nl-NLen-GB

Geen proceskostenvergoeding voor bezwaarfase als gewezen is op mogelijkheid van melden van aardbevingsschade

Gepubliceerd in: NTFR 2020/613
Datum: 05-03-2020
Auteur(s): W.G.G. Jansen de Lannoy

Bekijk PDF

 

InstantieRechtbank Noord-Nederland, 04-02-2020 nr. AWB_LEE_18-3434
Zaaknummer(s)AWB_LEE_18-3434
Datum uitspraak04-02-2020
Belastingjaar/tijdvak2018
Trefwoordenzorgvuldigheid, aardbeving, te verwijten onrechtmatigheid
RubriekFormeel belastingrecht
WetsartikelenAwb - art. 7:15
ECLIECLI:NL:RBNNE:2020:391
Brondocumenten
Auteurmr. W.G.G. Jansen de Lannoy
NTFR2020/613
Datum publicatie NTFR05-03-2020

 

Samenvatting

Voor het jaar 2018 is de waarde van de woning in februari 2018 vastgesteld op € 200.000. Hoewel belanghebbende in november 2017 per een aan haar gerichte brief en via een huis-aan-huis-courant op de hoogte is gesteld om aardbevingsschade bij de gemeente te kunnen melden, is geen rekening gehouden met de op 1 januari 2018 aanwezige, nog niet herstelde aardbevingsschade. Bij uitspraak op bezwaar is de waarde vastgesteld op € 194.000. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op vergoeding van haar proceskosten van de bezwaarfase. De waardevaststelling is met de normale zorgvuldigheid tot stand gekomen. Met inachtneming van de aard, de omvang en de massaliteit van het administratieve WOZ-proces heeft de heffingsambtenaar het nodige gedaan om te voorkomen dat de waarde op een te hoog bedrag zou worden vastgesteld. Van een onrechtmatigheid van de heffingsambtenaar is geen sprake.

(Beroep ongegrond.)

Commentaar

Deze WOZ-zaak gaat over de reikwijdte van de normale onderzoeksplicht van de heffingsambtenaar en spitst zich toe op de vraag of deze met de vereiste zorgvuldigheid de aanslag heeft vastgesteld (art. 3:2 Awb). Dit alles speelt in het kader van de vraag of de onjuistheid van de aanslag een onrechtmatigheid oplevert die de heffingsambtenaar te verwijten valt, zodat hij de kosten van de bezwaarprocedure aan de kant van de belastingplichtige moet vergoeden. Volgens de rechtbank heeft de heffingsambtenaar de normale zorgvuldigheid betracht aangezien belanghebbende verschillende mogelijkheden zijn geboden om de aardbevingsschade aan haar woning kenbaar te maken en al het nodige is gedaan om te voorkomen dat de aanslag tot een te hoog bedrag zou worden vastgesteld. Hierdoor heeft de heffingsambtenaar bij het nemen van de beschikking niet de geenszins denkbeeldige kans aanvaard dat de waarde tot een te hoog bedrag zou worden vastgesteld, aldus de rechtbank. De te hoge aanslag levert naar het oordeel van de rechtbank dus niet een aan de heffingsambtenaar te verwijten onrechtmatigheid op en deze hoeft de kosten van de bezwaarprocedure niet aan de belastingplichtige te vergoeden.

Ik ben van mening dat de rechtbank een onjuist criterium aanlegt om te kunnen beoordelen of de heffingsambtenaar bij het vaststellen van de aanslag met normale zorgvuldigheid te werk is gegaan. In het kader van die normale zorgvuldigheid dient de ambtenaar immers kennis te nemen van de hem ter beschikking staande gegevens voor het vaststellen van de aanslag en de daarin voorkomende gegevens te vergelijken met de overige hem ter beschikking staande informatie (zie HR 18 juni 2010, nr. 09/00370, NTFR 2010/1504). In dit geval was de heffingsambtenaar ervan op de hoogte dat veel gebouwen in ‘zijn’ gemeente aardbevingsschade hadden opgelopen. Dat was immers onderwerp in een brief van de gemeente aan haar inwoners met daarin het verzoek om eventueel opgetreden schade te melden zodat daarmee rekening zou kunnen worden gehouden bij het opleggen van de aanslagen in de onroerendezaakbelasting. In het hiervoor vermelde arrest oordeelt de Hoge Raad dat de inspecteur niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft gehandeld omdat hij heeft nagelaten hem ter beschikking staande gegevens te raadplegen, waaruit zou blijken dat de aanslag tot een te hoog bedrag was vastgesteld. Dat geldt volgens de Raad zelfs in het geval waarin de belastingplichtige zelf een onjuiste aangifte doet, zodat de te hoge aanslag mede het gevolg is van de handelswijze van de belastingplichtige.

In dit geval is het volkomen begrijpelijk dat de heffingsambtenaar niet bij elk pand onderzoekt of het aardbevingsschade heeft opgelopen. Dat is kostenefficiënt en veel inwoners zullen hun aardbevingsschade naar aanleiding van de door de gemeente verstuurde brief en overige communicatie keurig hebben gemeld, zodat daar bij de aanslagoplegging rekening mee kon worden gehouden. Maar de omstandigheid dat belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om de schade te melden, ontslaat het bestuursorgaan niet van zijn plicht om bij het vaststellen van de aanslag – zelfstandig – onderzoek te doen naar mogelijke door de aardbevingen ontstane schade. Door zelfs met de wetenschap die hij had geen onderzoek te doen naar mogelijke schade in het voorliggende geval, heeft de heffingsambtenaar bij het nemen van de beschikking wel degelijk de geenszins denkbeeldige kans aanvaard dat daarmee de waarde tot een te hoog bedrag zou worden vastgesteld. Hij heeft dus niet de zorgvuldigheid betracht die van hem bij het vaststellen van de waarde mocht worden verwacht (zie in dit kader ook Hof Arnhem-Leeuwarden 23 januari 2018, nr. 16/01359, NTFR 2018/355).

De proceskostenvergoeding is ten onrechte niet toegekend.

 
Noot

[1] mr. W.G.G. Jansen de Lannoy, advocaat-belastingkundige, werkzaam bij Jaeger Advocaten-belastingkundigen.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op

Jaeger maakt gebruik van cookies

Wij plaatsen cookies om uw ervaring op de website te verbeteren. De cookies die vereist zijn om de website te gebruiken zijn wettelijk toegestaan. Voor de andere cookies kunt u hieronder toestemming geven.

meer informatie