Geen toekenning proceskostenvergoeding proceskostenvergoeding

  

Geen toekenning proceskostenvergoeding proceskostenvergoeding

Gepubliceerd in: NTFR 2013/1337
Datum: 21-06-2013
Auteur(s): M.H.W.N. Lammers

Bekijk PDF





NTFR2013/1337 Geen toekenning proceskostenvergoeding bijprematuur bezwaar tegen art.26 WOZ-beschikking
Hoge Raad21juni2013,nr.12/03229
Belastingjaar/tijdvak Wetsartikelen
Auteur
BNB
2010Brondocument Awb-art. 7:15
Wet WOZ-art. 26 mr. M.H.W.N.
Lammers
2013/187
LJN
CA3934
Samenvatting
Tenaanzienvanerflater is voor hetjaar 2010 de WOZ-waarde vaneenwoning vastgesteld op € 407.000.Belanghebbende heeftbij
briefvan20 december 2010 de gemeente verzochtop de voetvanart.26 WetWOZeennieuwe beschikking afte geven.Indie brief heeftbelanghebbende directbezwaar gemaaktenonder overlegging vaneentaxatierapporteenwaarde van€ 340.000 bepleit.Bij uitspraak op bezwaar van16 maart2011 is hetbezwaar niet-ontvankelijk verklaard.De art.26 WetWOZ-beschikking is met dagtekening 20 maart2011 afgegevennaar eenwaarde van€ 340.000.De proceskostenzijnnietaanbelanghebbende vergoed. Volgens de Hoge Raad is hetbezwaar prematuur ingediend endaarom terechtniet-ontvankelijk verklaard.Anders danHofArnhem (26 juni 2012,nr.11/00689,NTFR2012/1999) vindtde Hoge Raad datde gemeente de proceskostenniethoeftte vergoeden.Vaneen herroeping vaneenbesluitnaar aanleiding vaneenbezwaar is immers geensprake.Datde heffingsambtenaar de waarde bij beschikking lager heeftvastgesteld dande tenaanzienvanerflater vastgestelde waarde,doetdaaraannietaf.
Feiten
3.1.Incassatie kanvanhetvolgende wordenuitgegaan.
3.1.1.Belanghebbende heefteenwoning verkregenuitde nalatenschap vanA (hierna:erflater),overledenop 4 oktober 2010. 3.1.2.De waarde vande woning voor hetkalenderjaar 2010 was tenaanzienvanerflater bijbeschikking vastgesteld op € 407.000. 3.1.3.Bijbriefvan20 december 2010 heeftbelanghebbende op de voetvanartikel26 vande WetWOZverzochtom eenvoor bezwaar vatbare beschikking te harenaanzien.Bijdezelfde briefheeftzijbezwaar gemaakttegende afte gevenbeschikking onder bijvoeging vaneentaxatierapportwaarinde woning werd gewaardeerd op € 340.000.Voorts heeftbelanghebbende verzochtom eenvergoeding vangemaakte kosteninde zinvanartikel7:15,lid 2,vande Awb.
3.1.4.Bijuitspraak van16 maart2011 heeftde heffingsambtenaar hetbezwaar niet-ontvankelijk verklaard.Hijheeftde door belanghebbende gemaakte kostennietvergoed.
3.1.5.Metdagtekening 20 maart2011 heeftde heffingsambtenaar op de voetvanartikel26 vande WetWOZeenvoor bezwaar vatbare beschikking afgegeven.Daarbijheefthijde waarde vande woning voor hetkalenderjaar 2010 overeenkomstig hetstandpuntvan belanghebbende vastgesteld op € 340.000.
Geschil
4.Beoordelingvanhetincidenteleberoepvanbelanghebbende
4.1.Voor hetHofwas ingeschilofde heffingsambtenaar hetbezwaar terechtniet-ontvankelijk heeftverklaard.
4.2.HetHofheeftdeze vraag bevestigend beantwoord.Hetheeftdaarbijhetstandpuntvanbelanghebbende verworpendatniet-ontvankelijkverklaring op grond vanartikel6:10,lid 1,letter b,vande Awb achterwege dientte blijvenomdatzijmochtmenendathet besluittentijde vanhetindienenvanhetbezwaar reeds totstand was gekomen.Tegenditoordeelrichtzichhetincidentele beroep.
Rechtsoverwegingen
4.3.Artikel26,aanhefenlid 1,letter a,vande WetWOZstrektertoe eennieuwe gebruiker ofgenotsgerechtigde eenrechtsingang te
biedenmetbetrekking totde te zijnenaanziengeldende waarde.Daartoe neemtde heffingsambtenaar,nadatdaarom is verzocht, wederom eenbeschikking op de voetvanartikel22 vande WetWOZ,dochnutenaanzienvandie nieuwe gebruiker of genotsgerechtigde.De beschikking behelstderhalve eennieuwe waardevaststelling ennietslechts de bekendmaking vaneenreeds eerder tenaanzienvaneenander genomenbesluitaangaande de waardevaststelling.Datdeze hernieuwde vaststelling inde regelniet toteenander resultaatleidt,doetdaaraannietaf.
4.4.Geletop hethiervoor in4.3 overwogene moetervanwordenuitgegaandatde indiener vaneenverzoek op de voetvanartikel26 vande WetWOZtentijde vande indiening vandatverzoek redelijkerwijs nietervanmag uitgaandathetdesbetreffende besluitreeds tot stand is gekomen.Wanneer reeds bijdatverzoek bezwaar wordtgemaakttegende waardevaststelling,dientditbezwaar danook niet-ontvankelijk te wordenverklaard op de grond dathetbezwaarschriftvoor hetbeginvande termijnis ingediend. 4.5.HetHofheeftinzoverre op goede grondeneenjuiste beslissing gegeven.De klachtenfalenderhalve.
5.BeoordelingvanhetprincipaleberoepvanhetCollege
5.1.HetHofheeftgeoordeeld datde heffingsambtenaar de kostendie belanghebbende inverband methethiervoor in3.1.3 bedoelde
verzoek heeftgemaakt,had dienente vergoeden.Hetheeftdaartoe overwogendatde onderhavige situatie voor de toepassing van artikel7:15,lid 2,vande Awb kanwordengelijkgesteld metde situatie waarinbezwaar wordtgemaakttegeneenbeschikking op de voetvanartikel22 vande WetWOZ.De klachtenrichtenzichtegenditoordeel.

5.2.Geletop artikel7:15,lid 2,vande Awb is slechts plaats voor hetvergoedenvankostendie de belanghebbende inverband metde behandeling vaneenbezwaar heeftmoetenmaken,indiensprake is vanhetherroepenvaneenbestredenbesluit.Inhetonderhavige gevalis,zoals volgtuithethiervoor in4.4 overwogene,vanherroeping vaneenbesluitnaar aanleiding vaneendaartegengemaakt bezwaar geensprake.Daaraandoetnietafdatde heffingsambtenaar de waarde vande woning bijde hiervoor in3.1.5 bedoelde beschikking (ambtshalve) lager heeftvastgesteld danbijde tenaanzienvanerflater genomenbeschikking.Hieruitvolgtdatgeengrond bestaatvoor hetvergoedenvande door belanghebbende gemaakte kostenop de voetvanartikel7:15,lid 2,vande Awb.’s Hofs oordeelgeeftdanook blijk vaneenonjuiste rechtsopvatting.De klachtenslagen.
5.3.Geletop hethiervoor in5.2 overwogene kan’s Hofs uitspraak nietinstand blijven.De Hoge Raad kande zaak afdoen. (Volgtvernietiging vande hofuitspraak enbevestiging vande rechtbankuitspraak.)
Commentaar
Over hettoekennenvanproceskostenvergoedingenbijWOZ-zakenis op ditmomentveelte doen.Door de ministers Opstelten
(Veiligheid enJustitie) enPlasterk (Binnenlandse Zaken) is hierover eenbesluitter (internet)consultatie voorgelegd (Besluit proceskostenWOZ-zaken).
Ditbesluithoudteendrastische verlaging vande proceskostenvergoeding in,metals doelhetaanpakkenvan‘no cure no pay’-rechtshulpverleners.Art.26 WetWOZis inhetlevengeroepenom rechtsbescherming te verlenenaanburgers.Hetnieuwe besluit daarentegenkanwordengekarakteriseerd als eenvermindering vande rechtsbescherming.Hierinwordtnamelijk de proceskostenvergoeding inWOZ-zakengehalveerd.Bovendienverkrijgteenbelastingplichtige alleennog eenproceskostenvergoeding indiende WOZ-waarde significantwordtaangepast.
Terug naar deze procedure.Door de gemeente is ineerste instantie eenWOZ-beschikking vastgesteld.De eigenaar is vervolgens overleden.De erfgenaam (hierna:nieuwe eigenaar) heeftde gemeente mettoepassing vanart.26 WetWOZverzochtom eennieuwe beschikking afte gevenenindezelfde briefbezwaar gemaakttegende eerder vastgestelde waarde.Ter ondersteuning vanzijn argumentendatde WOZ-waarde te hoog is vastgesteld,is eentaxatierapportbijgevoegd.
De heffingsambtenaar heeftditbezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdathetprematuur is ingediend.Ditoordeelwordtdoor de Hoge Raad instand gelaten.Hierbijwordtstriktgekekennaar hetfeitdattentijde vanhetmakenvanhetbezwaar voor de nieuwe eigenaar nog geenWOZ-beschikking was vastgesteld.
De heffingsambtenaar komtbijhetbepalenvande WOZ-waarde voor de nieuwe eigenaar toteenaanzienlijk lagere waarde danbijde overledeneigenaar.HofArnhem grijptditaanom eenproceskostenvergoeding toe te kennenomdatde nieuwe WOZ-waarde ruim 20% lager is dande eerder vastgestelde waarde ende gemeenteambtenaar ook erkentdathijdittentijde vanhetvaststellenvande eerste WOZ-beschikking alhad kunnenweten.De Hoge Raad vernietigtechter de proceskostenveroordeling.Daarbijoverweegtde Hoge Raad datde heffingsambtenaar voor de nieuwe eigenaar eennieuwe beschikking neemt.Voorafgaand aanhetnemenvandie beschikking bepaaltde heffingsambtenaar de waarde vande onroerende zaak.Datde heffingsambtenaar daarbijtoteenandere waarde komtdande waarde die ineerste instantie inde beschikking aande overledeneigenaar was opgenomen,levertgeen herroeping op inde zinvanart.7:15 Awb.
Hoewelde beslissing vande Hoge Raad inhetlichtvande wetvaltte begrijpen(art.7:15 Awb maakthetnietmogelijk om een vergoeding toe te kennenvoor gemaakte kosteninde ‘aanslagregelende fase’),is de lijnvanHofArnhem sympathieker.De belastingplichtige heeftinditgevalgetrachtefficiëntte procederenenwordtdaarvannude dupe voor de proceskosten.Had hijnamelijk alleenverzochtom eennieuwe WOZ-beschikking danhad de heffingsambtenaar naar alle verwachting eeneensluidende WOZ-beschikking afgegevenals aande overledeneigenaar.Daartegenhad de nieuwe eigenaar danbezwaar kunnenmaken,zijn taxatierapportkunnenoverleggeneninde uitspraak op bezwaar had de heffingsambtenaar dande waarde lager vastgesteld eneen kostenvergoeding toegekend.
Ook op ditfrontwordtde belastingplichtige derhalve nietgeholpenom kostenvergoed te krijgendie zijngemaaktom toteenjuiste vaststelling vande waarde vaneenonroerende zaak te komen.
[1]Mr.M.H.W.N.Lammers is advocaatbijHertoghs advocaten– belastingkundigen.
Bron:http://www.ndfr.nl/link/NTFR2013-1337 Datum:25-4-2016 13:02:25
Alle rechten voorbehouden. Alle auteursrechten en databankrechten van deze tekst worden uitdrukkelijk voorbehouden. Deze rechten berusten bij Sdu Uitgevers. Niets uit NDFRmag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand ofopenbaar gemaakt in enige vorm ofop enige wijze, hetzij elektronisch,mechanisch, door fotokopieën, opnamen ofenige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
All rights reserved. No part ofthis publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without the publisher’s prior consent.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op