Geslaagd beroep op gelijkheidsbeginsel bij onttrekking grond bedrijfswoning

  

Geslaagd beroep op gelijkheidsbeginsel bij onttrekking grond bedrijfswoning

Datum: 03-02-2012
Auteur(s): I.R.J. Thijssen

Bekijk PDF





NTFR2012/377 Geslaagd beroep op gelijkheidsbeginselbij onttrekking grond bedrijfswoning
Hoge Raad03februari2012,nr.10/02985
Belastingjaar/tijdvak Wetsartikelen
2004Brondocument Wet IB 2001-art. 3.12
Awb-art. 4:84 GW-art. 1
mr. I.R.J. Thijssen 2012/110
BV2576
Auteur BNB LJN
ECLI
ECLI:NL:HR:2012:BV2576
Samenvatting
Belanghebbende,agrariër,heeftop 14 december 2004 eenagrarischbouwperceelovergebrachtvanhetondernemingvermogennaar
zijnprivévermogenvoor de bouwvaneenbedrijfswoning.Belanghebbende wenstop basis vanhetgelijkheidsbeginselhetverschil tussende waarde inheteconomische verkeer bijagrarische bestemming (WEVAB) vancultuurgrond ende WEVAB-bouwgrond onder de landbouwvrijstelling te rangschikken.HofArnhem (NTFR2010/1809) heeftbelanghebbende inhetgelijkgesteld.De staatssecretaris heeftimmers zijnbeleid metbetrekking totde onttrekking vande ondergrond vanwoningennietbinneneenredelijke termijnbeëindigd nadatinHR7 mei 2004,NTFR2004/723 t/m NTFR2004/728 was geblekendatditbeleid op eenonjuiste rechtsopvatting berustte. Intrekking vanhetbeleid heeftpas bijbesluitvan8 maart2006,NTFR2006/444,plaatsgevonden.Volgens de Hoge Raad behelsthet besluitvan8 maart2006 nietalleeneenintrekking,maar ook eenzelfstandige tegemoetkoming metbetrekking tothetbereik vande landbouwvrijstelling.Los vande vraag ofde staatssecretaris te veeltijd heeftgenomenvoor de beëindiging vanhetbeleid,kan belanghebbende metvruchteenberoep doenop die zelfstandige tegemoetkoming inhetbesluitvan8 maart2006.
Feiten
3.1.Incassatie kanvanhetvolgende wordenuitgegaan.
3.1.1.Belanghebbende drijftsamenmetzijnechtgenote inmaatschapverband eenlandbouwbedrijf.Hetwinstaandeelvan belanghebbende bedraagt50 percent.
3.1.2.Op 14 december 2004 heeftbelanghebbende eenagrarischbouwperceelter grootte van900 m² overgebrachtvanhet ondernemingsvermogennaar hetprivévermogenmethetoogmerk deze grond te gebruikenvoor de bouwvaneenbedrijfswoning. 3.1.3.De Belastingdienstvoerde voor onder meer hetonderhavige jaar (2004) eenbeleid op grond waarvanbijonttrekkingenvande ondergrond vanbestaande bedrijfswoningenaanhetondernemingsvermogende landbouwvrijstelling konwordentoegepastvoor het verschiltussende waarde inheteconomische verkeer bijagrarische bestemming (hierna:WEVAB) cultuurgrond ende WEVAB bouwgrond (hierna:hetBeleid).
3.1.4.HetHofheeft– incassatie onbestreden– vastgesteld datnaar aanleiding vande arrestenvande Hoge Raad van7 mei 2004 (nr. 38.650,LJNAO9022,BNB 2004/335,nr.39.115,LJNAO9023,BNB 2004/336,nr.39.116,LJNAO9024,nr.39.751,LJNAO9025, BNB 2004/337,nr.39.752,LJNAO9026,ennr.39.963,LJNAO9028,BNB 2004/338 (NTFR2004/723 t/m NTFR2004/728;red.)) de Staatssecretaris vanFinanciënzicheersteind november 2004 ervanbewustis gewordendathetBeleid watbetreftde onttrekkingen vande ondergrond vanbestaande bedrijfswoningenaanhetondernemingsvermogen,berustte op eenonjuiste rechtsopvatting. 3.1.5.Inapril2005 heeftde Staatssecretaris aande Vereniging vanAccountants- enBelastingadviesbureau’s VLB tijdens eenoverleg inhetkader vanallanger lopende besprekingenover de gevolgenvande wijziging vanartikel8,lid 1,letter b,vande Wetop de inkomstenbelasting 1964 per 27 juni 2000 (hierna:de 27 juni-problematiek) kenbaar gemaaktdathetBeleid berustop eenonjuiste rechtsopvatting enmedegedeeld dathetBeleid beëindigd zalworden.Indatoverleg is eenbegingemaaktmetberaadslagingenover hettreffenvaneenovergangsregeling inverband metde intrekking vanhetBeleid.
3.1.6.Intrekking vanhetBeleid is uiteindelijk geschied bijhetBesluitvande Staatssecretaris vanFinanciënvan8 maart2006,nr. CPP2005/3338M,BNB 2006/197 (NTFR2006/444;red.),waarinnietalleende gevolgenvande hiervoor in3.1.4 vermeldde arresten zijnaangeduid,maar ook standpuntenzijnbepaald metbetrekking totde 27 juni-problematiek.
3.1.7.De Inspecteur heefthetdoor belanghebbende aangegeveninkomenuitwerk enwoning gecorrigeerd door de landbouwvrijstelling niettoe te passenop hetverschiltussende WEVAB cultuurgrond ende WEVAB bouwgrond ter zake vande onttrekking vande bouwgrond aanbelanghebbendes ondernemingsvermogen.
3.1.8.Belanghebbende heeftzichvoor de Rechtbank envoor hetHofonder meer meteenberoep op hetgelijkheidsbeginselop het standpuntgesteld datde landbouwvrijstelling inzijngevaldientte wordentoegepastop hetverschiltussende WEVAB cultuurgrond en de WEVAB bouwgrond.Daartoe heefthijgesteld dathetonjuiste Beleid nietbinnenredelijke termijnis beëindigd.Zijnstandpuntheeft hijtevens hierop gegrond datde Staatssecretaris inonderdeel4 vanhethiervoor in3.1.6 genoemde Besluitvan8 maart2006 de mogelijkheid om de landbouwvrijstelling toe te passen– ondanks de hiervoor in3.1.4 vermelde arresten– ook heeftgebodenaanalle ondernemers inde agrarische sector,die na de bekendmaking vande intrekking vanhettotdantoe gevoerde Beleid de wens zouden opvattende etikettering vanhunwoning te wijzigen.
3.2.HetHofheeftbelanghebbendes beroep op hetgelijkheidsbeginselgehonoreerd.
Naar hetoordeelvanhetHofwijkthetonttrekkenvande ondergrond vaneenbestaande woning aanhetondernemingsvermogen(het gevalwaarvoor hetBeleid eenbegunstiging inhoudt) nietinrelevante zinafvanhetonttrekkenvancultuurgrond aanhet

ondernemingsvermogenvoor de bouwop die grond vaneennieuwe woning (hetgevalvanbelanghebbende).Laatstbedoeld oordeel wordtincassatie nietbestreden.
Metbetrekking totde vraag ofaanhetberoep op hetgelijkheidsbeginselinde weg staatdathetBeleid berustte op eenonjuiste rechtsopvatting,heefthetHofoverwogendatgeletop hetarrestvande Hoge Raad van22 januari 2010,nr.09/01038,LJNBL0088, BNB 2010/146 (NTFR2010/301;red.),eenberoep op hetgelijkheidsbeginselineendergelijk gevalnietslaagtindiende Staatssecretaris,nadatde onjuistheid vanzijnrechtsopvatting is gebleken,binneneenredelijke termijnheeftbeslotenhetbeleid te beëindigenendatbesluitook kenbaar heeftgemaaktaande belastingplichtigentenaanzienvanwie hetbeleid gevoerd werd,endat eenberoep op hetgelijkheidsbeginselineendergelijk gevalevenminslaagtals de Staatssecretaris aandegenenvoor wie hetbeleid gold eenovergangstermijnguntdie – geletop de omstandighedenvanhetgeval– redelijk is.
HetHofheeftgeoordeeld dat,voor zover hetaankaarteninhethiervoor in3.1.5 genoemde overleg vanapril2005 alheeftte geldenals kenbaar makenaande belastingplichtigentenaanzienvanwie hetBeleid werd gevoerd,de Inspecteur onvoldoende feitenheeft aangedragenwaaruitvolgtdathetredelijk is datbijna eenhalfjaar nodig is geweestvoor die kennisgeving.Naar hetoordeelvanhet Hofheeftde Staatssecretaris eenonredelijk lange termijnnodig gehad om zijnbesluittotbeëindiging vanhetBeleid kenbaar te maken enom eenovergangsregeling te treffen.
Geschil
3.3.Hetmiddelbestrijdt’s Hofs oordeelmethetbetoog datde onjuistheid vanhetBeleid ende aankondiging vande beëindiging
daarvanbinneneenredelijke termijnkenbaar zijngemaakt.Hetmiddelkanop grond vanhetnavolgende niettotcassatie leiden.
Rechtsoverwegingen
3.4.Hethiervoor in3.1.6 genoemde Besluitvan8 maart2006 steltagrarische ondernemers die geengebruik haddengemaaktvande
mogelijkheid om als gevolg vande invoering vande WetIB 2001 ende wijziging vande landbouwvrijstelling per 27 juni 2000 inde Wet ondernemerspakket2001,de tothetondernemingsvermogenbehorende woning alsnog tothetprivévermogente rekenenper 31 december 2005.Zijdiendendanonder meer hunkeuze uiterlijk 30 juni 2006 schriftelijk kenbaar te makenaande voor henbevoegde inspecteur vande Belastingdienst.Indienzijgebruik maaktenvandeze mogelijkheid konvolgens hetBesluitvan8 maart2006 de landbouwvrijstelling nog wordentoegepastop hetverschiltussende WEVAB cultuurgrond ende WEVAB bouwgrond.
De aldus gebodenmogelijkheid stond derhalve ook openvoor agrarische ondernemers die voordatde beëindiging vanhetBeleid werd bekendgemaaktnog geenaanstaltenhaddengemaaktom de etikettering vanhunbedrijfswoning te wijzigenofzelfs nietdaartoe het voornemenhadden.Inzoverre kanhetBesluitvan8 maart2006 nietwordengeachtinhettekente staanvande beëindiging en afwikkeling van(de gevolgenvan) hetBeleid;hetstrektverder danhettreffenvaneenovergangsregeling om te voldoenaan gerechtvaardigde eisenvanrechtszekerheid ofeerbiediging vangewektvertrouwen.HetBesluitvan8 maart2006 behelstinzoverre eenzelfstandige tegemoetkoming die nietwas ingegevendoor eenonjuiste rechtsopvatting metbetrekking tothetbereik vande landbouwvrijstelling.Ditbetekentdat,los vande vraag ofde Staatssecretaris te veeltijd heeftgenomenvoor de beëindiging vanhet Beleid,metvruchteenberoep op hetgelijkheidsbeginselkanwordengedaandoor agrarische ondernemers die gelijk wensente wordenbehandeld als agrarische ondernemers die uiterlijk per 31 december 2005 de tothetondernemingsvermogenbehorende woning naar hetprivévermogenoverbrachten.
HetHofheeft,ervanuitgaande dathetgevalvanbelanghebbende gelijk is te stellenmethetgevalwaarineenbestaande woning aanhet ondernemingsvermogenwordtonttrokken,derhalve terechthetdoor belanghebbende gedane beroep op hetgelijkheidsbeginsel gehonoreerd,water zijvande daartoe door hetHofgebezigde gronden.
(Volgtongegrondverklaring.)
Commentaar
Uiteenreeks arrestenvan7 mei 2004 (NTFR2004/728) over hetbereik vande landbouwvrijstelling volgde dathetdestijds door de
staatssecretaris tenopzichte vaneenbepaalde groep belastingplichtigengevoerde beleid berustte op eenonjuiste rechtsopvatting. Nietteminduurde hettot8 maart2006 voordatde staatssecretaris zijnbeleid aanpaste eneenovergangsregeling trof(NTFR2006/444). Belanghebbende behoorde niettotde groep waarop hetbeleid betrekking had,maar was voor hetoverige voor de toepassing vande wetwelgelijk enberoeptzichop hetgelijkheidbeginsel.HofArnhem overwoog – kortgezegd – inzijnuitspraak van1 juni 2010 (NTFR 2010/1809) datde staatssecretaris eenonredelijk lange termijnnodig had om zijnbesluittotbeëindiging vanhetbeleid kenbaar te makeneneenovergangsregeling te treffen.Vanwege die traagheid merkte hethofvanafhetmomentdatde staatssecretaris zich bewustwas vande onjuistheid vanzijnrechtsopvatting hetvanoorsprong interpretatieve beleid aanals begunstigend beleid waarop ook belanghebbende zichkonberoepen.Tegenditoordeelging de minister incassatie,omdatweliswaar pas bijbesluitvan8 maart2006 hetonjuiste beleid formeelwerd ingetrokken,maar datde staatssecretaris aleerder de onjuistheid vanhetbeleid (informeel) kenbaar had gemaakt.UitHR22 januari 2010 (NTFR2010/301) zoublijkendatde kenbaarheid bijdegene totwie hetbeleid zichrichtvanmeer belang is dande formele beëindiging vanhetbeleid.De Hoge Raad gaatinhetonderhavige arrestechter nietinop ditaspect,maar steltvastdathetbesluitvan8 maart2006 veelverder strektdanhetslechts beëindigenvanonjuistbeleid enhettreffenvaneen overgangsregeling.Hetbesluitvan8 maart2006 behelsde eenzelfstandige tegemoetkoming voor agrarische ondernemers om alsnog per 31 december 2005 de tothetondernemingsvermogenbehorende ondergrond vaneenbestaande woning naar privé over te
hevelen.Ofschoonbelanghebbende per 14 december 2004 eenbouwperceelzonderwoning naar privé had overgebracht,was deze rechtens gelijk te stellenmetde groep waarop hetbeleid betrekking had enkondeze zich– water ook zijvande daartoe door hethof
gebezigde gronden– metvruchtberoepenop hetgelijkheidsbeginsel,aldus de Hoge Raad.
[1]Mr.I.R.J.Thijssenis verbondenaanJaeger Advocaten-belastingkundigen.
Bron:http://www.ndfr.nl/link/NTFR2012-377 Datum:15-4-2016 10:41:54
Alle rechten voorbehouden. Alle auteursrechten en databankrechten van deze tekst worden uitdrukkelijk voorbehouden. Deze rechten berusten bij Sdu Uitgevers. Niets uit NDFRmag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand ofopenbaar gemaakt in enige vorm ofop enige wijze, hetzij elektronisch,mechanisch, door fotokopieën, opnamen ofenige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
All rights reserved. No part ofthis publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without the publisher’s prior consent.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op