BZN-project: hof legt onjuiste toets aan voor beoordeling voortvarendheid

  

BZN-project: hof legt onjuiste toets aan voor beoordeling voortvarendheid

Datum: 13-11-2015
Auteur(s): I.R.J. Thijssen

Bekijk PDF





NTFR2015/3248 BZN-project: hoflegtonjuiste toets aan voor beoordeling voortvarendheid
Hoge Raad13november2015,nr.14/01701
Brondocument Aanverwanteliteratuur
Belastingjaar/tijdvak Wetsartikelen Auteur
BNB
ECLI
1995-1996 AWR-art. 16
mr. I.R.J. Thijssen 2016/18
ECLI:NL:HR:2015:3289
Samenvatting
Inhetkader vanhetprojectBank Zonder Naam zijnmettoepassing vande verlengde navorderingstermijnindecember 2007 aan
belanghebbende navorderingsaanslagenIB 1995 enVB 1996 opgelegd.De FIOD had de desbetreffende startinformatie infebruari 2005 ontvangenvande Belgische autoriteiten.Na identificatie vande rekeninghouders heeftde FIOD inmaart2006 de gegevens overgedragenaande Belastingdienst.HofArnhem-Leeuwardenheeftbijuitspraak van18 februari 2014,nrs.13/00372,13/00385, 13/00389 en13/00401,NTFR2014/1308 de navorderingsaanslagenvernietigd omdatinde zogenoemde onderzoeksperiode tussen februari 2005 enmaart2006 door de inspecteur ende FIOD nietvoortvarend was gehandeld.Hethofheeftdaarbijgrote betekenis toegekend aanhetfeitdatslechts éénEDP-medewerker eengedeelte vanzijnwerktijd aanhetonderzoek heeftbesteed.Ook zou volgens hethofhetonderzoek maar enkele maandenhebbenhoevenduren.De Hoge Raad heeftinzijnarrestvan28 maart2014,nr. 13/03554,NTFR2014/1047 ineensoortgelijke zaak geoordeeld dateendergelijk oordeelonbegrijpelijk is.Volgens de Hoge Raad had hethoftenminste uiteenmoetenzettenwaarom vande Belastingdiensteenandere organisatie vande te verrichtenwerkzaamheden konwordenverlangd.Verder had de inspecteur de aard enomvang vande onderzoekswerkzaamhedengeschetst,zodathethof onvoldoende had gemotiveerd waarom deze werkzaamhedenmaar enkele maandenzoudenhoevenduren.Onder verwijzing naar dit arrestvan28 maart2014 vernietigtde Hoge Raad de onderhavige hofuitspraak enverwijstde zaak.
Feiten
2.1.De bestredennavorderingsaanslagen,verhogingenenbeschikkingeninzake heffingsrente houdenverband methetzogenoemde
projectBank Zonder Naam.
2.1.1.De Inspecteur heeftbijbriefvan7 maart2007 belanghebbende gevraagd informatie te verstrekkenaangaande eenvolgens de Inspecteur op belanghebbendes naam gestelde inhetbuitenland aangehoudenbankrekening.
2.1.2.Belanghebbende heeftdaarop bijbriefvan13 maart2007 geantwoord dathijnimmer heeftbeschiktover inhetbuitenland aangehoudenbanktegoeden.
2.1.3.Na rappelvan21 maart2007 heeftbelanghebbende bijbriefvan20 april2007 geantwoord dathijaanhetinformatieverzoek geen gehoor kangeven.
2.1.4.Bijbriefvan13 juni 2007 heeftde Inspecteur medegedeeld dathijzich,geletop de ontkenning vanbelanghebbende dathij beschiktover inhetbuitenland aangehoudenbankrekeningen,genoodzaaktzietbijhetopleggenvannavorderingsaanslagenuitte gaan vangeschatte bedragen.
2.1.5.Bijbriefvan22 november 2007 kondigtde Inspecteur aandathijnavorderingsaanslagengaatopleggen.De onderhavige navorderingsaanslagenzijndaarop metdagtekening 28 december 2007 opgelegd.
Geschil
2.2.HetHofheeftgeoordeeld dat,geletop de complexiteitvande zaak,de tijd die gemoeid was metde voor de onderhavige zaak
relevante procedure die toteeneinde is gekomenmethetarrestvan26 februari 2010,nr.43050bis,ECLI:NL:HR:2010:BJ9092,BNB 2010/199 (red.NTFR2010/1006) (Passenheim-vanSchoot),ende proceshouding vanbelanghebbende,de redelijke termijnvoor behandeling vaneenzaak nietis overschredenenhetverzoek om vergoeding vanimmateriële schade daarom moetworden afgewezen.Daarbijis hetHofervanuitgegaandatde termijnis aangevangenmethetindienenvanhetbezwaarschriftvan28 januari 2008,door de Inspecteur ontvangenop 29 januari 2008.Tegenditoordeelrichtzichhetdoor belanghebbende voorgestelde middel. 2.3.HetHofheefttevens geoordeeld datde Inspecteur nietaannemelijk heeftgemaaktdatinde periode tussenfebruari 2005 enmaart 2006 door de Inspecteur enFIOD-ECD voortvarend is gehandeld,zodatde navorderingsaanslagenmoetenwordenvernietigd.Tegen ditoordeelrichtzichhetdoor de Staatssecretaris voorgestelde middel.
Rechtsoverwegingen
3.Beoordelingvanhetdoorbelanghebbendevoorgesteldemiddel
3.1.Hetmiddelfaaltaangezienuit’s Hofs uitspraak blijktdathetHof,anders danhetmiddelbetoogt,bijhetvaststellenvande
begindatum vande zogenoemde redelijke termijnwelis uitgegaanvanheteerstingediende bezwaarschriftvande samenhangende zaken,door de Inspecteur ontvangenop 29 januari 2008.
4.BeoordelingvanhetdoordeStaatssecretarisvoorgesteldemiddel
’s Hofs oordeelomtrenthetontbrekenvande vereiste voortvarendheid komtovereenmethetoordeelvanhetzelfde Hofinde uitspraak
van11 juni 2013,waartegenonder nr.13/03554 beroep incassatie is ingesteld enwaarop de Hoge Raad heeftbeslistinzijnarrestvan 28 maart2014,nr.13/03554,ECLI:NL:HR:2014:689,BNB 2014/137 (red.NTFR2014/1047).Hetmiddelslaagtop de indatarrest

vermelde gronden.
5.Slotsom
Geletop hetgeenhiervoor is geoordeeld inonderdeel4 kan’s Hofs uitspraak nietinstand blijven.Verwijzing moetvolgen.
(Volgtvernietiging enverwijzing.)
Commentaar
Op 13 november 2015 heeftde Hoge Raad eennegentalarrestengewezendie verband houdenmethetzogenoemde projectBank
Zonder Naam.Vandeze negenarrestenkunnendrie clusters vanzakenwordengevormd.Inditnummer vanNTFRzijndaarom drie items opgenomen(metnrs.14/01701 (dititem),14/01744 (NTFR2015/3249) en14/01722 (NTFR2015/3250)).Deze arrestenvertonen inhoudelijk de nodige samenhang,redenom eenaantalaspectengezamenlijk te becommentariëren.Daarnaastspeeltinde betreffende procedures eengrootaantalgeschilpuntenwaarover de Hoge Raad reeds eerder heeftgeoordeeld envolsta ik metverwijzing naar het eerder daarop gegevencommentaar.
1.Geenschendingnemotenetur-beginsel
De Hoge Raad verwijstwatbetreftde door belanghebbende gestelde schending vanhetnemo tenetur-beginselnaar zijneerdere arrest
van29 mei 2015,nr.14/00584,NTFR2015/1807,waarinwerd overwogen:‘Metde regelvanhetarrestSaunders zounietverenigbaar zijndat– zoals belanghebbende stelt– hetnemo tenetur-beginselzichuitstrekttotalle bescheidenwaarvanhetoverhandigenerkenning vanhetbestaanervanimpliceert.Inelke afgedwongenoverhandiging vanbescheidenligtimmers eenzodanige erkenning besloten. Aanvaarding vanhetstandpuntvanbelanghebbende zouderhalve meebrengendathetonderscheid datis gemaaktinhetarrest Saunders zinledig is.Bijbescheidenals de onderhavige,rekeningafschriftenendoor de bank opgestelde portfolio-overzichtendie betrekking hebbenop rekeningenwaarvande belanghebbende reeds als rekeninghouder was geïdentificeerd envanwelke stukkende inspecteur derhalve hetbestaanmag aannemen,staatbuitentwijfeldathetgaatom materiaaldatonafhankelijk vande wilvande betrokkene bestaat(…).’
2.Informatiebeschikking
Inde onderhavige gevallenzijnnavorderingsaanslagenvastgesteld metomkering vande bewijslastvanwege hetfeitdatnietis voldaan
is aande informatieverplichting vanart.47 AWR,terwijlvanaf1 juli 2011 voor eendergelijke omkering eenonherroepelijk vaststaande informatiebeschikking is vereist.Inde drie arrestenHR2 oktober 2015,nr.14/02335,NTFR2015/2709,nr.14/02811,NTFR 2015/2710 ennr.14/06080,NTFR2015/2711,heeftde Hoge Raad onder meer geoordeeld dathetvoor de inspecteur weliswaar mogelijk is om nog inde bezwaarfase eeninformatiebeschikking te nemen,maar datde nieuwe regeling pas vantoepassing is op elke vanaf1 juli 2011 gedane uitspraak op bezwaar.Inde gevallenwaar de afwezigheid vaneenonherroepelijk vaststaande informatiebeschikking nietheeftgeleid totomkering vande bewijslast,achthethofaannemelijk datbelanghebbende nietde vereiste aangifte heeftgedaanom vervolgens alsnog toteenomkering vande bewijslastte komen.
3.Redelijkeschatting
Omdatbelanghebbende steeds heeftontkend houder te zijnvaneenverzwegenBZN-bankrekening,is de inspecteur bijzijnschatting
vanhetsaldo uitgegaanvaneenjaarlijkse groei van23,5%.Datpercentage heeftde inspecteur afgeleid vanhetgemiddelde verloop vansaldi bijandere BZN-rekeninghouders.Over de vraag hoe moetwordenomgegaanmetbelastingplichtigenvanwie,inweerwilvan de ontkenning daarvan,aannemelijk is datzijop enig momenteenrekening bijeenbuitenlandse bank hebbengehad,heeftde Hoge Raad zichuitgelateninHR15 april2011,nr.09/03075,NTFR2011/945 ennr.09/05192,NTFR2011/946.HoeweldateenKBL-zaak betrofvaneen‘weigeraar’,had de inspecteur ook indatgevaldiens verzwegensaldi op modelmatige wijze berekend.De Hoge Raad steltindatarrestvoorop datals algemene maatstafheeftte gelden‘datde modelmatige berekeningenjegens de belanghebbende redelijk endus nietwillekeurig moetenzijn’.Over de modelmatige benadering inde KBL-zaak oordeelde de Hoge Raad onder meer: ‘Hetmodelis op diverse onderdelengebaseerd op gegevens vande meewerkers als vergelijkingsgroep.Datis op zichzelfniet onredelijk jegens de weigeraars;er is onvoldoende aanleiding voor de aanname datbeide groepenvoor zover hier vanbelang wezenlijk vanelkaar verschillen.’
Inde onderhavige BZN-procedure heefthethofgeprobeerd de aangehaalde overweging vande Hoge Raad uitte breidenmethet oordeeldatop de inspecteur tevens de lastzourustenom aannemelijk te maken‘datde situatie vanbelanghebbende nietwezenlijk verschiltvandie vande personeninde door de inspecteur gehanteerde vergelijkingsgroep’.Deze benadering gaatde Hoge Raad (veel) te ver.Als de omkering vande bewijslastmoetwordentoegepast,kanaande door de inspecteur gemaakte schatting slechts de eis wordengesteld datdeze redelijk,nietwillekeurig,is vastgesteld.De inspecteur kanvolstaanmeteenop gemiddelde gegevens gebaseerde schatting tenzijde belanghebbende doetblijkendathijzichineenwezenlijk andere positie heeftbevondendande (andere) achterhaalde rekeninghouders,enhetdoor hem aangehoudentegoed daarom ook niethetzelfde verloop te zienkanhebbengegeven, aldus de Hoge Raad.Ditoordeelis nietverrassend te noemenomdatditde logische consequentie is vanhetdaaraanvoorafgaande oordeeldataannemelijk is dateenbelastingplichtige beschiktover eenverzwegenbuitenlandse bankrekening.
4.Voortvarendheid
De Hoge Raad verwijstwatbetrefthetoordeelvanhethofover hetontbrekenvande vereiste voortvarendheid naar HR28 maart2014,
nr.13/03554,NTFR2014/1047.Indatarrestverwees de Hoge Raad de procedure naar HofDenBosch,dat– gezienzijneerdere uitspraak van19 december 2013,nr.12/00485,NTFR2014/887) – vervolgens op 19 december 2014,nrs.14/00390 en14/00391, NTFR2015/936 methetweinig verrassende oordeelkwam datbijhetproject‘Bank Zonder Naam’ de vereiste voortvarend inachtis genomen.Hoeweltegendit(feitelijke) oordeelvanhetverwijzingshofcassatie is ingesteld,verwachtik nietdatde Hoge Raad daarmee nog watgaatdoen.
5.Redelijketermijnbij samenhangendezaken
UitHR21 maart2014,nr.12/04057,NTFR2014/1048 vielreeds afte leidendatbijsamenhangende zakende datum vanhetindienen
vanheteerstingediende bezwaarschrifthetaanvangstijdstip vormtvoor de berekening vande overschrijding vande redelijke termijn voor de berekening vande immateriële schade (bijsamenhangende zakenéénmaalhettariefvan€ 500 per halfjaar).
6.Ingebrekestelling
Hethofoordeelde datbelanghebbende de inspecteur terechtingebreke had gesteld,enbijgevolg verbeurde de inspecteur de
maximale dwangsom van€ 1.260.Volgens de Hoge Raad lag tenonrechte aandeze beslissing tengrondslag datbelanghebbende in beginselop elk door hem gewenstmomenteenberoep zoukunnendoenop de dwangsombepaling,terwijlingevolge art.4:17,lid 6, letter a,Awb geendwangsom verschuldigd is indienhetbestuursorgaanonredelijk laatingebreke is gesteld.Hetverwijzingshofmoet vervolgens onderzoekenofsprake is vaneenonredelijk late ingebrekestelling.De Hoge Raad laatde invulling vanhetbegrip ‘onredelijk laat’ over aanhetverwijzingshofengeeftslechts aandatdaarbijde (bijzondere) omstandighedenvanhetgevalvanbelang zijn.Omdat

de inspecteur uiteindelijk alsnog uitspraak op bezwaar heeftgedaan,is hetbelang vandeze verwijzingsopdrachtbeperkttothetwelof nietverbeurenvande dwangsom,enzo ja,inhoeverre sprake is vansamenhangende zaken(HR29 mei 2015,nr.14/05515,NTFR 2015/1699).
[1]Igor Thijssenis verbondenaanJaeger advocaten-belastingkundigente Amsterdam
Bron:http://www.ndfr.nl/link/NTFR2015-3248 Datum:15-4-2016 11:08:05
Alle rechten voorbehouden. Alle auteursrechten en databankrechten van deze tekst worden uitdrukkelijk voorbehouden. Deze rechten berusten bij Sdu Uitgevers. Niets uit NDFRmag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand ofopenbaar gemaakt in enige vorm ofop enige wijze, hetzij elektronisch,mechanisch, door fotokopieën, opnamen ofenige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
All rights reserved. No part ofthis publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without the publisher’s prior consent.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op