Hof legt onjuiste toetsingsmaatstaf aan bij schending verdedigingsbeginsel

  

Hof legt onjuiste toetsingsmaatstaf aan bij schending verdedigingsbeginsel

Gepubliceerd in: NTFR 2015/2714
Datum: 09-11-2015
Auteur(s): M.H.W.N. Lammers

Bekijk PDF





NTFR2015/2714 Hoflegtonjuiste toetsingsmaatstafaan bij schending verdedigingsbeginsel
Hoge Raad09oktober2015,nr.13/01275
2006Brondocument CDW-art. 221
Belastingjaar/tijdvak Wetsartikelen Auteur
BNB
ECLI
mr. M.H.W.N. Lammers 2015/227
ECLI:NL:HR:2015:2989
Samenvatting
Belanghebbende heeftutb’s gekregen.Zijis nietvoorafgaand aande vaststelling ende uitreiking hiervan‘gehoord’ door de inspecteur.
Volgens HofAmsterdam (4 februari 2014,nr.11/00597,NTFR2013/770) leidtdeze schending echter niettotvernietiging vande utb’s, aangezienbelanghebbende nietis benadeeld.Belanghebbende is namelijk inde beroepsfase eringeslaagd misverstandenbijde inspecteur weg te nemenende inbreng vanbelanghebbende betrofeenjuridische stelling.Onder verwijzing naar enherhaling vanHR 26 juni 2015,nr.10/02774bis,NTFR2015/1928 concludeertde Hoge Raad dathethofeenverkeerde maatstafheeftaangelegd.Met betrekking tothetoordeelinzake de juridische stelling merktde Hoge Raad nog op datbijinbreng vaneenjuridische stelling beoordeeld dientte wordenofdeze stelling zodanig houtsnijdtdatdeze toteenandere afloop had kunnenleiden.
(Cassatieberoep gegrond.)
Feiten
2.1.1.HetHofheeftinovereenstemming methetoordeelvande Rechtbank vastgesteld datbelanghebbende nietvoorafgaand aande
vaststelling ende uitreiking vande uitnodigingentotbetaling instaatis gesteld om naar behorenhaar standpuntkenbaar te makenover de elementenwaarop de Inspecteur zijnvoorgenomenuitnodigingentotbetaling wilde baseren.Hiervanuitgaande heefthetHof geoordeeld datde Inspecteur hetbeginselvaneerbiediging vande rechtenvande verdediging heeftgeschonden.Ditoordeelwordtin cassatie nietbestreden.
2.1.2.De Rechtbank heeftvastgesteld dathetdossier alleenbewijsstukkenbevatmetbetrekking totéénaangifte teninvoer van spaarlampenuitVietnam engeenenkelbewijsstuk metbetrekking totinvoerenvanspaarlampenuitde Filippijnen.Vermoedens daaromtrent,neergelegd inhetFIOD-ECD overzichtsproces-verbaalnr.29182,datis ingebrachtinde parallelle zaak AWB 09/3907, zijndaartoe naar hetoordeelvande Rechtbank onvoldoende,aangeziende (bewijs)stukken,waarnaar indatoverzichtsproces-verbaal indatkader wordtverwezen,zichnietinhetprocesdossier bevinden.Geletop de omstandigheden,waarbijde feitenonvoldoende vaststaan,is naar hetoordeelvande Rechtbank nietuitte sluitendathetvoorafgaand aanhetuitreikenvande uitnodigingentotbetaling aanbelanghebbende gelegenheid biedenzichuitte latenover de elementenwaarop de uitnodigingentotbetaling zijngestoeld,toteen ander resultaathad kunnenleiden.Daardoor staatnaar hetoordeelvande Rechtbank nietbijvoorbaatvastdatde schending van procedureregels geengevolgenzouhebbengehad,waardoor belanghebbende door de gang vanzakennietzouzijnbenadeeld.De Rechtbank is vanoordeeldatonder deze omstandighedensprake is vaneenbenadeling welke eenvernietiging vande uitnodigingentot betaling rechtvaardigt,aangezienomtrentde vanbelang zijnde feitenende waardering daarvantussenbelanghebbende ende Inspecteur verschilvanmening bestaat.
Geschil
2.1.3.HetHofheeftgeoordeeld datde hiervoor in2.1.1 bedoelde schending nietnoopttoteenvernietiging vande uitnodigingentot
betaling aangezienbelanghebbende naar hetoordeelvanhetHofnietis benadeeld.Daartoe heefthetHofoverwogendatde enkele omstandigheid datbelanghebbende nietde gelegenheid heeftgekregenreeds vóór hetuitreikenvande uitnodigingentotbetaling bijde Inspecteur bestaande misverstandenweg te nemen,op zichzelfgeenwezenlijke schending vande verdedigingsbelangenvan belanghebbende vormtaangezienbelanghebbende inde beroepsfase erinis geslaagd die misverstandenweg te nemen,waar nodig onder verwijzing naar de stukkenvanhetgeding.
HetHofheeftvoorts geoordeeld datde stelling vanbelanghebbende dathaar de mogelijkheid is ontnomenom voorafte stellendatzij tenaanzienvanéénvande ingeding zijnde aangiftennietals schuldenaar kanwordenaangemerkt,eenjuridische stelling is die na het uitreikenvande uitnodigingentotbetaling kanwordengetoetst.
Rechtsoverwegingen
2.2.MiddelIIIkanniettotcassatie leiden.Ditbehoeft,gezienartikel81,lid 1,vande Wetop de rechterlijke organisatie,geennadere
motivering,nudatmiddelnietnoopttotbeantwoording vanrechtsvrageninhetbelang vande rechtseenheid ofde rechtsontwikkeling (zie HR24 oktober 2014,nr.13/04854,ECLI:NL:HR:2014:3017,BNB 2014/263 (red.:NTFR2014/2771),onderdeel2.3).
2.3.1.De middelenIenIIzijngerichttegende hiervoor in2.1.3 weergegevenoordelenvanhetHofdatonder de gegeven omstandighedende uitnodigingentotbetaling nietmoetenwordenvernietigd wegens schending vande rechtenvande verdediging van belanghebbende.
2.3.2.UithetarrestvanhetHofvanJustitie vande Europese Unie van3 juli 2014,gevoegde zakenKamino InternationalLogistics B.V. enDatema HellmannWorldwide Logistics B.V.,C-129/13 enC-130/13,ECLI:EU:C:2014:2041,BNB 2014/231,volgtdatschending van de rechtenvande verdediging bijde totstandkoming vaneen(bezwarend) besluittotnietigverklaring vanhetna afloop vande betrokken administratieve procedure genomenbesluitleidt,wanneer deze procedure zonder de onregelmatigheid eenandere afloop zoukunnen hebbengehad.

Voor hetoordeeldathetbesluitvormingsproces vande douaneautoriteitenzonder de schending eenandere afloop zoukunnenhebben gehad,is nietvereistdatde douaneautoriteitenzonder deze schending zoudenhebbenafgezienvanhetvaststellenvanéénofmeer van de desbetreffende uitnodigingentotbetaling ofdatzijdeze op eenlager bedrag zoudenhebbengesteld.Voldoende is te bewijzendat wanneer de schending niethad plaatsgevondendegene totwie de uitnodiging totbetaling is gericht,eeninbreng had kunnenleveren die voor hetvaststellenvande uitnodiging totbetaling vanbelang was enwaarvannietkanwordenuitgeslotendatdeze toteen besluitvormingsproces meteenandere afloop had kunnenleiden.De rechter dienteenenander te beoordelenaande hand vande specifieke feitelijke enjuridische omstandighedenvanhetgeval(zie HR26 juni 2015,nr.10/02774bis,ECLI:NL:HR:2015:1666,BNB 2015/186 (red.:NTFR2015/1928),onderdelen2.3.2 en2.3.3).
2.3.3.De hiervoor in2.1.3 omschrevenoordelenvanhetHofgeven,geletop hetgeenhiervoor in2.3.2,tweede alinea,is overwogenblijk vaneenonjuiste rechtsopvatting,aangezienhetHofnietde aldaar omschreventoetsing heeftuitgevoerd,maar heeftvolstaanmetde in cassatie nietbestredenvaststelling datbelanghebbende alsnog inde beroepsfase erinis geslaagd misverstandenbijde Inspecteur weg te nemen,enmethetoordeeldatde inbreng vanbelanghebbende eenjuridische stelling betrofdie ook na hetuitreikenvande uitnodigingentotbetaling kanwordengetoetst.Metbetrekking totditlaatste heeftte geldendatindieneeninbreng eenjuridische stelling betreftbeoordeeld dientte wordenofdeze stelling zodanig houtsnijdtdatdeze toteenandere afloop had kunnenleiden.
2.4.Geletop hetgeenhiervoor in2.3.3 is overwogen,kan’s Hofs uitspraak nietinstand blijven.Verwijzing moetvolgen.
Commentaar
Op 18 december 2008 (C-349/07) toverde hetHvJ hetverdedigingsbeginseluitde hoge hoed (arrestSopropé).Ditbeginselhoudt–
kortgezegd – indatde belastingplichtige voorafgaand aanhetvaststellenvaneenbezwarend besluitmoetwordengehoord.Daarbijis welnoodzakelijk dathetbezwarende besluitde belastingplichtige inaanmerkelijke mate raakt.Wordtde belastingplichtige voorafgaand aanhetbesluitnietgehoord,danis inprincipe hetverdedigingsbeginselgeschonden.Over de gevolgendie aaneenschending vanhet verdedigingsbeginselmoestenwordenverbonden,liethetHvJ zichinhetSopropé-arrestnietuit.Ditzorgde ervoor datde verschillende belastingrechters inNederland verschillende toetsingsmaatstavenaanhunbeslissingentengrondslag legden.Ditgebeurde ook inde onderhavige procedure ineerste aanleg eninhoger beroep.
Rechtbank Haarlem paste als toetsingskader hetbenadelingsvereiste toe.De rechtbank oordeelde datde feitentussenpartijen onvoldoende vaststaan,waardoor nietis uitte sluitendateenreactie vande belastingplichtige ineenvroegtijdig stadium (voor het uitreikenvande utb’s) toteenander resultaathad kunnenleiden.Ook oordeelde de rechtbank datbijvoorbaatnietvaststaatdatde schending vande procedureregels geengevolgenzouhebbengehad waardoor de belastingplichtige door de gang vanzakennietzou zijnbenadeeld.De rechtbank concludeertdatde belastingplichtige is geschaad inhaar belangenenvernietigtde utb’s. HofAmsterdam paste weliswaar ook hettoetsingskader vande benadeling toe,maar vultdatop eenandere manier in.Hethofstelde vastdatde belastingplichtige inde beroepsfase alles naar vorenheeftkunnenbrengenendatditer ook toe heeftgeleid datde misverstandentussenhaar ende Belastingdienstzijnweggenomen.Datzijditnietineenvroegtijdig stadium (voor hetuitreikenvande utb’s) heeftkunnendoen,vormt,aldus hethof,geenwezenlijke schending vande belangenvande belastingplichtige.Daarnaast oordeelde hethofdatde belastingplichtige nietheeftkunnenconcretiserenwatzijnader had willenonderzoekenenwaarom dat onderzoek,na hetopleggenvande utb’s,nietmeer mogelijk was.Hethofoordeelde verder datvoorbijkanwordengegaanaande schending vanhetverdedigingsbeginsel.
Hettoetsingskader datde rechtbank enhethofhebbengebruikt,ligtnietinlijnmethettoetsingskader zoals de Hoge Raad datvoor ogenheeft.Datkonook niet,aangezienzowelde rechtbank als hethoftentijde vanhetdoenvanuitspraak nog nietop de hoogte was vanHR26 juni 2015,nrs.10/02774bis en10/02777bis,NTFR2015/1928.De Hoge Raad oordeelde inditarrestdateenschending van hetverdedigingsbeginseltotvernietiging vande utb leidtwanneer de procedure zonder de schending eenandere afloop zouhebben gehad.
Omdathettoetsingskader vanHofAmsterdam hieraannietvoldoet,wijstde Hoge Raad de zaak terug.Hethofzalaande hand vande specifieke feitelijke enjuridische omstandighedenvanhetgevalmoetenbeoordelenofde procedure zonder de schending eenandere afloop zouhebbengehad.De uitkomstvandeze beoordeling is,zo volgtuithetarrest,nietzonneklaar omdatde Hoge Raad de zaak terugwijstnaar hethof.Ditintegenstelling totde procedures metnrs.10/02774bis en10/02777bis (NTFR2015/1928) waarinde Hoge Raad de zaak zelfafdeed metde constatering datde procedures geenandere afloop zoudenhebbengehad.Voor de belastingplichtige indeze zaak is hetdus belangrijk om inde verwijzingsprocedure naar vorente brengenwaarom haar procedure weleenandere afloop zouhebbengehad.Daarvoor heeftde belastingplichtige de nodige munitie inhandennude Belastingdienstnietbeschiktover bewijs datzijvoor eenbepaalde aangifte als schuldenaar kanwordenaangemerkt(zijwas bemiddelaar bijdeze levering) ende Belastingdienstkennelijk ook slechts bewijs heeftvoor éénaangifte vaninvoer vanspaarlampenuitVietnam engeenenkelbewijs voor aangiftenvaninvoer vanspaarlampenuitde Filippijnen(Belastingdienstheeftalleenvermoedens uitgesproken).Inde rebound bijhet hofkanhetdus goed komenvoor de belastingplichtige.
[1]Mr.M.H.W.N.Lammers is advocaatbijJaeger advocaten-belastingkundigente Amsterdam.
Bron:http://www.ndfr.nl/link/NTFR2015-2714 Datum:25-4-2016 14:38:43
Alle rechten voorbehouden. Alle auteursrechten en databankrechten van deze tekst worden uitdrukkelijk voorbehouden. Deze rechten berusten bij Sdu Uitgevers. Niets uit NDFRmag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand ofopenbaar gemaakt in enige vorm ofop enige wijze, hetzij elektronisch,mechanisch, door fotokopieën, opnamen ofenige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
All rights reserved. No part ofthis publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without the publisher’s prior consent.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op