Hof neemt betwist feit ten onrechte als vaststaand aan

  

Hof neemt betwist feit ten onrechte als vaststaand aan

Datum: 13-01-2012
Auteur(s): I.R.J. Thijssen

Bekijk PDF





NTFR2012/212 Hofneemtbetwistfeitten onrechte als vaststaand aan
Hoge Raad13januari2012,nr.09/01298
Belastingjaar/tijdvak Wetsartikelen
2002Brondocument AWR-art. 16
Awb-art. 8:28a Awb-art. 8:64 EVRM-art. 6
Algemene bepalingen Awb en AWR-art. 5:10a
mr. I.R.J. Thijssen 2012/64
BV0642
Auteur BNB LJN
ECLI
ECLI:NL:HR:2012:BV0642
Samenvatting
Aanbelanghebbende is eenvergrijpboete opgelegd.Volgens hethof(NTFR2009/624) is ditterecht,nuhetaanopzetvan
belanghebbende is te wijtendatde aanslag IB 2002 op eente laag bedrag is vastgesteld.Hethofheeftditoordeelgebaseerd op een feitelijke stelling vande inspecteur,die volgens hethofdoor belanghebbende nietzouzijnweersproken.De Hoge Raad casseertde hofuitspraak.Naar hetoordeelvande Hoge Raad heeftbelanghebbende inzijnstukkenweldegelijk deze stelling vande inspecteur betwist.Hetoordeelvanhethofis derhalve onvoldoende gemotiveerd.Verder heeftde Hoge Raad nog geoordeeld datde door belanghebbende aangevoerde procedurele klachten– onder meer datde cautie achterwege is gebleven– nietmeebrengendatvan eeneerlijk proces inde zinvanart.6 EVRM geensprake is geweest.
Feiten
3.1.Incassatie kanvanhetvolgende wordenuitgegaan.
3.1.1.A bv(hierna:Beheer bv),vanwelke vennootschap belanghebbende directeur enenig aandeelhouder was,heeftop 12 augustus 1997 C bv(hierna:C bv) opgericht.Metingang van12 augustus 1997 vormdenBeheer bvenC bveenfiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting.Belanghebbende heeftper 1 januari 1997 eendoor hem gedreveneenmanszaak tegenboekwaarden overgedragenaanC bv.
3.1.2.Inverband metde hiervoor in3.1.1 vermelde overdrachtwas belanghebbende,onder meer inverband metde omstandigheid dat de eenmanszaak tentijde vandie overdrachteennegatiefkapitaalhad,op 1 januari 1997 intotaalf147.046 verschuldigd aanC bv. Binnende fiscale eenheid is deze schuld per 31 december 1997 geboektals eenschuld vanbelanghebbende aanBeheer bv.
3.1.3.C bvis op 18 juli 2000 faillietverklaard.Hetfaillissementis per 21 mei 2002 opgeheven,waarna C bvis ontbonden.Uithet financiële eindverslag vande curator inhetfaillissementbleek nietvanenige vordering vanC bvop belanghebbende.
3.1.4.Op 18 oktober 2001 heeftBeheer bvaangifte voor de vennootschapsbelasting voor hetjaar 1999 gedaan.De bijdie aangifte gevoegde balans vermeldde de hiervoor in3.1.2 bedoelde vordering vanBeheer bvop belanghebbende per 31 december 1999,welke vordering inmiddels was opgelopentotf221.854,alsmede eenvordering vanBeheer bvop C bvtenbedrage vanf90.983.
De aanslag inde vennootschapsbelasting vanBeheer bvvoor hetjaar 1999 is op 30 november 2001 overeenkomstig de inde aangifte vermelde gegevens berekend enopgelegd.
3.1.5.Op 30 december 2002 heeftBeheer bvaangifte voor de vennootschapsbelasting voor hetjaar 2000 gedaan.Uitde bijdeze aangifte gevoegde jaarstukkenblijktnietlanger vaneenvordering vanBeheer bvop belanghebbende.
3.1.6.Op 4 februari 2003 heeftBeheer bveengewijzigde aangifte voor de vennootschapsbelasting voor hetjaar 1999 ingediend,met daarbijgevoegd gewijzigde jaarstukken.Volgens deze jaarstukkenhad Beheer bvop 31 december 1999 eenschuld aan belanghebbende vanf28.600.Indie jaarstukkenis hieromtrentde volgende toelichting opgenomen:
229.811,37
Saldo per 1 januari 1999 f
correctie 1997 verrekening eenmanszaak correctie 1997 saldo C
correctie 1998 lening aanC correctie 1998 lening aanC
f74.365,79 f147.046,00 f22.000,00 f15.000,00
Saldo per 31 december 1999
–/- f258.411,79 f28.600,42
Inverband metdeze correcties is de vordering vanBeheer bvop C bvper 31 december 1999 verhoogd enis kennelijk ook eenschuld vanbelanghebbende jegens C bvgeboekt.
3.1.7.De aanslagregelende ambtenaar voor de vennootschapsbelasting heeftde gewijzigde aangifte aangemerktals een

bezwaarschrifttegende aanBeheer bvopgelegde aanslag inde vennootschapsbelasting voor hetjaar 1999.Over de aangevoerde bezwarenis gecorrespondeerd tussende aanslagregelende ambtenaar enBeheer bv.De Inspecteur heeftop 15 september 2003 bij uitspraak hetbezwaar vanBeheer bvniet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding vande bezwaartermijn,waarbijhijBeheer bv heeftmeegedeeld geenaanleiding te hebbengevondenheteerder vastgestelde verlies te wijzigen.
3.1.8.Metdagtekening 23 juli 2003 is aanbelanghebbende eenaanslag inde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringenvoor het jaar 2002 opgelegd,vastgesteld overeenkomstig de op 14 april2003 gedane aangifte.
3.1.9.Op grond vande hiervoor in3.1.7 vermelde correspondentie alsmede inverband daarmee door de aanslagregelende ambtenaar gemaakte aantekeningenheeftde Inspecteur de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd,omdatnaar zijnmening belanghebbende in2002 eenuitdeling heeftgenoten.Deze uitdeling heeftde Inspecteur gebaseerd op hetfeitdatde volwaardige vordering vanBeheer bvop belanghebbende indatjaar is ‘omgezet’ ineenonvolwaardige vordering vanBeheer bvop C bv.Tevens heefthijaan belanghebbende eenvergrijpboete opgelegd.
Geschil
3.2.1.HetHofheeftgeoordeeld datbelanghebbende eenwinstuitdeling vanBeheer bvheeftgenoten,endatdeze uitdeling in2002
heeftplaatsgevonden,geletop de hiervoor in3.1.3 en3.1.5 vermelde omstandigheden.
3.2.2.HetHofheeftvoorts geoordeeld datsprake was vaneenzogenoemd nieuwfeitendatwerd voldaanaande voorwaardenvan artikel16,lid 1,vande Algemene wetinzake rijksbelastingen(hierna:AWR) voor hetopleggenvande onderhavige navorderingsaanslag.Daartoe heefthetHofoverwogendatde aangifte vanbelanghebbende voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringenvoor hetjaar 2002 geenaanleiding gafom deze aaneenonderzoek te onderwerpenendatde Inspecteur eerstna hetvaststellenvande aanslag inde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringenvoor hetjaar 2002 de beschikking kreeg over stukkendie kondenleidentotde conclusie datlaatstgenoemde aanslag te laag was vastgesteld.
Inditverband heefthetHofmetbetrekking totde infebruari 2003 vanBeheer bvontvangengewijzigde aangifte voor de vennootschapsbelasting voor hetjaar 1999 geoordeeld dat,hoewelinde bijdie aangifte gevoegde jaarstukkenmelding is gemaaktvan correcties inde rekening-courantverhouding tussenbelanghebbende enBeheer bv,daaruitnietbleek vaneenwinstuitdeling aan belanghebbende inhetjaar 2002,endatdie stukkende Inspecteur geenaanleiding hoefdente geveneenonderzoek inte stellen alvorens de aanslag inde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringenvoor datjaar op te leggen.HetHofheeftvoorts nog overwogendatde gewijzigde aangifte voor de vennootschapsbelasting vanBeheer bvende door belanghebbende gedane aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringenbetrekking haddenop verschillende jaren.
3.2.3.Metbetrekking totde vergrijpboete heefthetHofgeoordeeld dathetaan(voorwaardelijk) opzetvanbelanghebbende is te wijten datde aanhem opgelegde aanslag inde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringenvoor hetjaar 2002 op eente laag bedrag is vastgesteld.HetHofheeftditoordeelonder meer gebaseerd op de – volgens hetHofonweersproken– stelling vande Inspecteur datde correctieboekingeninde rekening-courantverhoudingendoor belanghebbende zijngeïnitieerd.
Rechtsoverwegingen
3.3.1.Middel1 betoogtdatmetde feitelijke gang vanzakentijdens de zittingenvanhetHofvan13 oktober 2008 en11 februari 2009
nietis voldaanaande eisenvaneeneerlijk proces inde zinvanartikel6 EVRM envoertdaartoe eenaantalklachtenaan. 3.3.2.Inmiddel1 wordtdaartoe inde eerste plaats aangevoerd dathetnietduidelijk is ofhetonderzoek ter zitting vanhetHofvan11 februari 2009 eenvoortzetting betrofvanhetonderzoek ter zitting van13 oktober 2008 danweleennieuwonderzoek ter zitting. Blijkens de onderdelen1.5 en1.6 vanzijnuitspraak heefthetHofter zitting van13 oktober 2008,na voorlezing enoverlegging door
belanghebbende vanzijnpleitnota enna de constatering door hetHofdatde Inspecteur zichhad voorbereid op de behandeling vaneen andere zaak,hetonderzoek ter zitting geschorstenheefthetHofditonderzoek ter zitting van11 februari 2009 hervat.De klachtvan belanghebbende faaltdanook.
3.3.3.Middel1 betoogtvoorts dathetHofvoorafgaand aandanwelbijaanvang vande tweede zitting van11 februari 2009 heeft nagelatenmee te delendatde samenstelling vanhetHofdeels was gewijzigd endathetHof– zo vaneenschorsing vanhetonderzoek ter eerste zitting sprake is geweest– heeftnagelatenop 11 februari 2009 hetonderzoek ter zitting opnieuwaante vangen.
Ditbetoog faalt,reeds omdatincassatie nietis gesteld datenop welke wijze belanghebbende door deze gestelde verzuimeninzijn (processuele) belangenis geschaad.
3.3.4.Voor zover middel1 verder betoogtdathetHofbijaanvang vande zittingen– inverband metde opgelegde boete – heeft nagelatenbelanghebbende de zogenoemde cautie te geven,faaltheteveneens.Uit’s Hofs uitspraak blijktnietdathetHofenige door belanghebbende ter zittingenafgelegde verklaring(en) tengrondslag heeftgelegd aanzijnoordeelomtrenthandhaving vande boete, zodatbelanghebbende reeds inzoverre geenbelang heeftbijzijnklacht.
3.3.5.Voor zover de klachteninmiddel1,aldannietverband houdend metde boete,inhoudendathetHoftijdens de beide zittingen vormvoorschriftenheeftgeschondenofonjuistheefttoegepast,falenzijook.Hetbepaalde inartikel8:64 vande Awb staatnieteraanin de weg dat– mede geletop hetgeentijdens de eerste zitting is voorgevallen– na hervatting vanhetonderzoek ter zitting eerstde Inspecteur eenpleitnota voordraagtenoverlegt.Hetmiddelvoertvoorts aandathetHofgehoudenwas ter zitting de identiteitvan belanghebbende vastte stellen.Ditbetoog faalt,aangezienbelanghebbende nietheeftgesteld datniethijals belanghebbende ter zitting was verschenen.Hetmiddelgaatvoorts tenonrechte ervanuitdathetHofgehoudenwas gevolg te gevenaanhetgeenis opgenomenin de voor de rechtbankengeldende Procesregeling bestuursrecht2005.
3.3.6.De inmiddel1 aangevoerde klachtenafzonderlijk,danwelinonderlinge samenhang bezien,bieden– mede geletop hetgeen hiervoor in3.3.2 totenmet3.3.5 is overwogen– geengrond voor hetoordeeldatvaneeneerlijk proces inde zinvanartikel6 EVRM geensprake is geweest.Middel1 faaltdaarom ook inzoverre.
3.4.1.Middel3 is gerichttegenhethiervoor in3.2.2 vermelde oordeelvanhetHofdatvoor de toepassing vanartikel16,lid 1,vande AWRvoldaanis aanhetvereiste vanhetzogenoemde nieuwe feit.
3.4.2.Inditverband wordtinmiddel3 herhaald hetgeeninmiddel2 ook naar vorenwordtgebracht,te wetendathetHofzijnoordelen niet(mede) had mogenbaserenop de hiervoor in3.1.6 bedoelde gewijzigde aangifte voor de vennootschapsbelasting voor hetjaar 1999 nochop de hiervoor in3.1.7 bedoelde correspondentie enaantekeningenvande aanslagregelende ambtenaar,aangeziende overgelegde stukkenals eenniet-ontvankelijk bezwaarschriftzijnaangemerktendaarom als nietontvangenofnietgedaanmoeten wordenbeschouwd.Middel2 eninzoverre ook middel3 falen.De niet-ontvankelijkheid vaneenbezwaarschriftstaatnieteraaninde weg dateeninspecteur de ineendergelijk kader overgelegde stukken– voor zover nodig – gebruiktals bewijs voor de verschuldigdheid vanbelasting.Hetstond hetHofmitsdienvrijzijnoordeel(mede) te baserenop de hiervoor bedoelde,door Beheer bv aande Inspecteur overgelegde bescheiden.
3.4.3.Voor hetoverige gevende hiervoor in3.2.2 weergegevenoordelenvanhetHofgeenblijk vaneenonjuiste rechtsopvatting en kunnenzij,als verwevenmetwaarderingenvanfeitelijke aard,voor hetoverige incassatie nietop juistheid wordengetoetst.Die oordelenzijnook nietonbegrijpelijk.HetHofbehoefde – anders daninmiddel3 wordtbetoogd – evenminonderzoek te doennaar de juistheid vande stelling vande Inspecteur omtrentde gescheidenaanslagregeling voor de inkomstenbelasting envoor de vennootschapsbelasting.Middel3 faaltderhalve ook voor hetoverige.
3.5.De middelen4 totenmet8,die betrekking hebbenop hetoordeelvanhetHofomtrentde navorderingsaanslag,kunnenniettot cassatie leiden.Ditbehoeft,gezienartikel81 vande Wetop de rechterlijke organisatie,geennadere motivering,nudie middelenniet nopentotbeantwoording vanrechtsvrageninhetbelang vande rechtseenheid ofde rechtsontwikkeling.
3.6.Middel9 bestrijdtde hiervoor in3.2.3 vermelde oordelenvanhetHofomtrentde vergrijpboete metonder meer de stelling dat

belanghebbende inhoger beroep welheeftweersprokende stelling vande Inspecteur datde correctieboekingeninde rekening-courantverhoudingendoor hem zoudenzijngeïnitieerd.Voorts betoogtmiddel9 dathetHofheeftnagelatente onderzoekenofbij belanghebbendes gemachtigde sprake was vanopzetofgrove schuld.
Hetmiddelslaagtinzoverre.Inhetgeenbelanghebbende op de bladzijden3 en4 vanzijn‘Memorie vanAntwoord inincidenteelhoger beroep’ heeftgesteld omtrentde rolvanzijngemachtigde ligtonmiskenbaar eenbetwisting vanvoormelde stelling vande Inspecteur besloten.Voorts is daarinneergelegd de stelling datbelanghebbende geen(voorwaardelijk) opzetofgrove schuld kanworden verweten,geziende rolvande gemachtigde ende door belanghebbende betrachte zorgvuldigheid bijde keuze vandie gemachtigde. Datbelanghebbende indatverband heeftverklaard dathijjegens zijngemachtigde in2002 eenvermoedenvanonjuistheid vanenkele rekeningen-courantheeftuitgesprokenhoudtnietde erkenning indatde correctieboekingendoor hem zijngeïnitieerd.HetHofhad derhalve de betwisting door belanghebbende nietonbesprokenmogenlaten.’s Hofs hiervoor in3.2.3 weergegevenoordelenzijn derhalve onvoldoende gemotiveerd.Middel9 behoeftvoor hetoverige geenbehandeling.
3.7.Geletop hethiervoor in3.6 overwogene kan’s Hofs uitspraak nietinstand blijven.Verwijzing moetvolgen.
4.Overschrijdingvanderedelijketermijnalsbedoeldinartikel 6EVRM
Indeze zaak is beroep incassatie ingesteld op 30 maart2009.Sindsdienzijntothetmomentdatde Hoge Raad indeze zaak arrest
wijst,meer dantwee jarenverstreken.Ditlevertwatde cassatieprocedure betrefteenoverschrijding vande redelijke termijnals bedoeld inartikel6 EVRM op.Indienna verwijzing de aanbelanghebbende opgelegde boete totenig bedrag instand blijft,is hetaanhet verwijzingshofom – metinachtneming vande totale duur vande berechting – te beoordelenofen,zo ja,inhoeverre aanvorenbedoelde overschrijding gevolg dientte wordenverbondenvoor de hoogte vande boete.
(Volgtvernietiging enverwijzing.)
Commentaar
Op eenpartijrustde stelplichttenaanzienvande feitendie vanbelang zijnom hetdoor hem beoogde rechtsgevolg te kunnendragen.
Wordtde juistheid vanhetgestelde feitdoor de wederpartijerkend ofniet(ofonvoldoende gemotiveerd) weersproken,dankaneen belastingrechter hetgestelde feit– zonder datdaarvoor bewijs is aangedragen– als vaststaand feitbeschouwen.Feitendie tussen partijennietingeschilzijn,behoevenimmers geenbewijs.Feitendie tussenpartijenwelingeschilzijn,zullen– aande hand vande door partijenaangedragenbewijsmiddelen– door eenbelastingrechter moetenwordenvastgesteld.Inde onderhavige procedure heeft belanghebbende eenbepaalde stelling vande inspecteur weersproken,maar abusievelijk heeftHofLeeuwardenhetdoor de inspecteur gestelde feitals onweersproken– endus als vaststaand – aangemerkt.De Hoge Raad vernietigtdanook deze uitspraak enhet verwijzingshofzalmoetenbeoordelenofhetdoor de inspecteur gestelde feitwelkanwordenvastgesteld.
[1]Mr.I.R.J.Thijssenis verbondenaanJaeger Advocaten-belastingkundigen.
Bron:http://www.ndfr.nl/link/NTFR2012-212 Datum:14-4-2016 17:25:06
Alle rechten voorbehouden. Alle auteursrechten en databankrechten van deze tekst worden uitdrukkelijk voorbehouden. Deze rechten berusten bij Sdu Uitgevers. Niets uit NDFRmag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand ofopenbaar gemaakt in enige vorm ofop enige wijze, hetzij elektronisch,mechanisch, door fotokopieën, opnamen ofenige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
All rights reserved. No part ofthis publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without the publisher’s prior consent.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op