Celstraf voor oud-staatssecretaris wegens belastingfraude

  

Celstraf voor oud-staatssecretaris wegens belastingfraude

Gepubliceerd in: NLFiscaal
Datum: 29-09-2017
Auteur(s): B.J.G.L. Jaeger

Bekijk PDF

Kijk op NLFiscaal voor online versiePagina 1 van 12NLF 2017/2419
Celstraf voor oud-staatssecretaris wegens belastingfraude
Rechtbank Amsterdam, 29 september 2017, 13/845029-15, ECLI:NL:RBAMS:2017:7068
SAMENVATTING
Voormalig staatssecretaris van Sociale Zaken Linschoten is door Rechtbank Amsterdam veroordeeld
tot vijf maanden gevangenisstraf (waarvan drie maanden voorwaardelijk) voor het doen van onjuiste
aangiften voor de omzetbelasting. De Rechtbank acht bewezen dat Linschoten tussen 2010 en 2012
opzettelijk te lage omzetten van zijn twee bv’s heeft opgegeven aan de Belastingdienst. De straf pakt
zwaarder uit dan eis van het Openbaar Ministerie, dat de Rechtbank eerder vroeg om Linschoten 200
uur werkstraf op te leggen naast een voorwaardelijke celstraf van zes maanden. De Rechtbank oordeelt
echter dat de gevraagde strafmaat geen recht zou doen aan de ernst van het vergrijp. Volgens de
Rechtbank heeft de gewezen politicus de fiscus voor ruim € 100.000 benadeeld. Linschoten voerde
eerder aan ‘slordig’ te zijn geweest, maar dat er geen opzet in het spel was. Hij legde de schuld bij zijn
boekhouder, die hij onvoldoende zou hebben gecontroleerd. De Rechtbank wees er echter op dat de
boekhouder Linschoten heeft gewaarschuwd dat hij onvoldoende gegevens aandroeg voor een juiste
aangifte. Als eigenaar van twee bedrijven was de oud-politicus zelf verantwoordelijk voor het doorgeven
van de juiste cijfers, aldus de Rechtbank.

NOOT
Varen op je adviseur
Blindvaren op je adviseur mag, mits je van zijn of haar deskundigheid mocht uitgaan en je met elkaar
samenwerkt. Aan die samenwerking onttrok Linschoten zich kennelijk. Meest typerend hiervoor
zijn misschien wel de tientallen gesloten enveloppen van de boekhouder die de FIOD aantrof bij een
doorzoeking van zijn huis. De rol van de boekhouder is in dit geval natuurlijk ook dubieus. Aangifte doen
op basis van geschatte bedragen omdat de cliënt niet over de brug komt met de benodigde informatie,
is misschien nog wel ernstiger dan het door Linschoten stelselmatig niet reageren op acties van de
boekhouder.
Voorwaardelijk opzet / controleplicht?
Dat de boekhouder die aangiften niet had moeten indienen is wel duidelijk. Dat dit Linschoten niet
vrijpleit ook. Vraag is wel hoe dit doorwerkt naar het voorwaardelijk opzet. Voor voorwaardelijk opzet is
namelijk vereist dat de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust is aanvaard. Mag je ervan uitgaan dat
de boekhouder geen aangifte doet, als je geen informatie aanlevert? Ik meen van wel. Dit staat in de weg
aan de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans op een onjuiste aangifte. Ik ben het dan ook
niet eens met de Rechtbank dat onder voorwaardelijk opzet mede is begrepen het niet van de juistheid
van de belastingaangiften vergewissen, ‘terwijl hij als ondernemer en feitelijk leidinggever daartoe is
gehouden’. Er bestaat niet zoiets als een algemene controleplicht bij het gerechtvaardigd uitbesteden
van fiscale werkzaamheden. Zolang de ondernemer geen signalen bereiken dat het niet goed gaat, mag
hij ervan uitgaan dat het goed gaat. Linschoten mocht dat niet, gelet op het feit dat de boekhouder
meermaals aan de bel had getrokken.

Pagina 2 van 12Strafmaat
De door de rechter opgelegde straf – zwaarder dan geëist – typeert de almaar toenemende teneur dat
belastingfraude hard moet worden aangepakt. De rechter stelt: ‘Door zijn handelwijze heeft verdachte
het vertrouwen, dat aan de inhoud van belastingaangiftes mag worden ontleend, geschaad. De
strafbaarstelling van belastingontduiking beschermt bovendien niet alleen de gemeenschapsbelangen
die door belastingheffing worden gediend, maar ook de belangen van eerlijke belastingbetalers.
Belastingontduiking kan immers leiden tot verdere verzwaring van de belastingdruk voor alle
Nederlanders. De handelingen van verdachte dragen bovendien bij aan het ondermijnen van de
belastingmoraal. Het onbestraft laten van belastingfraude kan ertoe leiden dat ook het normbesef
vervaagt onder belastingplichtigen die wel aan hun verplichtingen voldoen.’
Linschoten heeft publiekelijk laten weten hoger beroep aan te tekenen. 
Ludwijn Jaeger
Jaeger Advocaten-belastingkundigen

BRON
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen verdachte, geboren
te geboorteplaats op geboortedatum 1956,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres adres, woonplaats.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1
september 2017.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.H.M. Beune en
van wat verdachte en zijn raadslieden mr. G.J.M.E. de Bont en J.M. Sitsen naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is (na correctie van de kennelijke verschrijving wat betreft DOC-20 en DOC-21) ten laste
gelegd dat [naam B.V. 1] en/of [naam B.V. 2] in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 31
oktober 2012 op één of meerdere tijdstip(pen) te Eemnes en/of Breda, althans in Nederland, tezamen en
in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene
aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de
omzetbelasting over de maand(en)
(DOC-20)
januari 2010 en/of februari 2010 en/of maart 2010 en/of april 2010 en/of juni 2010 en/of juli 2010 en/of
augustus 2010 en/of september 2010 en/of oktober 2010 en/of november 2010 en/of december 2010
en/of
(DOC-21)
januari 2011 en/of februari 2011 en/of maart 2011 en/of april 2011 en/of mei 2011 en/of juni 2011 en/of
juli 2011 en/of augustus 2011 en/of september 2011en/of oktober 2011 en/of december 2011 en/of
(DOC-13)
januari 2012 en/of april 2012 en/of juni 2012 en/of juli 2012 en/of september 2012 en/of oktober 2012
(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan, immers heeft/hebben [naam B.V. 1] en/of
[naam B.V. 2] tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk op de/
het bij de Inspecteur der Belastingen of de Belastingdienst (digitaal) ingeleverde aangiftebiljet(ten)

Pagina 3 van 12Omzetbelasting over genoemd(e) tijdvak(ken) (telkens) een te laag, althans onjuist, belastbaar
bedrag en/of bedrag aan belasting opgegeven en/of vermeld, althans doen of laten opgeven en/of
vermelden, terwijl die gedraging(en) er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven aan
welke bovenomschreven feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke
bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven
en/of
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 oktober 2012 op één of meerdere
tijdstip(pen) te Eemnes en/of Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met [naam B.V. 1]
en/of [naam B.V. 2] en/of (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet
voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n)
voor de omzetbelasting over de maand(en)
 
(DOC-20
januari 2010 en/of februari 2010 en/of maart 2010 en/of april 2010 en/of juni 2010 en/of juli 2010 en/of
augustus 2010 en/of september 2010 en/of oktober 2010 en/of november 2010 en/of december 2010
en/of
 
(DOC-21)
januari 2011 en/of februari 2011 en/of maart 2011 en/of april 2011 en/of mei 2011 en/of juni 2011 en/of
juli 2011 en/of augustus 2011 en/of september 2011 en/of oktober 2011 en/of december 2011 en/of
 
(DOC-13)
januari 2012 en/of april 2012 en/of juni 2012 en/of juli 2012 en/of september 2012 en/of oktober 2012
(telkens) onjuist en/of onvolledig heeft/hebben gedaan, immers heeft/hebben [naam B.V. 1] en/of
[naam B.V. 2] tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk op de/
het bij de Inspecteur der Belastingen of de Belastingdienst (digitaal) ingeleverde aangiftebiljet(ten)
Omzetbelasting over genoemd(e) tijdvak(ken) (telkens) een te laag, althans onjuist, belastbaar bedrag
en/of bedrag aan belasting opgegeven en/of vermeld, althans doen of laten opgeven en/of vermelden,
terwijl die gedraging(en) er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven
art. 69 lid 2 Algemene wet inzake rijkbelastingen
art. 51 Wetboek van Strafrecht
art. 47 Wetboek van Strafrecht
 
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de
Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te
zijn gebezigd.
De rechtbank leest het in de zesde regel van ten laste gelegde vermelde “DOC-21” als “DOC-20”, omdat
van een kennelijke misslag sprake is. De rechtbank leest in de tiende regel van het ten laste gelegde
vermelde “DOC-20” als “DOC-21”, omdat tevens van een kennelijke misslag sprake is. De verbetering van
deze misslagen schaadt verdachte niet in zijn verdediging.
3. Voorvragen
3.1.
Geldigheid van de dagvaarding en bevoegdheid van de rechtbank
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.
Er zijn geen redenen tot schorsing van de vervolging.
3.2.

Pagina 4 van 12Ontvankelijkheid van de officier van justitie
De verdediging heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard
in de vervolging gelet op het gerechtvaardigd vertrouwen dat verdachte niet zou worden vervolgd
en omdat de beslissing om toch te vervolgen in strijd is met het beginsel van een redelijke en billijke
belangenafweging.
De verdediging heeft in dit verband aangevoerd dat op basis van correspondentie tussen verdachte en
het Openbaar Ministerie, verdachte verwachtte en mocht verwachten, dat geen strafrechtelijk onderzoek
c.q. vervolging zou worden opgestart als verdachte alles zou doen dat in zijn macht lag om de fiscale
vraagpunten weg te werken. De verdediging heeft daarbij gewezen op briefwisseling tussen de officier
van justitie en verdachte (waaronder Doc 009 en 011). Onder meer volgt daaruit dat tegen de tijd dat tot
daadwerkelijke vervolging werd besloten, bij verdachte sprake was van een ‘compliante houding’.
Verdachte had na het ‘normoverdragende gesprek’ van 8 januari 2014 bovendien een nieuwe
boekhouder aangesteld, dhr. [naam boekhouder] . Verder hield verdachte zich – binnen de bestaande
financiële mogelijkheden – aan de afspraak dat hij vanaf dat moment aan zijn fiscale verplichtingen
zou voldoen en dat er geen nieuwe betalingsverplichtingen zouden ontstaan. Toen de FIOD in 2015
een ‘inval’ pleegde stonden er nog maar vier bedragen open en op dat moment waren de grotere
naheffingen over de voorgaande jaren nog niet opgelegd. De nodige aangiften waren toen alsnog
gedaan en betalingsachterstanden waren ingelopen. Omdat verdachte zijn fiscale positie zodoende
had opgeschoond, mocht hij er gerechtvaardigd op vertrouwen dat het Openbaar Ministerie niet zou
besluiten tot een strafvervolging. Verdachte was nog met het Openbaar Ministerie in gesprek.
De beslissing van het Openbaar Ministerie om toch te vervolgen is daardoor naar de mening van de
verdediging niet opportuun en dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid. Indien een en ander niet tot niet-
ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie leidt, heeft de verdediging verzocht dat de rechtbank in
raadkamer rekening houdt met deze omstandigheden.
De officier van justitie heeft in haar reactie hierop gewezen op de brief van de officier van justitie aan
verdachte waarin uitdrukkelijk is verwoord dat de beslissing op het verzoek om een strafrechtelijk
onderzoek in te stellen wordt aangehouden en dat er geen sprake is van een voorwaardelijk
sepot. Volgens de officier van justitie heeft verdachte er dan ook niet gerechtvaardigd op mogen
vertrouwen dat hij niet alsnog vervolgd zou worden. Daarbij heeft de officier van justitie gewezen
op het proces-verbaal analyse bankrekening (AMB-008), waaruit onder meer blijkt dat de betalingen
richting de belastingdienst op enig moment weer zijn gestaakt, maar de salarissen aan verdachte
en zijn echtgenote gewoon werden doorbetaald. Dit alles heeft uiteindelijk meegewogen in de
vervolgingsbeslissing.
De rechtbank overweegt als volgt. In een brief aan verdachte van 23 januari 2014 (Doc-004), heeft de
officier van justitie, naar aanleiding van het zogeheten normoverdragende gesprek dat op 8 januari 2014
had plaatsgevonden, het volgende geschreven:
 
“Gelet op alle omstandigheden van het geval heb ik u medegedeeld dat de beslissing op het verzoek om
een strafrechtelijk onderzoek in stellen, wordt aangehouden. Zonder daarbij enige toezegging te doen
over de uitkomst van de beslissing heb ik u aangegeven dat bij die beslissing zal worden meegewogen
of u op eigen initiatief en binnen afzienbare tijd – althans op een voor de Belastingdienst acceptabele
termijn – uw fiscale positie opschoont. Nadrukkelijk is vermeld dat dit geen voorwaardelijke
sepotbeslissing is. ”
 
Blijkens een gespreksverslag heeft op 28 januari 2014 een gesprek plaatsgevonden tussen onder
meer verdachte en vertegenwoordigers van de Belastingdienst (Doc-005).1 Tijdens dat gesprek
is behalve over de problemen inzake de te weinig aangegeven en afgedragen omzetbelasting
gesproken over ontijdig betaalde loonheffingen.2 De afspraak is toen gemaakt dat verdachte geen
1De in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt doordaartoe bevoegde opsporingsambtenaren en voldoen aan de daaraan bij de wet gestelde eisen. Verwezen wordt naar dedesbetreffende ordners en pagina’s in de dossiers.2Doc-04 p. 206 e.v.

Pagina 5 van 12betalingsachterstanden meer zal oplopen en verder is benadrukt dat aanslagen tijdig betaald dienen te
worden.
 Uit het dossier blijkt dat verdachte zich niet afdoende aan deze afspraken heeft gehouden.
Uit een brief van de Belastingdienst van 6 oktober 2014 aan de officier van justitie (DOC 010) blijkt
weliswaar dat de aangifte omzetbelasting over de periode januari tot en met juli 2014 tijdig was gedaan,
maar daaruit blijkt ook dat omzetbelasting en loonheffing over de maanden februari tot en met mei
niet tijdig betaald zijn en dat vanaf juni 2014 in het geheel geen verschuldigde loonheffing meer werd
afgedragen.3
Gelet hierop en gelet op hetgeen blijkens de hiervoor genoemde gespreksverslagen tussen de officier
van justitie en de Belastingdienst enerzijds en de verdachte anderzijds besproken en afgesproken is, kon
het Openbaar Ministerie in redelijkheid besluiten om (alsnog) tot vervolging over te gaan. Het Openbaar
Ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging.
Dat zijn financiële mogelijkheden eraan in de weg stonden dat verdachte met al zijn
betalingsverplichtingen bij was toen tot vervolging werd besloten doet aan het voorgaande niet af,
aangezien nergens uit blijkt dat de afspraken tussen het Openbaar Ministerie en verdachte daarvan op
enige wijze afhankelijk waren gemaakt.
4. Waardering van het bewijs
4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier heeft zich, overeenkomstig het door haar op schrift gestelde requisitoir, op het standpunt
gesteld dat de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard. De officier van justitie acht
bewezen dat verdachte opzettelijk zijn voormalig boekhouder onjuiste aangiften heeft laten indienen,
waardoor [naam B.V. 1] en [naam B.V. 2] opzettelijk onjuiste aangifte omzetbelasting hebben gedaan
over de periode januari 2010 t/m oktober 2012 en dat verdachte ten aanzien daarvan kan worden
aangemerkt als feitelijk leidinggever. Immers is over dat tijdvak een te hoog bedrag aan voorbelasting
opgegeven waardoor er te weinig belasting zou worden geheven.
Verdachte is als feitelijk leidinggever aan te merken met betrekking tot het ten laste gelegde, nu hij
formeel bevoegd was om de vennootschappen te vertegenwoordigen en redelijkerwijs gehouden
was maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van de verboden gedragingen en deze
maatregelen achterwege heeft gelaten. Verdachte had als directeur groot aandeelhouder de volledige
zeggenschap over de B.V. ’s en was gelet op zijn wetenschap dat het al sinds vrijwel het begin van zijn
onderneming fout ging met het doen van de belastingen én alle correspondentie met zijn boekhouders,
de Belastingdienst en later ook het Openbaar Ministerie redelijkerwijs gehouden in te grijpen en zorg te
dragen dat zijn boekhouder maandelijks over de juiste documenten kon beschikken. Dat heeft hij niet
gedaan en daarmee heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat onjuiste aangiften zouden
worden ingediend.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich, overeenkomstig de op schrift gestelde pleitnotitie, op het standpunt gesteld
dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. Uit het dossier, noch de
behandeling ter terechtzitting blijkt dat verdachte het opzet heeft gehad op het doen indienen van
de onjuiste aangiftes, ook niet in voorwaardelijke zin. Verdachte heeft immers weinig verstand van
fiscaliteiten en verklaart er ook geen affiniteit mee te hebben. Mevrouw [naam boekhoudster] van
[boekhoudkantoor] verzorgde de boekhouding, waaronder de aangiftes van [naam B.V. 1] en [naam B.V.
2] , en verdachte vertrouwde volledig op [naam boekhoudster] , op wiens deskundigheid hij ook mocht
vertrouwen. Verder had [verdachte] van [boekhoudkantoor] begrepen dat het te laat of niet volledig
indienen van de aangifte omzetbelasting niet zo erg was omdat dit aan het einde van een jaar nog kon
worden rechtgetrokken. Verdachte was niet op de hoogte van het indienen van de te lage aangiftes en is
wellicht onoplettend en onachtzaam geweest, maar daarin ligt geen (voorwaardelijk) opzet besloten.
3Doc-010 p. 224 e.v.

Pagina 6 van 12Het cumulatief-alternatief ten laste gelegde feit kan niet bewezen worden nu verdachte niet de kwaliteit
bezit om deze aangiften te doen.
Allerlaatst kan de verdediging zich, nu het een cumulatief-alternatieve tenlastelegging betreft, niet
voorstellen hoe verdachte zowel feitelijk leidinggever als medepleger van het doen van dezelfde onjuiste
aangiften zou kunnen zijn.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank gaat uit van het volgende.
In juli 2011 is op basis van een ontvangen factuur van [naam stichting] door een belastingambtenaar
vastgesteld dat de fiscale eenheid [naam B.V. 1] en [naam B.V. 2] onvoldoende omzetbelasting heeft
aangegeven in het desbetreffende tijdvak.4 Vervolgens is op 28 augustus 2012 opdracht gegeven een
boekenonderzoek in te stellen voor de Omzetbelasting en Vennootschapsbelasting over de jaren 2010
tot en met 2012 bij de vennootschappen [naam B.V. 1] en [naam B.V. 2]
Verdachte is enig aandeelhouder van [naam B.V. 1] die op haar beurt enig aandeelhouder is van [naam
B.V. 2]5
Voor de aangifte omzetbelasting hebben [naam B.V. 1] en [naam B.V. 2] hun enkelvoudige gegevens
geconsolideerd tot gezamenlijke aangiften. Deze gezamenlijke aangiften zijn op verzoek van verdachte
ingediend door het boekhoudkantoor [boekhoudkantoor] .6Bij de Belastingdienst zijn namens [naam
B.V. 1] en [naam B.V. 2] elektronisch aangiften omzetbelasting over de tijdvakken januari 2010 t/m april
2010, juni 2010 t/m oktober 2011, december 2011 t/m januari 2012, april 2012, juni 2012 t/m juli 2012
en september 2012 t/m oktober 2012 ingediend.7
In totaal is, over de periode 2010 t/m oktober 2012 € 41.218, - aan voorbelasting opgegeven.
Op de aangiften staan bedragen vermeld die niet in overeenstemming zijn met de bevindingen van
de FIOD. Er is in de perioden 2010 t/m oktober 2012 volgens de bevindingen van de Belastingdienst €
101.600, - te weinig te betalen omzetbelasting aangegeven.8 De rechtbank staat voor de vraag wat de rol
van verdachte bij het doen van deze aangifte(n) is geweest.
Verdachte heeft verklaard dat zijn administratie bestond uit het opmaken van verkoopfacturen en het
verzamelen van de inkoopfacturen. De overige administratie was in handen van [boekhoudkantoor] .
De aangiften omzetbelasting werden maandelijks door [naam boekhoudster] , de boekhouder van
[boekhoudkantoor] , gedaan. [verdachte] was naar eigen zeggen in de veronderstelling dat het goed
geregeld was met zijn boekhouder. Hij heeft de aangiften niet gecontroleerd en is uitgegaan van de
vertrouwensrelatie met [boekhoudkantoor] . Verdachte heeft verklaard dat hij nooit heeft gekeken of de
te betalen omzetbelasting in overeenstemming was met de omzetbelasting die hij in rekening bracht.
Medewerkers van [boekhoudkantoor] zijn gehoord door de FIOD.
[naam boekhoudster] verklaarde hierover over de ingediende aangiften dat de administratie grotendeels
ontbrak en dat zij daarom de aangiften omzetbelasting telkens heeft geschat op basis van de
voorgaande aangiften. [naam oude boekhouder] (oud boekhouder van [verdachte] ) en [naam
boekhoudster] hebben verklaard dat de aangiften in overleg zijn ingediend en dat [verdachte] met veel
vertraging en na veel herhalingsverzoeken zijn administratie aanleverde zodat de aangiften konden
worden aangepast. [naam boekhoudster] heeft verklaard dat zij slechts één keer in de twee, drie jaar
daadwerkelijk de administratie van [verdachte] ontving. Bovendien heeft [naam boekhoudster] verklaard
dat verdachte na het indienen van de aangifte een kopie van de ingediende aangifte kreeg. Bij de
doorzoeking in het woonhuis van verdachte zijn tientallen dichte enveloppen van [boekhoudkantoor]
aangetroffen.
 
4Doc-035 p. 300 e.v.5Doc-037 p. 305.6Doc-020 p. 262 e.v., Doc-021 p. 265 e.v., Doc-013 p. 242 e.v., V-004-1 en V-003-1 p. 165 en 1507Doc-023 tot en met Doc-25 p. 278 e.v.8Doc-038 p. 306 e.v.

Pagina 7 van 12Strafbaarheid rechtspersonen – juridisch kader
De rechtbank stelt voorop dat ingevolge artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) strafbare
feiten kunnen worden begaan door rechtspersonen. De strafbaarheid van een rechtspersoon wordt
vastgesteld aan de hand van drie vragen:
·is de rechtspersoon geadresseerde van de norm?
·kan de verboden gedraging – die door een natuurlijk persoon is verricht – aan de rechtspersoon
worden toegerekend?
·kan het bestanddeel opzet of schuld worden bewezen?
De beantwoording van de vraag, of de verboden gedraging redelijkerwijs aan de rechtspersoon kan
worden toegerekend, is, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, afhankelijk van de concrete
omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een
belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht
in de sfeer van de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake
kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:
 
·het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking
hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;
·de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;
·de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;
·de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden of
zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon
aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het
niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het
oog op de voorkoming van de gedraging.
 
 
Strafbaarheid van de rechtspersonen
Zowel [naam B.V. 1] als [naam B.V. 2] zijn geadresseerde van de norm. De normadressaat heeft de
verplichting om correcte aangiften omzetbelasting te doen. Het doen van aangiften omzetbelasting
valt binnen de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon. Een ondernemer dient een boekhouding
te voeren. Indien een ondernemer in het kader van zijn B.V. ‘s belastbare diensten verricht zal hij
BTW in rekening moeten brengen en deze vervolgens moeten afdragen. Het door de boekhouder van
verdachte namens de genoemde rechtspersonen (onjuist) indienen van de aangiften omzetbelasting
is de rechtspersoon dienstig geweest. Zodoende kan het doen van een onjuiste aangifte – hetgeen ten
laste is gelegd als opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen – aan
de rechtspersoon worden toegerekend, mits opzet kan worden bewezen.
Opzet bij het doen van onjuiste aangifte, juridisch kader
Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat de vraag of opzettelijk onjuist aangifte werd gedaan
beantwoord dient te worden aan de hand van de vraag of de verweten gedraging naar haar aard in het
algemeen geschikt is om een te lage belastingheffing teweeg te brengen. Onder voorwaardelijk opzet
in de zin van artikel 69 AWR tweede lid is mede begrepen dat verdachte zich niet van de juistheid van
de belastingaangiften heeft vergewist, terwijl hij als ondernemer en feitelijk leidinggever daartoe is
gehouden.
Feitelijk leidinggeven – juridisch kader
Bij de beoordeling of iemand als feitelijk leidinggever strafrechtelijk aansprakelijk is, moet worden
vooropgesteld dat uit de taalkundige betekenis van het begrip feitelijk leidinggeven enerzijds voortvloeit

Pagina 8 van 12dat de enkele omstandigheid dat de verdachte bijvoorbeeld bestuurder van een rechtspersoon is, niet
voldoende is om hem aan te merken als feitelijk leidinggever aan een door die rechtspersoon begaan
strafbaar feit.
Feitelijk leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de
gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijk leidinggeven kan voorts sprake zijn indien de
verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als
bestuurder) gevoerde beleid. Ook kan worden gedacht aan het leveren van een zodanige bijdrage aan
een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een
zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijk leiding te
hebben gegeven. Niet is vereist dat een ander de fysieke uitvoeringshandelingen heeft verricht.
Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden
gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijk leidinggeven kan worden gesproken. Dat kan
in het bijzonder het geval zijn bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te
treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege
laat.
In feitelijk leidinggeven ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten. Voor dit
opzet van de leidinggever geldt als ondergrens dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de
verboden gedraging zich zal voordoen. Van het bewijs van dergelijke aanvaarding kan – in het bijzonder
bij meer structureel begane strafbare feiten – ook sprake zijn indien hetgeen de leidinggever bekend
was omtrent het begaan van strafbare feiten door de rechtspersoon rechtstreeks verband hield met de
in de tenlastelegging omschreven verboden gedraging. Een ander voorbeeld van een geval waarin onder
omstandigheden voldaan kan zijn aan het voor de feitelijk leidinggever geldende opzetvereiste biedt een
leidinggever die de werkzaamheden van een onderneming zo organiseert dat hij ermee rekening houdt
dat de aan de betrokken werknemers gegeven opdrachten niet kunnen worden uitgevoerd zonder dat dit
gepaard gaat met het begaan van strafbare feiten.
Opzet bij verdachte als feitelijk leidinggever
Verdachte heeft namens de rechtspersonen [naam B.V. 1] en [naam B.V. 2] , om hem moverende
redenen nagelaten de door de boekhouder op basis van schattingen ingediende aangiften te
controleren. Hij is uitgegaan van de door de boekhouder ingediende aangiften, waarvoor hij bewust,
zelfs na herhaaldelijk verzoek en aandringen door de boekhouder, niet of laat de benodigde gegevens
heeft aangeleverd. Wanneer de facturen die verdachte niet of te laat heeft aangeleverd in de aangiften
betrokken zouden zijn, zou voor andere bedragen aangifte moeten zijn gedaan. De rechtbank is van
oordeel dat verdachte bovendien een gewaarschuwd man was, nu hij op laakbaar handelen was
aangesproken door de boekhouder en later ook door de Belastingdienst en zelfs door de officier van
justitie.
Verdachte had, middellijk en onmiddellijk, volledig zeggenschap over de B.V. ‘s. Hij was derhalve
bevoegd.
Hoewel hij zijn aangiften omzetbelasting liet doen door een adviseur, had verdachte als ondernemer en
als opdrachtgever de boekhouder moeten voorzien van de benodigde stukken voor het doen opmaken
van juiste aangiften omzetbelasting. Dat heeft verdachte, ondanks alle correspondentie met zijn
boekhouder, de Belastingdienst en later ook het Openbaar Ministerie niet gedaan. De rechtbank is van
oordeel dat verdachte dermate lichtvaardig en nalatend heeft gehandeld dat hij willens en wetens de
aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de door [boekhoudkantoor] ingediende aangiften van de ten laste
gelegde tijdvakken onjuist of niet volledig waren.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte als feitelijk leidinggever het voorwaardelijk opzet had
op het strafbare feit.
De rechtbank verwerpt het verweer van [verdachte] dat hem geen verwijt treft aangezien hij op
zijn boekhoudkantoor/boekhoudster vertrouwde. De keuze van [verdachte] om de aangifte van de
omzetbelasting door een boekhouder te doen verzorgen, ontsloeg [verdachte] vanzelfsprekend niet van
de verplichting om die boekhouder vervolgens telkens tijdig te voorzien van de benodigde stukken voor
het indienen van juiste aangiften omzetbelasting.

Pagina 9 van 12Het spreekt voor zich dat een boekhouder zonder de benodigde stukken niet in staat is om een
correcte aangifte te doen. Ook [verdachte] moet dit hebben geweten. Het feit dat hij geen affiniteit met
boekhouden heeft staat daaraan niet in de weg. Wat [verdachte] diende te doen om het werk van de
boekhouder mogelijk te maken was bovendien niet moeilijk en evenmin bewerkelijk; volgens eigen
zeggen bestond zijn administratie uit hooguit enkele tientallen facturen per jaar.
Vrijspraak van het cumulatief –alternatief ten laste gelegde
De rechtbank acht – anders dan de officier van justitie- het cumulatief- alternatief ten laste gelegde niet
bewezen. De enkele omstandigheid dat de verboden gedraging van de verdachte aan de rechtspersoon,
waarvan verdachte als feitelijk leidinggever wordt aangemerkt, kan worden toegerekend, kan immers
niet meebrengen dat de verdachte zowel als feitelijk leidinggever als medepleger het strafbare feit
tezamen met de rechtspersoon heeft medegepleegd. Verdachte dient dan ook van dit deel van de
tenlastelegging te worden vrijgesproken.
5. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in 4.3 vervatte bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen bewezen
dat [naam B.V. 1] en [naam B.V. 2] in de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 oktober 2012 op één of
meerdere tijdstippen te Eemnes en/of Breda, telkens opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften,
als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting over
de maanden
 
(DOC-20)
januari 2010 en februari 2010 en maart 2010 en april 2010 en juni 2010 en juli 2010 en augustus 2010 en
september 2010 en oktober 2010 en november 2010 en december 2010 en
 
(DOC-21)
januari 2011 en februari 2011 en maart 2011 en april 2011 en mei 2011 en juni 2011 en juli 2011 en
augustus 2011 en september 2011 en oktober 2011 en december 2011 en
 
(DOC-13)
januari 2012 en april 2012 en juni 2012 en juli 2012 en september 2012 en oktober 2012
telkens onjuist en onvolledig heeft gedaan, immers heeft [naam B.V. 1] en [naam B.V. 2] telkens
opzettelijk op de bij de Inspecteur der Belastingen of de Belastingdienst digitaal ingeleverde
aangiftebiljetten Omzetbelasting over genoemde tijdvakken telkens een te laag, belastbaar bedrag
en bedrag aan belasting laten opgeven en vermelden, terwijl die gedragingen er telkens toe strekten
dat te weinig belasting werd geheven aan welke bovenomschreven feiten telkens feitelijk leiding heeft
gegeven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is
hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6. De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is
niet aannemelijk geworden.
7. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte
is dan ook strafbaar.

Pagina 10 van 128. Motivering van de straffen en maatregelen
8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal
worden veroordeeld tot een taakstraf van 200 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf
niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen en dat
hij tevens zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met een
proeftijd van 3 jaren.
8.2.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat bij een eventuele bewezenverklaring – primair – ingevolge artikel
9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel zou moeten worden opgelegd, dan wel dat
– subsidiair – bij het bepalen van de strafmaat rekening moet worden gehouden met de mate van
negatieve publiciteit ten aanzien van verdachte, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de
overschrijding van de redelijke termijn.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de
omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting
is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling
van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft feitelijk leiding gegeven aan het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting van [naam
B.V. 1] en [naam B.V. 2]
Door zijn handelwijze heeft verdachte het vertrouwen, dat aan de inhoud van belastingaangiftes mag
worden ontleend, geschaad. De strafbaarstelling van belastingontduiking beschermt bovendien niet
alleen de gemeenschapsbelangen die door belastingheffing worden gediend, maar ook de belangen
van eerlijke belastingbetalers. Belastingontduiking kan immers leiden tot verdere verzwaring van de
belastingdruk voor alle Nederlanders. De handelingen van verdachte dragen bovendien bij aan het
ondermijnen van de belastingmoraal. Het onbestraft laten van belastingfraude kan ertoe leiden dat ook
het normbesef vervaagt onder belastingplichtigen die wel aan hun verplichtingen voldoen. Daar komt bij
dat het gaat om een aanzienlijk nadeelbedrag, ruim € 100.000, -.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf acht geslagen op de geldende oriëntatiepunten van het
Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS). Bij een benadelingsbedrag van € 70.000,- tot €
125.000,- geldt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf tot negen maanden of
een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Van de zijde van het Openbaar Ministerie is opgemerkt, dat verdachte als voormalig Staatssecretaris en
als lid van de raad van commissarissen van [naam 1] een voorbeeldfunctie heeft. Bij dergelijke functies
geldt dat sprake moet zijn van een persoon wiens betrouwbaarheid buiten twijfel staat. Van de zijde van
de verdediging is bepleit dat bij het bepalen van de strafmaat in matigende zin rekening gehouden dient
te worden met de negatieve media-aandacht die voor verdachte en zijn persoonlijke leven gevolgen
heeft gehad. De officier van justitie stelt echter dat de media-aandacht niet van overwegende invloed
mag zijn op de strafmaat, aangezien hoge bomen nu eenmaal veel wind vangen.
De rechtbank stelt vast dat de media-aandacht in de zaak van verdachte bepaald bovengemiddeld is
geweest. De rechtbank acht aannemelijk dat de media-aandacht en de daarin reeds verwerkte oordelen
een zware wissel hebben getrokken op verdachte en zijn privéleven. Zij ziet deze media-aandacht
evenwel als een kennelijk onvermijdelijk en bovendien van een eigen dynamiek voorzien fenomeen dat
zich bij uitstek in zaken met een zekere impact voordoet. In dit geval roept de positie die verdachte in
het maatschappelijk leven heeft bekleed om begrijpelijke redenen de aandacht van de media op. De

Pagina 11 van 12rechtbank ziet dan ook geen reden om de media aandacht in strafverminderende zin een rol te laten
spelen.
Van de zijde van de verdediging is er daarnaast op gewezen dat bij het bepalen van de strafmaat
in matigende zin rekening gehouden dient te worden met de omstandigheid dat sinds het
normoverdragende gesprek ruim drie-en-een-half jaar is verstreken en dat dat een overschrijding van de
redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)
inhoudt.
Ervan uitgaande dat bedoelde termijn een aanvang heeft genomen op het moment dat verdachte
geconfronteerd is met een tegen hem bestaande verdenking, te weten het eerste verhoor als verdachte
op 14 april 2015, kan worden vastgesteld dat op het moment dat dit vonnis wordt gewezen de
vervolging van verdachte meer dan twee jaar in beslag heeft genomen. Gelet op de het feit dat dit
slechts een paar maanden langer dan de redelijke termijn heeft geduurd acht de rechtbank deze duur
onwenselijk, maar niet onredelijk lang, in aanmerking nemend de omvang van het door de FIOD-ECD
verrichte onderzoek. De rechtbank zal aan de hiervoor gedane vaststelling omtrent de duur van de
vervolging dan ook geen gevolgen verbinden die van invloed zijn op de strafmaat.
De rechtbank deelt het uitgangspunt van het Openbaar Ministerie dat verdachte gelet op het feit dat
hij jarenlang publieke functies heeft gehad een voorbeeldfunctie had én heeft. De rechtbank neemt het
verdachte niet alleen kwalijk dat hij onjuiste aangiften omzetbelasting heeft doen indienen, maar vindt
het handelen van verdachte van disrespect voor de Belastingdienst en de belastingbetaler getuigen. In
zijn houding ten aanzien van het delict, het onder andere op herhaaldelijk verzoek en aandringen niet
aanleveren van benodigde stukken, het niet nakomen van afspraken en het onvoldoende opschonen
van zijn fiscale positie nadat hem door de Belastingdienst én de officier van justitie diverse kansen zijn
gegeven, ziet de rechtbank dan ook aanleiding om een gevangenisstraf op te leggen. Het opleggen van
een werkstraf zoals de officier van justitie heeft geëist doet volgens de rechtbank onvoldoende recht
aan deze zaak.
De rechtbank houdt voor wat betreft de hoogte van de gevangenisstraf in het voordeel van verdachte
rekening met het feit dat verdachte nog geen eerdere veroordelingen heeft gehad en het hier om
voorwaardelijk opzet gaat en hij momenteel in een slechte financiële positie verkeert. Daarnaast vindt de
rechtbank het van groot belang dat een relatief groot deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk wordt
opgelegd om te voorkomen dat verdachte in herhaling vervalt.
Bovenstaande overwegingen leiden er toe dat de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf van vijf
maanden oplegt, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen
·14 14a, 14b, 14c, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht;
·14 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
 
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
10. Beslissing
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is
vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen
verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
feitelijk leiding geven aan het opzettelijk een bij belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig
doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Pagina 12 van 12Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 (vijf) maanden .
Beveelt dat een gedeelte, groot 3 (drie) maanden , van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer
gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een
strafbaar feit schuldig maakt.
Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
 
 Dit vonnis is gewezen door mr. M. Vaandrager, voorzitter, mrs. P.P.C.M. Waarts en F.W. Pieters,
rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Nieuwenhuijs, griffier, en uitgesproken op de openbare
terechtzitting van deze rechtbank van 29 september 2017.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op