Geen schending van het nemoteneturbeginsel

  

Geen schending van het nemoteneturbeginsel

Datum: 19-12-2013
Auteur(s): I.R.J. Thijssen

Bekijk PDF





NTFR2014/1868 Geen schending van hetnemo-teneturbeginsel
HofDenBosch19december2013,nr.10/00649 HofDenBosch19december2013,nr.10/00650
Brondocument Aanverwanteliteratuur
Belastingjaar/tijdvak Trefwoorden
Wetsartikelen
Auteur
1995-1996
ex tunc, FIOD, Passenheim-van Schoot, Saunders EVRM-art. 6
AWR-art. 16
mr. I.R.J. Thijssen
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2013:6109
Samenvatting
Inhetkader vanhetprojectBank Zonder Naam zijnaanbelanghebbende navorderingsaanslagenover de jaren1995 en1996 opgelegd.
Hethofoordeeltdatde inspecteur zowelvoor de belastingheffing als voor de verhogingengebruik mag makenvande door belanghebbende overgelegde bankstukkennusprake is vanwilsonafhankelijk materiaal.Er is geensprake vanschending vanhet nemo-teneturbeginsel.Voorts is ingeschilofde inspecteur voldoende voortvarend heeftgehandeld bijhetopleggenvande navorderingsaanslagen.Hethofneemtdaarbijals uitgangspuntdatde inlichtingenpootvande FIOD totde ‘belastingautoriteiten’ wordt
gerekend inde zinvanhetarrestPassenheim-vanSchoot.Voorts heeftde inspecteur eenredelijke vrijheid bijhetinrichtenenprioriteren vanzijnwerkzaamheden.Daarbijbehoortook de keuze voor eenprojectmatige aanpak.De inspecteur heeftvolgens hethofinhet onderhavige gevalvoldoende voortvarend gehandeld.De stelling vanbelanghebbende datde aanslagenbuitende navorderingstermijn zijnverzonden,faalt.Hethofhandhaaftde navorderingsaanslagen,maar vermindertde verhogingennader,inverband met overschrijding vande redelijke termijninhoger beroep.
(Hoger beroep ongegrond.)
Commentaar
HofDenBoschoordeeltinde onderhavige uitspraak – onder verwijzing naar arrestenvanzowelde civiele kamer (HRNTFR2013/1586)
als de fiscale kamer (HRNTFR2008/614) vande Hoge Raad – datde door belanghebbende verstrekte informatie enbankstukkenzijn
aante merkenals ‘wilsonafhankelijk materiaal’ enbijgevolg gebruiktkunnenwordenvoor punitieve doeleinden.Tegendeze uitspraak is door belanghebbende cassatie ingesteld enbelanghebbende zalzichdaarbijgesteund voelendoor de civiele kamer vanHof
Amsterdam die ineenaantalrecente arrestenvan25 februari 2014 juistheeftgeoordeeld datzowelmondelinge als schriftelijke informatie (inclusiefkopieënvanbankafschriftenenandere bescheiden) die onder dreiging vaneendwangsom wordtverstrektjuistals ‘wilsafhankelijk materiaal’ moetwordenaangemerkt.
DaarnaastgeeftHofDenBoschinde onderhavige uitspraak eenopmerkelijk ‘voortvarendheidsoordeel’,maar datis wellichtte wijten aanhetfeitdatde onderhavige uitspraak pas is gedaanná verschijning vanhetarrestHR28 maart2014,NTFR2014/1047.Indat arrestoverweegtde Hoge Raad ineenvergelijkbare BZN-procedure datbelastingautoriteitenweliswaar eenzekere beoordelingsvrijheid hebbenbijde organisatie eninrichting vanhunwerkzaamheden,maar datdie vrijheid nietonbegrensd is. Werkzaamhedenmogennietop eenzodanige wijze wordengeorganiseerd eningerichtdateenvoortvarende behandeling inde praktijk nietmogelijk is ofuiterstmoeilijk wordtgemaakt.Indatverband heeftbelanghebbende aangevoerd dathetidentificatie- en sofiëringsproces van2.500 zwartspaarders onredelijk lang heeftgeduurd,mede omdatindeze fase slechts éénEDP-medewerker (deeltijds) op hetprojectwas gezet.
HofDenBoschgaatinde onderhavige uitspraak aandeze overweging vande Hoge Raad voorbijenoordeelt:(4.18) ‘Waar hetom gaat,is ofde Inspecteur extunc beschouwd,dus beoordeeld op hetmomentdathijgeconfronteerd werd metde taak om de benodigde gegevens voor hetopleggenvande aanslag te verzamelenenvervolgens de aanslag op te leggen,zijntaak voortvarend ter hand heeft genomen.Daarbijgeldtdathijeenredelijke vrijheid heeftbijhetinrichtenenprioriterenvanzijnwerkzaamheden.Het Europeesrechtelijke evenredigheidsbeginselvereistnietdatmeneenstrengere toets aanlegt.” envervolgens (4.25) “De keuze vande Belastingdienstom inde eerste onderzoeksfase vanhetprojectvanmaart2005 totmaart2006 slechts beperkte mankrachtinte zetten, laatonverletdater gedurende deze periode voortdurend enzonder onderbreking gewerktis.Onder deze omstandighedenis hetHof vanoordeeldatde Inspecteur aannemelijk heeftgemaaktdatgedurende deze periode voortvarend is gewerkt.’
Aldus beoordeelthethofde voortvarendheidseis tenonrechte aande hand vande vraag ofde ingeschakelde EDP-medewerker (weliswaar deeltijds,maar) bijvoortduring enzonder onderbreking aanhetProjectBZNheeftgewerkt.Hetprobleem is nujuistdoor het belastenvanslechts éénparttimer eenvoortvarende behandeling van2.500 zwartspaarders nietmogelijk is ofuiterstmoeilijk wordt gemaakt.Datis nietalleenachteraf(exnunc) vastte stellen,maar was ook destijds (extunc) te voorzien.
[1]Mr.I.R.J.Thijssenis verbondenaanJaeger Advocaten-belastingkundigen.
Bron:http://www.ndfr.nl/link/NTFR2014-1868 Datum:15-4-2016 10:51:47

Alle rechten voorbehouden. Alle auteursrechten en databankrechten van deze tekst worden uitdrukkelijk voorbehouden. Deze rechten berusten bij Sdu Uitgevers. Niets uit NDFRmag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand ofopenbaar gemaakt in enige vorm ofop enige wijze, hetzij elektronisch,mechanisch, door fotokopieën, opnamen ofenige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
All rights reserved. No part ofthis publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without the publisher’s prior consent.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op