Immateriële schadevergoeding voor erfopvolgers

  

Immateriële schadevergoeding voor erfopvolgers

Gepubliceerd in: NTFR 2014/2583
Datum: 17-10-2014
Auteur(s): M.H.W.N. Lammers

Bekijk PDF





NTFR2014/2583 Immateriële schadevergoeding voor erfopvolgers
Hoge Raad17oktober2014,nr.13/06130
2013Brondocument Awb-art. 8:73
mr. M.H.W.N. Lammers
Belastingjaar/tijdvak Wetsartikelen Auteur
ECLI
ECLI:NL:HR:2014:2981
Samenvatting
Belanghebbende is inde loop vande belastingprocedure overleden.Ingeschilis ofde erfopvolgers wegens de lange duur vande
procedure vergoeding vanimmateriële schade kunnenkrijgen.De Hoge Raad beantwoordtdeze vraag bevestigend.Voor hetbepalen vande hoogte vande schadevergoeding is nietvanbelang inwelke mate de betrokkene daadwerkelijk spanning enfrustratie heeft ondervonden.Om die redenstaatart.6:106,lid 2,laatste volzin,BW (rechtop vergoeding is nietvatbaar voor overgang tenzijde gerechtigde aanspraak heeftgemaaktop vergoeding) nieteraaninde weg dataanerfgenamenop hunverzoek eenschadevergoeding wordttoegekend.Ook voor zover daarineenvergoeding beslotenligtvoor eengedeelte vande duur waarinde erflater procespartijwas endeze geenaanspraak op eenzodanige vergoeding heeftgemaakt.Ook voor de erfgenamenvangtde termijnaanop hetmoment waarop door de erflater bezwaar is gemaaktdanwel(hoger) beroep is ingesteld.
Feiten
Erflaatster was belanghebbende invier belastingprocedures die inhoofdzaak betrekking haddenop hetzelfde onderwerp.Inde loop van
deze procedures is zijoverleden.
Geschil
2.1.Voor hetHofwas onder meer ingeschilofbelanghebbendenals erfopvolgers vergoeding kunnenverzoekenvanimmateriële
schade die is ontstaanals gevolg vande lange duur vanprocedures die de erflaatster aanhangig had gemaaktover aanhaar opgelegde naheffingsaanslagen.
2.2.Hetmiddelklaagtonder meer over hetoordeelvanhetHofdat,zo alaangenomenmoetwordendatde erflaatster rechthad op vergoeding vanimmateriële schade wegens spanning enfrustratie veroorzaaktdoor de lange duur vande procedures,ditrechtnietop belanghebbendenis overgegaanomdatnietaannemelijk is gewordendatde erflaatster bijlevenaanspraak heeftgemaaktop vergoeding vandeze schade.HetHofheeftzichhierbijgebaseerd op hetbepaalde inartikel6:106,lid 2,BW.
Rechtsoverwegingen
2.3.Bijde beoordeling vandeze klachtdientte wordenvooropgesteld datvoor de toekenning vaneenschadevergoeding wegens het
overschrijdenvande redelijke termijnhetontstaanvanspanning enfrustratie – behoudens bijzondere omstandigheden– wordt verondersteld,endatvoor hetbepalenvande hoogte vande ter zake toe te kennenschadevergoeding inbeginselnietvanbelang is in welke mate de betrokkene daadwerkelijk spanning enfrustratie heeftondervonden.Ook inde bijzondere gevallenwaaringeen vergoeding wordttoegekend – metname indiende procedure over eenzeer gering financieelbelang gaat– wordtgeabstraheerd van de vraag ofdaadwerkelijk spanning enfrustratie is ondervonden(zie HR29 november 2013,nr.12/04301,ECLI:NL:HR:2013:1361, BNB 2014/5 (red.:NTFR2014/316),enHR20 juni 2014,nr.13/01045,ECLI:NL:HR:2014:1461,BNB 2014/200 (red.:NTFR 2014/1800)).
2.4.Aldus is sprake vaneenstelselwaarineenconcrete aantasting vande persoonvande benadeelde als bedoeld inartikel6:106,lid 1,aanhefenonder b,BW geenwezenlijke rolmeer speelt.Ditroeptde vraag op ofineengevalwaarinde belanghebbende inde loop vande procedure overlijdt,de mogelijkhedenvoor diens erfgenamenom wegens de lange duur vandie procedure vergoeding van immateriële schade te krijgennietteminwordenbeperktdoor de laatste volzinvanartikel6:106,lid 2,BW.
2.5.Op grond vandie volzinis hetrechtop eenvergoeding voor nadeeldatnietinvermogensschade bestaatnietvatbaar voor overgang onder algemene titel,tenzijde gerechtigde aande wederpartijheeftmeegedeeld aanspraak te makenop de vergoeding.De rechtvaardiging vandatvoorschriftis gelegeninhet(hoogst)persoonlijke karakter vande aanspraak (zie Parl.gesch.Boek 6,blz.378, 381 en383).Inverband methetgeenhiervoor in2.3 is overwogen,ontbreektdat(hoogst)persoonlijke karakter inhetstelselvan schadevergoeding wegens overschrijding vande redelijke termijn.Om die redenstaatde tweede volzinvanartikel6:106,lid 2,BW niet eraaninde weg dataanerfgenamenop hunverzoek eenschadevergoeding wordttoegekend inverband metde lange duur vande procedure,ook voor zover daarineenvergoeding beslotenligtvoor eengedeelte vandie duur waarinde erflater procespartijwas en deze geenaanspraak op eenzodanige vergoeding heeftgemaakt.
2.6.Ingevallenals hetonderhavige,waarinde belanghebbende inde loop vande procedure overlijdtende procedure tenname van diens erfgenamenwordtvoortgezet,brengende hiervoor in2.3 genoemde uitgangspuntenenhetarrestScordino vanhetEHRM (EHRM 29 maart2006,no 36813/97,Scordino tegenItalië,AB 2006/294) verder mee datde inaanmerking te nementermijnmetbetrekking tot de desbetreffende fase vande procedure ook tenaanzienvande erfgenamenmoetwordengeachtte zijnaangevangenop hetmoment waarop door de erflater tegende beschikking vande inspecteur bezwaar is gemaakt,onderscheidenlijk (hoger) beroep danwelberoep incassatie is ingesteld.
2.7.Hethiervoor in2.5 overwogene brengtmee dathetHofblijk heeftgegevenvaneenonjuiste rechtsopvatting metbetrekking tot artikel6:106,lid 2,BW.Hetmiddelis daarom gegrond.
2.8 Voor hetoverige kanhetmiddelniettotcassatie leiden.Ditbehoeft,gezienartikel81,lid 1,vande Wetop de rechterlijke

organisatie,geennadere motivering,nuhetmiddelinzoverre nietnoopttotbeantwoording vanrechtsvrageninhetbelang vande rechtseenheid ofde rechtsontwikkeling.
2.9.Uithethiervoor in2.7 overwogene volgtdatde uitspraak vanhetHofnietinstand kanblijven.De Hoge Raad kande zaak afdoen. Hethiervoor in2.8 overwogene brengtmee datinditgeval,inovereenstemming metde uitspraak vanhetHof,moetworden aangenomendatsprake is vanvier zakenvandezelfde belanghebbende(n) die gezamenlijk wordenbehandeld endie inhoofdzaak betrekking hebbenop hetzelfde onderwerp.Voor die zakengezamenlijk dientineenzodanig gevalslechts eenmaalhettariefte worden gehanteerd van€ 500 voor ieder halfjaar waarmee de redelijke termijnis overschreden(zie HR21 maart2014,nr.12/04057, ECLI:NL:HR:2014:540,BNB 2014/117 (red.:NTFR2014/1048)).Overigens is tussenpartijennietingeschildatde immateriële schade dan€ 4.000 bedraagt.De uitspraak vande Rechtbank,die daarmee inovereenstemming is,dientte wordenbevestigd. (Volgtvernietiging vande hofuitspraak voor zover deze de schadevergoeding betreftenveroordeeltde Inspecteur totvergoeding van geledenimmateriële schade van€ 4.000.)
Commentaar
Op 10 juni 2011 maakte de Hoge Raad hetmogelijk om ook infiscale zakeneenimmateriële schadevergoeding te claimen(nr.
09/05112,NTFR2011/1367,nr.09/05113,NTFR2011/1366 ennr.09/2639,NTFR2011/1368).Om eendergelijke vergoeding te kunnenclaimenis hetnoodzakelijk dathetbelastinggeschilnietbinneneenredelijke termijnwordtbeslecht.Na deze arrestenis de nodige jurisprudentie verschenenover de vraag ofenwanneer de redelijke termijnis overschredenenzo ja,welke vergoeding daar dan aangekoppeld moetworden.Inmiddels is duidelijk datals eenbelastingplichtige meerdere belastingprocedures heeftlopenover eenzelfde geschilvoor elk halfjaar slechts éénkeer de vergoeding van€ 500 per halfjaar hoeftte wordentoegekend.De factor ‘1,5’ voor samenhangende zakenzoals we die kennenuithetBpb geldtnietvoor de immateriële schadevergoeding (HR21 maart2014,nr. 12/04057,NTFR2014/1048).
Eenander puntwaarover de belastingrechters vanmening verschildenwas de vraag ofeenerfgenaam ook aanspraak kanmakenop vergoeding vande immateriële schade enzo ja welke periode daarbijinogenschouwmoetwordengenomen.De Hoge Raad oordeelt thans datook erfgenamenaanspraak kunnenmakenop de immateriële schadevergoeding.Uitgangspuntvoor de hoogte vandie schadevergoeding is de overschrijding vande redelijke termijnwaarbijhetmomentvanhetmakenvanbezwaar hetstartpuntis.Hierbij is hetnietnoodzakelijk datde erfgenamenzelfook spanning enfrustratie hebbengeleden.Door hetoverschrijdenvande redelijke termijnwordtdeze spanning enfrustratie verondersteld.Daarbijis het,aldus de Hoge Raad,ook nietrelevantofde erflater zelfhad verzochtom vergoeding vande immateriële schade.Zolang ergens inde procedure hierom door iemand (erflater oferfgenaam) wordt gevraagd,is datvoldoende.Hiermee doetde Hoge Raad rechtaande belangenvande erflater enzijnerfgenamen.Ook neemtde Hoge Raad metditarrestweer eengedeelte vande onduidelijkhedenop hetterreinvande immateriële schadevergoeding weg.
[1]mr.M.H.W.N.Lammers is advocaatbijJaeger advocaten-belastingkundigente Amsterdam
Bron:http://www.ndfr.nl/link/NTFR2014-2583 Datum:28-4-2016 13:43:00
Alle rechten voorbehouden. Alle auteursrechten en databankrechten van deze tekst worden uitdrukkelijk voorbehouden. Deze rechten berusten bij Sdu Uitgevers. Niets uit NDFRmag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand ofopenbaar gemaakt in enige vorm ofop enige wijze, hetzij elektronisch,mechanisch, door fotokopieën, opnamen ofenige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
All rights reserved. No part ofthis publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without the publisher’s prior consent.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op