Hof ontwart formeelrechtelijke knopen inzake 'fictieve weigering' en dwangsomregeling

  

Hof ontwart formeelrechtelijke knopen inzake 'fictieve weigering' en dwangsomregeling

Datum: 10-12-2013
Auteur(s): I.R.J. Thijssen

Bekijk PDF





NTFR2014/440 Hofontwartformeelrechtelijke knopen inzake 'fictieve weigering' en dwangsomregeling
Hof Arnhem-Leeuwarden10december2013,nr.13/00194 Hof Arnhem-Leeuwarden10december2013,nr.13/00195 Hof Arnhem-Leeuwarden10december2013,nr.13/00196 Hof Arnhem-Leeuwarden10december2013,nr.13/00197 Hof Arnhem-Leeuwarden10december2013,nr.13/00198 Hof Arnhem-Leeuwarden10december2013,nr.13/00199
Belastingjaar/tijdvak Wetsartikelen
Auteur
1997, 2002 en 2003Brondocument AWR-art. 27h
Awb-art. 4:17 Awb-art. 4:18 Awb-art. 6:11 Awb-art. 6:12 Awb-art. 6:20
mr. I.R.J. Thijssen
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2013:9369
Samenvatting
Aanbelanghebbende zijninverband metde verdenking vanverzwegenbuitenlandse bankrekeningenbelastingaanslagenVPB 1997,
2002 en2003 opgelegd.De dagtekeningenvande aanslagenzijnrespectievelijk 30 maart2004,23 september 2006 en24 maart 2007.Belanghebbende heefttijdig bezwaar aangetekend.De inspecteur heeftcivielrechtelijk geprocedeerd om belanghebbende te dwingeninformatie te verstrekken.Innovember 2011 heeftbelanghebbende de inspecteur ingebreke gesteld metbetrekking tothet doenvanuitsprakenop bezwaar.Bijbeschikking van8 december 2011 heeftde inspecteur verklaard geendwangsom uitte keren. Hiertegenheeftbelanghebbende op 16 februari 2012 bezwaar aangetekend,welk bezwaar bijuitspraak op bezwaar door de inspecteur wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk is verklaard.Op 16 april2012 heeftbelanghebbende hiertegenalsook tegende fictieve weigering vande inspecteur uitsprakenop bezwaar te doen,beroep ingesteld.De rechtbank heeftbeslistdathetberoep tegende fictieve weigering terechtis ingesteld ende inspecteur opgedragenalsnog uitsprakenop bezwaar te doenonder verbeuring vaneen dwangsom vanmaximaal€ 15.000.Hetbezwaar tegende dwangsom is volgens de rechtbank terechtniet-ontvankelijk verklaard.De inspecteur heeftgeengevolg gegevenaande uitspraak vande rechtbank enhoger beroep ingesteld.Hangende hethoger beroep heeft de inspecteur – na eentweede rechtbankprocedure – alsnog uitsprakenop bezwaar gedaan.Daartegenheeftbelanghebbende vervolgens beroep bijde rechtbank aangetekend.Inhoger beroep oordeelthethofdatde inspecteur nog steeds eenprocessueel belang heeftbijzijnhoger beroep,nuhethoger beroep inditgevalgeenschorsende werking heeftwaardoor de door de rechtbank uitgesprokendwangsom inmiddels is verbeurd.Voorts is hethof,anders dande rechtbank,vanoordeeldathetberoep door belanghebbende,nuzijvijfmaandenheeftgewacht,onredelijk laatis ingediend,zodatde rechtbank hetniet-ontvankelijk had moeten verklaren.Omdattegende inmiddels gedane uitsprakenop bezwaar beroep bijde rechtbank loopt,verwijsthethofde zaak naar de rechtbank.Metbetrekking totde dwangsom is hethofvanoordeeldathijals belastingrechter bevoegd is daarover te oordelenendat belanghebbende,geletop art.4:19 Awb,nieteerstbezwaar had hoevente maken,zodatde termijnoverschrijding haar nietkanworden tegengeworpen.Geletop hetovergangsrecht,is de regeling vande dwangsom indeze zaak echter nietvantoepassing (de bezwaarschriftenzijnimmers ingediend vóór 1 oktober 2009),zodatde rechtbank ook inzoverre hetberoep niet-ontvankelijk had moetenverklaren.
(Hoger beroep gegrond.)
Commentaar
Eenbezwaar ofberoep tegenhetuitblijvenvaneenbesluitis – tenzijhetonredelijk laatis ingediend – nietaaneentermijngebonden
(art.6:12,lid 1 en3,Awb).Uitde wetsgeschiedenis blijktdatde gedachte achter ditartikelis dathetnietnodig enook nieterg redelijk is om de rechtzoekende slechts gedurende eenbetrekkelijk korte periode (bijvoorbeeld zes wekenna hetverlopenvande beslistermijn) de gelegenheid te geveneenrechtsmiddelaante wendentegenhetuitblijvenvaneenbeslissing.Wanneer het bestuursorgaannalatig blijfttijdig te besluiten,moetde rechtzoekende welde mogelijkheid hebbeneenrechtsmiddelaante wenden, maar er is geengoede redenhem te verplichtenzulks binneneenbepaalde termijnte doen.Verkiestde rechtzoekende nog te wachten inde hoop ofhetvertrouwendathetbestuur alsnog zalbesluiten,dandientde wethem deze keuze mogelijk te maken.Waar (nog) geen behoefte gevoeld wordtaanhetaanwendenvaneenrechtsmiddel,dientde wetniettothetinstellenvanberoep ofhetindienenvaneen bezwaarschriftte prikkelen.
De rechtzoekende die de besluiteloosheid vaneeninspecteur nietlanger wenstafte wachtenengaatblaffen,moetvolgens hethof spoedig overgaantotbijten.Hethofoordeeltinhetonderhavige gevalnamelijk dathetberoep vanbelanghebbende niet-ontvankelijk is vanwege hetfeitdathetberoepschriftonredelijk laatwas ingediend,namelijk vijfmaandennadatde inspecteur ingebreke was gesteld. De correspondentie die inde tussengelegenperiode werd gevoerd achthethofnietrelevant,mede vanwege hetfeitdat belanghebbende werd bijgestaandoor eenprofessionele rechtsbijstandverlener.Ditlijktop heteerste gezichteenbijzonder strenge benadering vanhethofomdatuitde wetsgeschiedenis vanart.6:12,lid 3,Awb is afte leidendatde wetgever nietalte snelwilde sprekenvan‘onredelijk laat’.Die wetsgeschiedenis dateertechter vanvóór de invoering vande ‘Wetdwangsom enberoep bijniettijdig beslissen’,dus uitde tijd dateenbelanghebbende nog rauwelijks (dus zonder voorafgaande ingebrekestelling) beroep koninstellen

tegenhetniettijdig beslissenop bezwaar.
Thans dienteenbelastingplichtige de inspecteur ingebreke te stellenalvorens beroep inte kunnenstellentegenhetniettijdig doenvan eenuitspraak op bezwaar.Wellichtdathethof– geziende bijzonder lange termijndie is verlopentussenhetindienenvande bezwaarschriftenin2004,2006 en2007 ende ingebrekestelling in2011 – duidelijk wilmakendateeningebrekestelling nietzo snel ‘onredelijk laat’ wordtgeacht,maar datinhetgevaleenbelanghebbende eeninspecteur eenmaalingebreke heeftgesteld,hij vervolgens wel– bijhetuitblijvenvaneenuitspraak inde daarop volgende termijnvantwee wekenvanart.6:12,lid 2,onderdeelb,Awb – spoedig beroep moetinstellen(wellichtzelfs binnende gebruikelijke beroepstermijnvanzes wekenna hetverlopenvande termijnvan twee weken).Mijis onduidelijk ofditoordeelvanhethofinstand blijft,maar menzouzichvoorafgaande aaneeneventuele ingebrekestelling de vraag moetenstellenofmenspoedig daarna ook eenrechtsmiddelwenstaante wenden(ofweltegenhetalsnog genomenbesluitofweltegenhetuitblijvendaarvan).Als datniethetgevalis,kanmeneeningebrekestelling beter achterwege latenop straffe vanniet-ontvankelijkheid.
[1]Igor Thijssenis verbondenaanKanPiek Fiscale Advocatuur te Amsterdam
Bron:http://www.ndfr.nl/link/NTFR2014-440 Datum:15-4-2016 10:59:44
Alle rechten voorbehouden. Alle auteursrechten en databankrechten van deze tekst worden uitdrukkelijk voorbehouden. Deze rechten berusten bij Sdu Uitgevers. Niets uit NDFRmag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand ofopenbaar gemaakt in enige vorm ofop enige wijze, hetzij elektronisch,mechanisch, door fotokopieën, opnamen ofenige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
All rights reserved. No part ofthis publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without the publisher’s prior consent.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op