Gevolgen schending van de rechten van de verdediging

  

Gevolgen schending van de rechten van de verdediging

Datum: 25-02-2014
Auteur(s): I.R.J. Thijssen

Bekijk PDF





NTFR2014/1053 Gevolgen schending van de rechten van de verdediging
AG HvJ25februari2014,nr.C-129/13 AG HvJ25februari2014,nr.C-130/13
Belastingjaar/tijdvak Trefwoorden Wetsartikelen
Brondocument verdedigingsbeginsel
Awb-art. 8:12 Awb-art. 3:2
Auteur
mr. I.R.J. Thijssen
Samenvatting
Op 22 februari 2013 (nr.10/02774 en10/02777,NTFR2013/537) is door de belastingkamer vande Hoge Raad – conform de
conclusie vanA-GVanHilten(NTFR2011/1673) – eenverzoek om eenprejudiciële beslissing ingediend bijhetHvJ.Indeze procedure ging hetom eenaaneenbelanghebbende toegezondenuitnodiging totbetaling (vandouanerechten) waarinstond vermeld datde motivering ervanop eenlater tijdstip zouvolgendoor middelvantoezending vaneencontrolerapport.Uiteindelijk werd belanghebbende inde bezwaarfase alsnog gehoord.
Ingeschilis ofhetEuropeesrechtelijke verdedigingsbeginselis geschonden,enzo ja,watde gevolgendaarvanmoetenzijn.De douanekamer vanHofAmsterdam oordeelde – kortgezegd – datweliswaar hetverdedigingsrechtwas geschondendoordat belanghebbende nietvoorafgaande aande uitreiking vande utb’s op enigerlei wijze inde gelegenheid was gesteld om zichdaarover uit te laten,maar overwoog vervolgens datzulks nietleidttotvernietiging vande utb’s omdatbelanghebbende nietwas benadeeld (er bestond geengeschilover de hoogte vande utb’s) enomdatbelanghebbende inbezwaar enberoep alsnog zijnzienswijze schriftelijk en mondeling heeftkunnentoelichten.De schending vanhetverdedigingsbeginselwas voor hetHofwelaanleiding om de inspecteur te veroordeleninde proceskosten.Inde daarop volgende cassatieprocedure was de Hoge Raad vanoordeeldathetnietvoldoende duidelijk is watde gevolgenmoetenzijnvanschending vanhetverdedigingsbeginselenstelde bijgevolg eenaantalprejudiciële (deel)vragenaanHvJ.
Op 25 januari 2014 heeftA-GWatheletde onderhavige conclusie genomen.AllereerstconcludeertA-GWatheletdatbelanghebbenden zichvoor de nationale rechter rechtstreeks op de eerbiediging vande rechtenvande verdediging moetenkunnenberoepenom te voorkomendatdeze verdedigingsrechtentoteendode letter verwordenofer louter voor de vorm zijn.Vervolgens wordtdoor A-G Watheletgeconcludeerd dathetverdedigingsbeginselwordtgeschondenindiende adressaatvaneenbezwarend besluitnietdaaraan voorafgaand is gehoord.De omstandigheid datde inde daaropvolgende bezwaarprocedure alsnog de mogelijkheid bestaatom te wordengehoord,doetom eenaantalovertuigende redenenaande eerdere schending vanhetverdedigingsbeginselnietaf,metname omdateenbezwaarprocedure geenautomatische opschortende werking heeft.Tenslotte is A-GWatheletvanoordeeldat– met verwijzing naar hetrecente arrestvanhetHvJ van10 september 2013 (zaak C-383/13PPU,NTFR2014/945) – schending vanhet verdedigingsbeginselpas totnietigverklaring vanhetbezwarende besluitleidtwanneer de (administratieve) procedure zonder deze onregelmatigheid eenandere afloop zoukunnenhebbengehad.
Commentaar
Inart.41 Handvestvande grondrechtenvande Europese Unie is hetnavolgende vastgelegd:‘Eenieder heefter rechtop datzijnzaken
onpartijdig,billijk enbinneneenredelijke termijndoor de instellingen,organeneninstanties vande Unie wordenbehandeld.(…) Dit rechtbehelstmetname:hetrechtvaneenieder te wordengehoord voordatjegens hem eenvoor hem nadelige individuele maatregel wordtgenomen.’ WolfvatditEuropeesrechtelijke beginselinzijncommentaar inNTFR2011/1834 (bijRechtbank DenHaag 25 januari 2011,nr.08/06449 en08/06450) treffend samenals hetbeginselvan‘eerstinformeren,danduperen’.Volgens A-GWatheletdoetde Nederlandse regelgeving afbreuk aanditEuropeesrechtelijke verdedigingsbeginsel.Weliswaar verplichtart.4:8,lid 1,Awb een bestuursorgaanom – voordatheteenbeschikking geeftdie nietis aangevraagd enwaartegeneenbelanghebbende naar verwachting bedenkingenzalhebben– eenbelanghebbende inde gelegenheid te stellenzijnzienswijze naar vorente brengen,maar deze verplichting geldtingevolge art.4:12 Awb echter nietals heteenbeschikking betreftdie strekttothetvaststellenvaneenfinanciële verplichting (zoals bijvoorbeeld eenbelastingaanslag ofutb) indiendaartegenbezwaar ofadministratiefberoep mogelijk is.Maar de eventuele constatering dateenbestuursorgaanhetverdedigingsbeginselschendt,is evenwelminder relevantals daaraangeenenkel gevolg wordtverbonden.Alsdanzouhetverdedigingsrechter immers – om de woordenvanA-GWatheletook inditkader te gebruiken – ‘louter voor de vorm’ zijn.
Alvorens de onderhavige conclusie vanA-GWathelette becommentariëren,is hetmijns inziens interessantom diens eerdere conclusie bijhetarrestvanhetHvJ van10 september 2013 (zaak C-383/13,NTFR2014/945) te beschouwen.Daarinformuleerde A-GWathelet (inr.o.68) – onder verwijzing naar drie arresten:HvJ 24 oktober 1996,zaak C-32/95 (Lisrestal,punt45),HvJ 21 september 2000,zaak C-462/98 (Mediocurso,punt50) enHvJ 29 juni 1994,zaak C-135/92 (Fiskano/Commissie,punt44) – de hoofdregeldateeninstrijd methetverdedigingsrechtgenomenbesluitnietig moetwordenverklaard.Deze hoofdregelwordtvervolgens door A-GWathelet genuanceerd door daaraantoe te voegendat‘hetook vaste rechtspraak is datde eerbiediging vanhetrechtom te wordengehoord geenabsolute gelding heeft,maar beperkingenkanbevatten,mits deze werkelijk beantwoordenaande doeleindenvanalgemeen belang die metde betrokkenmaatregelwordennagestreefd,en,hetnagestreefde doelinaanmerking genomen,nietzijnte beschouwen als eenonevenredige enonduldbare ingreep,waardoor de gewaarborgde rechteninhunkernwordenaangetast’.
Inhetop deze conclusie volgend arrestvan10 september 2013 gaathetHvJ echter metgeenenkelwoord inop deze door A-G

Watheletgeconstateerde hoofdregelenoordeelt(punt38) slechts dat:‘Metbetrekking totde door de verwijzende rechter gestelde vragenmoetwordenopgemerktdatschending vande rechtenvande verdediging,inhetbijzonder hetrechtom te wordengehoord,naar Unierechtpas totnietigverklaring vanhetna afloop vande administratieve procedure genomenbesluitleidt,wanneer deze procedure zonder deze onregelmatigheid eenandere afloop had kunnenhebben(zie indie zinmetname arrestenvan14 februari 1990, Frankrijk/Commissie,C-301/87,Jurispr.blz.I-307,punt31;5 oktober 2000,Duitsland/Commissie,C-288/96,Jurispr.blz.I-8237,punt 101;1 oktober 2009,FoshanShunde YongjianHousewares & Hardware/Raad,C-141/08 P,Jurispr.blz.I-9147,punt94,en6 september 2012,Storck/BHIM,C-96/11 P,punt80).’ Aldus gaathetHvJ voorbijaande ‘harde lijn’ dat– kortgezegd – eenschending vanhetverdedigingsbeginselde vernietiging vanhetlitigieuze besluittotgevolg heeft.
Inde onderhavige,meer recente,conclusie vanA-GWatheletblijftde eerder door hem geformuleerde hoofdregelachterwege en verwijsthij(inr.o.80) naar hethiervoor aangehaalde arrestvanhetHvJ van10 september 2013 waarin‘duidelijk,nauwkeurig en ondubbelzinnig’ de rechtsgevolgenuiteenzoudenzijngezetingevalvanschending vanhetverdedigingsbeginsel.Aldus is de (letterlijke) conclusie vanA-GWatheletdatschending vanhetverdedigingsbeginsel‘pas totnietigverklaring vanhetna afloop vande betrokken administratieve procedure genomenbesluitleidt,wanneer deze procedure zonder deze onregelmatigheid eenandere afloop zou kunnenhebbengehad’.Deze cryptische conclusie laatzichwatlastig lezen,maar hetlijktmijdatmet‘de betrokkenadministratieve procedure’ wordtgedoeld op de (voorbereidings)procedure:de hoorprocedure die volgens Europees rechtvoorafzoumoetengaanaan hetnemenvaneen(primair) besluit(maar welke procedure ingevolge art.4:12 Awb inhetonderhavige gevalnietheeftplaatsgevonden omdatheteenfinanciële beschikking betreft).
Ik verondersteldathetHvJ deze conclusie vanA-GWatheletvolgtendatinhetonderhavige gevalde utb’s uiteindelijk nietzullenworden vernietigd vanwege schending vanhetverdedigingsbeginsel.Ditomdatinde onderhavige procedure belanghebbende heefterkend dat de procedure geenandere afloop zouhebbengehad inhetgevalhijwelvoorafgaande aande utb’s zouzijngehoord.Dus er valtindeze procedure weinig vuurwerk te verwachtenvanhetHvJ (envervolgens de Hoge Raad) enhetwachtenis danook op eenprocedure waar welingeschilis datzonder schending vanhetverdedigingsbeginseleenandere afloop mogelijk zoukunnenzijn.
Schending vanhetverdedigingsbeginselkrijgtpas gevolgenindiende (mogelijk) andere afloop gelegenzouzijninde vermindering van de belastingbeschikking (endus voor eendeelinstand blijft).Alsdanzouop basis vande door A-GWatheletaangehaalde jurisprudentie vanhetHvJ de belastingbeschikking dus (geheel) moetenwordenvernietigd,mede gezienhetfeithetnietmogelijk lijkt om slechts eendeelvande belastingbeschikking te vernietigen.Eenbelastingbeschikking moetimmers als één(meerledig) besluit wordengezienennietals meerdere deelbesluitendie afzonderlijk vernietigbaar zijn.Vervolgens resteertdande vraag ofde inspecteur indatgevalnog eennieuwe belastingbeschikking kanopleggenom de resterende (materiële) belastingschuld te innen,maar datis weer eenandere discussie die ditcommentaar enigszins te buitengaat.
[1]Igor Thijssenis verbondenaanKanPiek Fiscale Advocatuur te Amsterdam
Bron:http://www.ndfr.nl/link/NTFR2014-1053 Datum:11-4-2016 15:03:35
Alle rechten voorbehouden. Alle auteursrechten en databankrechten van deze tekst worden uitdrukkelijk voorbehouden. Deze rechten berusten bij Sdu Uitgevers. Niets uit NDFRmag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand ofopenbaar gemaakt in enige vorm ofop enige wijze, hetzij elektronisch,mechanisch, door fotokopieën, opnamen ofenige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
All rights reserved. No part ofthis publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without the publisher’s prior consent.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op