Inspecteur handelde voldoende voortvarend ondanks dat bekendmaking van de navorderingsaanslag op zich liet wachten

  

Inspecteur handelde voldoende voortvarend ondanks dat bekendmaking van de navorderingsaanslag op zich liet wachten

Gepubliceerd in: NTFR 2014/1867
Datum: 02-05-2014
Auteur(s): M.H.W.N. Lammers

Bekijk PDF





NTFR2014/1867 Inspecteur handelde voldoende voortvarend ondanks datbekendmaking van de navorderingsaanslag op zich lietwachten
HofDenHaag02mei2014,nr.13/01227 RechtbankDenHaag10juli2013,nr.13/00282
Brondocument Aanverwanteliteratuur
Belastingjaar/tijdvak Trefwoorden
Wetsartikelen
Auteur
2007
aanslagtermijn, buitenlands vermogen, inkeerverzoek, inlichtingenuitwisseling, navorderingstermijn, postregistratiesysteem, vaststellingsovereenkomst, voortvarendheidscriterium AWR-art. 16
AWR-art. 5 BW-art. 6:248 BW-art. 7:900
Verdrag Nederland-Luxemburg-art.
mr. M.H.W.N. Lammers
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2014:1680
Samenvatting
Bijde beantwoording vande vraag ofde inspecteur voortvarend heeftgehandeld bijde vaststelling vaneennavorderingsaanslag met
gebruikmaking vande verlengde navorderingstermijn,dientte wordenuitgegaanvanhetmomentwaarop de inspecteur belanghebbende zekerheid verschaftover hetvanhaar na te vorderenbedrag.Ditis niethetmomentwaarop de navorderingsaanslag aanbelanghebbende is bekendgemaaktmaar,naar hetoordeelvanhethof,hetmomentwaarop tussenpartijeneen vaststellingsovereenkomstis geslotenwaarinis opgenomende hoogte vanhetdoor belanghebbende te betalenbedrag alsmede de wijze waarop ditbedrag vanbelanghebbende zalwordenteruggevorderd.Daarnaastis hethofvanoordeeldatde gevolgtrekking datde inspecteur nietvoldoende voortvarend heeftgehandeld,mede nietpastnubelanghebbende de inspecteur nietopmerkzaam maakte van hetfeitdatde navorderingsaanslag uitbleefnadatpartijeneenvaststellingsovereenkomsthaddengesloten.
(Hoger beroep ongegrond.)
Commentaar
Indiende inspecteur eennavorderingsaanslag vaststeltmetgebruikmaking vande verlengde navorderingstermijnvantwaalfjaar,exart.
16,lid 4,AWR,dandienthijvoortvarend te handelenbijzowelzijnonderzoek als bijhetvaststellenvande navorderingsaanslag.Ditvolgt uitde Passenheim-vanSchoot-jurisprudentie vanhetHvJ (11 juni 2009,zaak C-157/08) ende Hoge Raad (21 maart2008,nr.43.670, NTFR2008/615).
Inhetonderhavige gevalstaatvastdatde inspecteur op 3 november 2009 op de hoogte is geraaktvanhetbuitenlandse vermogenvan belanghebbende door de indiening vaneen‘Verklaring vrijwillige verbetering’ buitenlands vermogen.Metdagtekening 10 januari 2011 wordtde navorderingsaanslag uiteindelijk vastgesteld.Vaststaatdatbelanghebbende door de ontvangstvaneenbetalingsherinnering pas op 22 november 2011 op de hoogte is geraaktvanhetbestaanvande navorderingsaanslag.Inde periode nadatde inspecteur op de hoogte is geraaktvanhetbuitenlandse vermogen,heeftde inspecteur metbelanghebbende onderhandeld over een vaststellingsovereenkomst,welke uiteindelijk door beide partijenis getekend.Indeze vaststellingsovereenkomstis onder meer de hoogte vande na te vorderenbelasting overeengekomen.
Ingeschilis ofde inspecteur bijhetvaststellenvande navorderingsaanslag voldoende voortvarend heeftgehandeld.Meer inhet bijzonder op welk momentmoetwordengetoetstofredelijk voortvarend is gehandeld.Belanghebbende is vanmening dathetmoment vanhetbekendmakenvande aanslag geldtals hetmomentwaarop de aanslag is vastgesteld (HR6 december 1989,nr.25.909,BNB 1990/177).Aangezienbelanghebbende pas op 22 november 2011 bekend is geraaktmetde navorderingsaanslag moetop dat momentwordengetoetstofde redelijke voortvarendheidseis inachtis genomen.Aande eis vanredelijke voortvarendheid is volgens belanghebbende nietvoldaan.De inspecteur is hetmetbelanghebbende eens datnietredelijk voortvarend is gehandeld als ervanwordt uitgegaandatde termijndoorloopttot22 november 2011.De inspecteur meentechter datde datum vanvaststelling vande navorderingsaanslag geldtals toetsingsmoment.De inspecteur heeftnaar zijnmening voldoende voortvarend gehandeld door de navorderingsaanslag op 10 januari 2011 vastte stellen.
HofDenHaag sluitnietaanbijhetstandpuntvaneenvande partijenmaar kiesteenander uitgangspunt.Naar hetoordeelvanhethof moetde redelijke voortvarendheid wordengetoetstop hetmomentwaarop de inspecteur aanbelanghebbende zekerheid heeft verschaftover hetvanhaar na te vorderenbedrag.Door ondertekening vande vaststellingsovereenkomstop 10 december 2010 heeft belanghebbende zekerheid verkregenover de hoogte vanhette betalenbedrag ende wijze waarop hetbedrag zouwordengevorderd. Deze datum is voor hethofderhalve hettoetsmomentvoor de redelijke voortvarendheid.Hetis de vraag ofditoordeelvanhethofjuist is.HetHvJ ende Hoge Raad sluitenimmers inde Passenheim-vanSchoot-jurisprudentie duidelijk aanbijhetmomentdatde navorderingsaanslag wordtvastgesteld ennietbijeeneerder momentwaarop de inhoud vandeze navorderingsaanslag voor een

belastingplichtige alduidelijk zoukunnenzijn.Volgens vaste jurisprudentie valtde periode tussende aankondiging ende navorderingsaanslag zelfook nog onder de termijnwaarinde inspecteur redelijk voortvarend moethandelen.De inspecteur zouanders, nadatde vaststellingsovereenkomstgetekend binnenis,achterover kunnenleunen.
Naar hetoordeelvanhethofis de inspecteur ‘rap te werk gegaan’.Aande eis vande redelijke voortvarendheid is daarmee voldaan. Hierbijneemthethofook inaanmerking datbelanghebbende heeftnagelatenom de inspecteur opmerkzaam te makenop hetfeitdathij nog geennavorderingsaanslag had vastgesteld.Dithad belanghebbende,gezienhetsluitenvande vaststellingsovereenkomst,naar het oordeelvanhethofwelmoetendoen.Naar mijnmening is diteenopmerkelijke overweging vanhethof.Wathad belanghebbende dan moetendoen? De inspecteur eenbriefsturenendaarinvermelden:‘Wiltualstublieftzoals afgesprokensneleennavorderingsaanslag vaststellen? Anders looptude kans datude aanslag nietredelijk voortvarend vaststelt,danis deze nietig endatzoujammer zijn?’ Zelfs bijde beoordeling vaneenverzoek om immateriële schadevergoeding is hetvolgens vaste jurisprudentie nietvanbelang of belanghebbende heeftaangedrongenop eenspoedige behandeling vanzijnzaak.Hetgaatnaar mijnmening tochtamelijk ver dathet feitdateenbelastingplichtige nietheeftaangedrongenop hetvaststellenvaneennavorderingsaanslag,vaninvloed is op de vraag of aande redelijke voortvarendheid is voldaan.De onderhavige uitspraak vanhethofgeeftinieder gevalgenoeg stoftotnadenkenineen eventuele cassatieprocedure.
[1]Mr.M.H.W.N.Lammers is advocaatbijHertoghs advocaten– belastingkundigen.
Bron:http://www.ndfr.nl/link/NTFR2014-1867 Datum:28-4-2016 11:27:06
Alle rechten voorbehouden. Alle auteursrechten en databankrechten van deze tekst worden uitdrukkelijk voorbehouden. Deze rechten berusten bij Sdu Uitgevers. Niets uit NDFRmag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand ofopenbaar gemaakt in enige vorm ofop enige wijze, hetzij elektronisch,mechanisch, door fotokopieën, opnamen ofenige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
All rights reserved. No part ofthis publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without the publisher’s prior consent.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op