Geen voortvarendheidseis binnen ‘reguliere’ navorderingstermijn

  

Geen voortvarendheidseis binnen ‘reguliere’ navorderingstermijn

Gepubliceerd in: NTFR 2016/2278
Datum: 22-12-2015
Auteur(s): V.S. Huygen van Dyck-Jagersma

Bekijk PDF





NTFR2016/2278 Geen voortvarendheidseis binnen ‘reguliere’ navorderingstermijn
Rechtbank Noord-Nederland22december2015,nr.13/10
Belastingjaar/tijdvak Trefwoorden
Wetsartikelen
Auteur
ECLI
2006Brondocument inkeer, vergrijpboete,
verzwegen inkomsten AWR-art. 67e
AWR-art. 16
Mr. V.S. Huygen van Dyck-Jagersma
ECLI:NL:RBNNE:2015:6183
Samenvatting
Inhetkader vanhetprojectBank zonder Naam is aanbelanghebbende op 28 december 2011 eennavorderingsaanslag IB/PVV over
hetjaar 2006 opgelegd wegens verzwegeninkomstenuiteenbuitenlandse bankrekening.Tevens is eenvergrijpboete van100% opgelegd.Belanghebbende brengtingeschilofde inspecteur voldoende voortvarend heeftgehandeld.Die klachtachtde rechtbank ongegrond.Uitde tekstnochuitde totstandkoming vanart.16,lid 3,AWRis afte leidendatineengevalwaarineeninspecteur een navorderingsaanslag oplegtbinnenvijfjaar,maar nietzo voortvarend als mogelijk,dittotvervalvande navorderingsbevoegdheid zou leiden.Voor de overschrijding vande redelijke termijnkentde rechtbank eenvergoeding toe van€ 500 voor de bezwaarfase en€ 1.500 voor de beroepsfase.De inspecteur is bereid de vergrijpboete te verminderentotop 90% omdatbelanghebbende inde beroepsfase alsnog opening vanzakenheeftgegeven.Metinachtneming hiervanendoor eenundue delayvanmeer dantwee jaar,op basis waarvan de rechtbank de vergrijpboete met20% vermindert,wordtde vergrijpboete uiteindelijk op 72% vastgesteld.
(Beroep gegrond.)
Commentaar
De ‘zwartspaarder’ indeze casus verweerde zichtegende aanslag entegende daarbijopgelegde boete.De beoordeling ofde boete
voldoende gematigd is vanwege de alsnog gegevenopenheid vanzakeninde beroepsfase,is casuïstischvanaard.Tegende aanslag zelfstelde belanghebbende datdeze onvoldoende voortvarend is opgelegd endaarom vernietigd dientte worden.De rechtbank verwerptdeze klachtonder verwijzing naar het– inde tussentijd gewezen– arrestHR14 augustus 2015,nr.14/02491,NTFR 2015/2285.Daarinoordeelde de Hoge Raad dateenvoortvarendheidseis nietgeldtals gebruik wordtgemaaktvande ‘binnenlandse’ navorderingstermijnvanvijfjaar.
Die voortvarendheidseis geldtnaar hetoordeelvande Hoge Raad uitsluitend als gebruik wordtgemaaktvande ‘verlengde’ termijnvan twaalfjaar op grond vanart.16,lid 4,AWR.Over hetonderscheid innavorderingstermijnover vermogensbestanddelendie inNederland (vijfjaar) ofhetbuitenland zijnaangehouden(twaalfjaar) oordeelde hetHvJ op 11 juni 2009 (zaak C-155/08 enC-157/08,NTFR 2009/1742).HetHvJ antwoordde op prejudiciële vragendatde verlengde navorderingstermijninbeginseleenverbodenbeperking van hetvrije dienstenverkeer envrije kapitaalverkeer oplevert.Die beperking kanwordengerechtvaardigd door de noodzaak de doeltreffendheid vanfiscale controles te waarborgen.De bijkomende navorderingstermijnmoetdanechter welafhankelijk zijnvande tijd die nodig is om op nuttige wijze vaninternationale inlichtingenuitwisseling gebruik te maken.De Hoge Raad heeftditals volgt uitgewerkt:een‘onverklaarbare vertraging vanmeer danzes maanden’ is nietaanvaardbaar enleidttotvernietiging vande betreffende aanslag (HR27 september 2013,nr.12/00738,NTFR2013/1954 enHR28 maart2014,nr.13/03554,NTFR2014/1047).
Omdatde eis vanvoortvarend handelenis voortgevloeid uiteenongeoorloofd onderscheid tussenbelastingheffing over Nederlandse en buitenlandse vermogens/inkomsten,heeftdie eis geeneffectals vandie ‘extra tijd’ geengebruik wordtgemaakt.Los daarvanzouwel watte zeggenzijnvoor eenvoortvarendheidseis ook binnende vijfjaarstermijn,bijvoorbeeld op grond vanhetzorgvuldigheidsbeginsel, rechtszekerheidsbeginselofverbod op misbruik vanbevoegdheden(‘detournementde pouvoir’).De mogelijkheid om totvijfjaar na afloop vanhetbelastingjaar na te vorderendientimmers niette wordenbenut‘omdathetkan’ maar omdatde noodzaak daartoe bestaat.Vooralsnog biedende wetenjurisprudentie echter geenbasis voor eendergelijk verweer.Metzijnarrestvan14 augustus 2015 heeftde Hoge Raad eennationale voortvarendheidseis vande hand gewezen.
[1]Vanessa HuygenvanDyck-Jagersma is verbondenaanJaeger advocaten-belastingkundigente Amsterdam.
Bron:http://www.ndfr.nl/link/NTFR2016-2278 Datum:27-9-2016 10:43:15
Alle rechten voorbehouden. Alle auteursrechten en databankrechten van deze tekst worden uitdrukkelijk voorbehouden. Deze rechten berusten bij Sdu Uitgevers. Niets uit NDFRmag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand ofopenbaar gemaakt in enige vorm ofop enige wijze, hetzij elektronisch,mechanisch, door fotokopieën, opnamen ofenige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
All rights reserved. No part ofthis publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without the publisher’s prior consent.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op