Die omweg is alsvolgt. Lid 2 van artikel 30 Invorderingswet bepaalt dat op het bezwaar, beroep, hoger beroep of beroep in cassatie deprocesregels uit hoofdstuk V AWR van toepassing zijn. Hoofdstuk V AWR bevat lex specialis bepalingen ten opzichte vande algemene bepalingen uit de Awb. Dat brengt de Hoge Raad ertoe om tot het oordeel te komen dat als de lex specialis-bepalingen in acht moeten worden genomen ook de algemene bepalingen uit de Awb kennelijk van toepassing zijn.Daarmee zorgt de Hoge Raad ervoor dat één en één toch twee is en een belastingplichtige kan profiteren van derechtsbescherming die art. 6:11 Awb biedt.In de tweede plaats maakt de Hoge Raad gebruik van de judiciële lus (art. 8:113 lid 2 Awb). Deze judiciële lus is betrekkelijknieuw (sinds 1 januari 2013 in de Awb opgenomen) en biedt de mogelijkheid om te bepalen dat als het bestuursorgaan eennieuw besluit neemt, slechts bij het gerechtshof beroep tegen dat nieuwe besluit kan worden ingesteld. Voordeel van dejudiciële lus is dat in feite sprake is van een sprongberoep en partijen eerder duidelijkheid krijgen c.q. hebben over deuiteindelijke afloop van de procedure. Bijkomend voordeel in de onderhavige procedures is ook dat de procedures zo goedals mogelijk bij elkaar worden gehouden. Vanwege de schakelbepaling van art. 29 AWR kan de Hoge Raad ook van dezejudiciële lus gebruik maken, in die zin dat de Hoge Raad kan bepalen dat de zaak aan het gerechtshof moet wordenvoorgelegd. Omdat de Hoge Raad zelf niet over de feiten oordeelt, past het niet in het stramien om te bepalen dat eeneventueel beroep direct bij de Hoge Raad wordt neergelegd. Daarmee zou de rechtsbescherming van de belastingplichtigeafnemen in plaats van toenemen.Link: http://deeplinking.kluwer.nl/?param=00CFCC55&cpid=WKNL-LTR-Nav2Alle (auteurs-)rechten op dit document berusten bij Wolters Kluwer Nederland B.V. of haar licentiegevers en worden uitdrukkelijkvoorbehouden. Dit document is gegenereerd op 17-04-2018. Kijk voor meer informatie over de diensten van Wolters Kluwer opwww.wolterskluwer.nl Pagina 6/6



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op

Jaeger maakt gebruik van cookies

Wij plaatsen cookies om uw ervaring op de website te verbeteren. De cookies die vereist zijn om de website te gebruiken zijn wettelijk toegestaan. Voor de andere cookies kunt u hieronder toestemming geven.

meer informatie