Geen proceskostenvergoeding na intrekking beroepschift

Samenvatting

Belanghebbende, een Rijnvarende, heeft verzocht om vrijstelling premie volksverzekeringen. De inspecteur heeft dat geweigerd en in bezwaar gehandhaafd. Nadat belanghebbende beroep had ingesteld, heeft de SVB de inspecteur bericht dat een regularisatieverzoek van de verzekeringspositie van belanghebbende akkoord was. Naar aanleiding daarvan heeft de inspecteur alsnog de vrijstelling verleend, waarna belanghebbende het beroep heeft ingetrokken. In geschil is of belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding.
De rechtbank overweegt dat een tegemoetkomen in de zin van art. 8:75a, lid 1, Awb aan de orde is indien het bestuur het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit geheel of gedeeltelijk neemt, tenzij dit besluit is genomen op andere gronden dan de indiener van het beroepschrift heeft aangevoerd. De rechtbank is van oordeel dat de tenzij-bepaling in de onderhavige situatie aan de orde is. De inspecteur heeft de aanslag verlaagd naar aanleiding van de regularisatieprocedure met Luxemburg en niet naar aanleiding van de door belanghebbende aangevoerde gronden, zodat belanghebbende geen recht heeft op proceskostenvergoeding.
(Verzoek afgewezen.)

Commentaar

Op grond van art. 8:75 Awb kan een rechter een partij veroordelen tot vergoeding van de kosten die de andere partij in redelijkheid heeft moeten maken in verband met een beroepsprocedure. Betreft het de kosten van een fiscale beroepsprocedure, dan wordt volgens vaste jurisprudentie de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de door een belastingplichtige gemaakte proceskosten wanneer deze geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld. Dit is slechts anders indien de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeit uit de handelswijze van de belanghebbende. In fiscale beroepsprocedures bestaat ook recht op een proceskostenvergoeding wanneer de belastingplichtige gelijk krijgt op gronden waarop hij zich niet heeft beroepen, maar gelijk krijgt op gronden die door de rechtbank of het hof ambtshalve zijn bijgebracht (HR 29 augustus 1997, BNB 1998/108). Om voor een proceskostenvergoeding ex art.
8:75 Awb in aanmerking te komen hoeft er dus geen relatie te bestaan tussen de gronden van het beroep van een belastingplichtige en de reden waarom de belastingrechter een belastingplichtige uiteindelijk in het gelijk stelt.
In aanvulling op art. 8:75 Awb geeft art. 8:75a Awb een voorziening voor de situatie waarin de belastingplichtige zijn beroep heeft ingetrokken omdat de inspecteur alsnog (deels) aan de bezwaren van belanghebbende is tegemoetgekomen. Aldus lijkt er – in tegenstelling tot 8:75 Awb – voor toekenning van een proceskostenvergoeding op grond van 8:75a Awb wel een relatie te worden verondersteld tussen de gronden van het beroep en het besluit van het bestuursorgaan waarin de bezwaren van de indiener van het beroep alsnog worden gehonoreerd. De Hoge Raad heeft hierover nog geen uitsluitsel gegeven, maar in de onderhavige procedure heeft Rechtbank Breda beslist dat het besluit van de inspecteur om alsnog de aanslag te verlagen niet is genomen op gronden die belanghebbende heeft aangevoerd in zijn beroepschrift en dat daarom geen recht op een proceskostenvergoeding bestaat. Indien dat oordeel al juist zou zijn, vraag ik mij af waarom een belanghebbende in voorkomende gevallen nog over zou moeten gaan tot intrekking van zijn beroep. Alsdan kan hij beter zijn aanhangig gemaakte beroepsprocedure voortzetten en het laten aankomen op een rechterlijke uitspraak waarbij aan hem – volgens de ruimere criteria van art. 8:75 Awb – hoogstwaarschijnlijk wel een kostenvergoeding zal worden toegekend. En dat kan toch niet de bedoeling zijn geweest van de wetgever.

[1] Mr. I.R.J. Thijssen is advocaat bij Jaeger advocaten-belastingkundigen te Amsterdam.


Bron: http://www.ndfr.nl/link/NTFR2010-1561


Datum: 11-4-2016 15:02:59

Stuur een reactie naar de auteur