Gebruik van gegevens van tipgever toelaatbaar

  

Gebruik van gegevens van tipgever toelaatbaar

Datum: 06-06-2013
Auteur(s): I.R.J. Thijssen

Bekijk PDF





NTFR2013/1554 Gebruik van gegevens van tipgever toelaatbaar
RechtbankGelderland06juni2013,nr.11/01635 RechtbankGelderland06juni2013,nr.11-01636 RechtbankGelderland06juni2013,nr.11-03379 RechtbankGelderland06juni2013,nr.11-03382 RechtbankGelderland06juni2013,nr.11-03383 RechtbankGelderland06juni2013,nr.11-0334 RechtbankGelderland06juni2013,nr.11-03385 RechtbankGelderland06juni2013,nr.11-03389 RechtbankGelderland06juni2013,nr.11-03387 RechtbankGelderland06juni2013,nr.11-03392 RechtbankGelderland06juni2013,nr.11-03394 RechtbankGelderland06juni2013,nr.11-03395 RechtbankGelderland06juni2013,nr.11-03396
Belastingjaar/tijdvak Wetsartikelen
Auteur LJN
ECLI
1997-2008Brondocument Awb-art. 8:31
AWR-art. 16 Awb-art. 8:29 AWR-art. 67
mr. I.R.J. Thijssen CA1888
ECLI:NL:RBGEL:2013:CA1888
Samenvatting
Erflater is in2012 overleden.Naar aanleiding vaninformatie vaneentipgever enrenseignementenvande Rabobank Luxemburg heeft
de inspecteur informatie opgevraagd bijerflater over eenbuitenlandse bankrekening.Erflater heeftontkend over eenbuitenlandse bankrekening te beschikken.De ervenhebbenwelerkend datzijover eenbuitenlandse bankrekening hebbenbeschikt.Ingeschilzijnde aanerflater opgelegde navorderingsaanslagenIB.
Rechtbank Gelderland zietgeenaanleiding om gevolgente verbindenaande weigering vande inspecteur om ongeschoonde versies vanstukkenmetbetrekking totde tipgever te overleggen,omdatdie gegevens voor de beoordeling vanhetgeschilnietnodig zijnen omdatnietaannemelijk is gewordendatde ervendoor de weigering inhunprocesbelangenzijngeschaad.De rechtbank is voorts van oordeeldatde inspecteur voldoende voortvarend heeftgehandeld bijhetopleggenvande navorderingsaanslagen.De rechtbank acht verder hetgebruik vande gegevens vande tipgever toelaatbaar.De verkrijging vande gegevens is nietdoor de inspecteur geïnitieerd ofgefaciliteerd.Datde tipgever eenvergoeding ontvangtdoetdaaraannietaf,nuhetinformatie betreftdie inde aangifte had dienente wordenverstrektendeze informatie nietop andere wijze konwordenverkregen.De bewijslastdientte wordenomgekeerd en verzwaard,omdaterflater nietaanzijninformatieverplichtingenheeftvoldaan.De navorderingsaanslagenberustennaar hetoordeelvan de rechtbank op eenredelijke schatting.
(Beroepenongegrond.)
Commentaar Thijssen[1]
Inmaart2009 meldde zichbijde Belastingdiensteentipgever metgedetailleerde informatie over onder meer 69 Nederlandse belastingplichtigenmeteenbuitenlandse bank- eneffectenrekening (aangehoudenbijRabobank Luxembourg S.A.).Vervolgens werd deze informatie vande tipgever gekochtvoor eenbedrag datafhangtvande extra opbrengstdie als gevolg vande verschafte informatie inde Nederlandse schatkistzouvloeien.Op 30 oktober 2009 heeftde toenmalige staatssecretaris vanFinanciënde Tweede Kamer geïnformeerd over de metde tipgever geslotenovereenkomst(briefvan30 oktober 2009,nr.DGB2009/5737U),hetgeentotde nodige beroering heeftgeleid inde pers.Op basis vande desbetreffende informatie zijnaande vermeende rekeninghouders (navorderings)aanslageninkomstenbelasting envergrijpboetenopgelegd,hetgeenheeftgeleid totde nodige civiele enfiscale procedures.Eenaspectdatineenaantalvandeze procedures naar vorenkomt,is de vraag ofde inspecteur verplichtis om ongeschoonde versies vanstukkenmetbetrekking totde tipgever te overleggen.
Omdatde desbetreffende stukkeninde bezwaarfase nietovereenkomstig art.7:4,lid 2,Awb door de inspecteur ter inzage werden gelegd,moester eenvoorzieningenrechter aante pas komenom de inspecteur te gelastende desbetreffende stukkenalsnog te overleggen(Rechtbank Arnhem 22 maart2011,nr.11/00322 en11/00324,NTFR2011/1374).Hoewelde inspecteur indeze procedure – kennelijk ter voorkoming vaneendoor belanghebbende geëiste dwangsom – ter zitting aangaf‘loyaaluitvoering te zullengevenaan eeneventueelte treffenvoorlopige voorziening’,lapte de inspecteur hetoordeelvande voorzieningenrechter vervolgens aanzijnlaars.In de onderhavige beroepsprocedure heeftde inspecteur eenberoep gedaanop art.8:29 Awb engesteld dater gewichtige redenen warenom openbaarmaking vande stukkente weigeren.Vervolgens oordeelde ook de geheimhoudingskamer vanRechtbank Arnhem op 7 februari 2012 datde inspecteur de stukken(grotendeels) diende te overleggen(nr.11/01635 en11/01636,NTFR2012/1165).Uit hetop dezelfde dag gegevenantwoord vande staatssecretaris op Kamervragenkonevenwelwordenafgeleid datde desbetreffende

stukkennietzoudenwordeningebrachttotdatdaarover inhoogste instantie zouzijnbeslist(briefvan7 februari 2012,nr. DGB2012/765U,NTFR2012/408).Naar aanleiding vande uitspraak vande geheimhoudingskamer ende reactie vande staatssecretaris van7 februari 2012 werd metenige spanning uitgekekennaar de consequenties die de rechtbank vervolgens aandeze weigering zouverbinden.
Deze spanning werd verhoogd door de recente conclusie vanA-GWattelvan24 mei 2013 (nr.12/03379,NTFR2013/1136),waarin werd gerefereerd aande eerdergenoemde uitspraak vande geheimhoudingskamer van7 februari 2012.Volgens de advocaat-generaalkunnen– kortgezegd – bestuursorganenervoor ‘kiezennietaanhunoverleggingsplichtte voldoenondanks rechtelijke telichtbevinding vanhungrondendaarvoor,mits zijde gevolgendaarvanvoor hunprocespositie aanvaarden’.Indeze conclusie haaltA-GWattelinhetkader vanhetequalityofarms-beginselexart.6 EVRM de nodige Straatsburgse jurisprudentie aanvanwege hetfeitdat die procedure mede betrekking had op vergrijpboeten.Inde onderhavige procedure is belanghebbende op 2 juli 2012 komente overlijdenals gevolg waarvande vergrijpboetenzijnkomente vervallenenwaardoor de Straatsburgse jurisprudentie niettoepasbaar is. Naastde Straatsburgse jurisprudentie haaltA-GWattelook eenuitspraak aanvanHofDenBoschvan22 september 2005 (nr. 03/01592,NTFR2005/1337),waarbijaande weigerachtige houding vaneeninspecteur het‘adequate’ gevolg werd verbondendatalle ingeschilzijnde navorderingsaanslagen,vergrijpboetenenbeschikkingenheffingsrente moestenwordenvernietigd,ondanks ‘hetrisico datdaarmee materieelrechtelijk eenonjuiste beslissing wordtgenomen,aangeziener wellichtgeenaanleiding zouzijngeweesttot (gehele ofgedeeltelijke) vermindering vande navorderingsaanslagenindiende betreffende passages welzoudenzijnverstrekt.Dat risico dientechter voor rekening vande inspecteur te komen’.Ook inhetgevalvanHofDenBoschhad de geheimhoudingskamer beslistdater tenaanzienvande niet-verstrekte passages geengewichtige redenenvoor geheimhouding bestaan,maar desondanks had de inspecteur geweigerd de door de rechter verlangde informatie (integraal) te verstrekken.
De onderhavige einduitspraak is inhetlichtvanhetvorenstaande eenanticlimaxte noemenomdatRechtbank Gelderland geenenkel gevolg verbindtaande weigerachtige houding vande inspecteur.Ditomdatvolgens de rechtbank – geletop de informatie vande tipgever die weldoor de inspecteur is ingebracht– de door de inspecteur achtergehoudeninformatie vande tipgever nietnodig zouzijn voor de beoordeling vanhetgeschil.Datargumentachtik weinig overtuigend onder meer vanwege hetfeitdatde rechtbank de achtergehoudeninformatie überhauptnietkentende geheimhoudingskamer vandiezelfde rechtbank – die de achtergehouden informatie welkent– had geoordeeld datjuistdeze informatie inde procedure moestwordeningebracht.Vanbelang is te beseffendat de informatie vande anonieme tipgever inde onderhavige procedure hetenige bewijs is waar de aanbelanghebbende opgelegde navorderingsaanslagenop steunen.Aldus lijkthetmogelijk – althans volgens Rechtbank Gelderland – dateeninspecteur straffeloos een selectie kanmakenvande ‘belastende’ informatie endat– instrijd metart.8:42 Awb eninweerwilvanhetoordeelvande voorzieningenrechter ende geheimhoudingskamer – aanhetnietverstrekkenvaneventuele ‘ontlastende’ informatie (over de betrouwbaarheid vande informatie ende tipgever,over de wijze waarop de tipgever aandeze informatie is gekomen,enz.) geenenkel gevolg wordtverbonden,zelfs geen‘symbolische’ veroordeling vande inspecteur totvergoeding vande proceskostenvan belanghebbende.Hetgevolg hiervankanzijndatelke prikkelbijinspecteurs wordtweggenomenom inde toekomstnog te voldoenaan de inart.8:42 Awb opgenomenverplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukkente verstrekken.Hetis de vraag ofdeze uitspraak inde daartegengerichte hoger-beroepsprocedure stand zalhouden.
[1]Mr.I.R.J.Thijssenis verbondenaanJaeger Advocaten-belastingkundigen.
[1]Mr.I.R.J.Thijssenis verbondenaanJaeger Advocaten-belastingkundigen.
Bron:http://www.ndfr.nl/link/NTFR2013-1554 Datum:15-4-2016 11:01:14
Alle rechten voorbehouden. Alle auteursrechten en databankrechten van deze tekst worden uitdrukkelijk voorbehouden. Deze rechten berusten bij Sdu Uitgevers. Niets uit NDFRmag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand ofopenbaar gemaakt in enige vorm ofop enige wijze, hetzij elektronisch,mechanisch, door fotokopieën, opnamen ofenige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
All rights reserved. No part ofthis publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without the publisher’s prior consent.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op