nl-NLen-GB

Navordering douanerechten ter zake van ingevoerde textielproducten die niet van preferentiële Jamaicaanse oorsprong zijn is volgens A-G Ettema terecht

Gepubliceerd in: NTFR
Datum: 29-08-2019
Auteur(s): V.S. Huygen van Dyck-Jagersma

Bekijk PDF

InstantieConclusie A-G Ettema, 04-06-2019 nr. 18/01694
Zaaknummer(s)18/01694
Datum uitspraak04-06-2019
Belastingjaar/tijdvak2006
RubriekFormeel belastingrecht
WetsartikelenCDW
ECLIECLI:NL:PHR:2019:598
Brondocumenten 
AuteurMr. V.S. Huygen van Dyck-Jagersma
NTFR2019/2100
Datum publicatie NTFR29-08-2019

 

Samenvatting

In opdracht van belanghebbende is aangegeven dat textielproducten van Jamaicaanse oorsprong in het vrije verkeer zijn gebracht. Daarbij is aanspraak gemaakt op een preferentieel tarief van 0%, onder overlegging van EUR.1-certificaten. Deze certificaten zijn ongeldig verklaard naar aanleiding van bevindingen van een onderzoeksmissie van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF). Vervolgens zijn uitnodigingen tot betaling (utb's) uitgereikt aan belanghebbende. In geschil is of de utb's terecht zijn uitgereikt.

Op grond van de bevindingen van de onderzoeksmissie en HvJ C-409/10 heeft Hof Amsterdam (NTFR 2018/1233) geoordeeld dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de ingevoerde textielproducten niet van preferentiële Jamaicaanse oorsprong zijn, zodat een douaneschuld is ontstaan ter zake van alle aangiften die zijn begrepen in de utb's. Tegen dit oordeel keert middel I zich met het betoog dat de EUR.1-certificaten geldig blijven totdat een verslag wordt opgemaakt van de bevindingen van de onderzoeksmissie én Jamaica dit verslag naar behoren ondertekent. Het eerste is gebeurd, maar het tweede niet, aldus belanghebbende. Zij wijst erop dat het verslag is ondertekend door de Permanent Secretaris van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel van Jamaica, terwijl het Ministerie van Industrie, Commercie en Technologie van Jamaica het verslag had moeten ondertekenen. Uit HvJ C-409/10 maakt A-G Ettema op dat de inspecteur slechts bij twijfel hoeft te onderzoeken of degene die het verslag heeft ondertekend daartoe bevoegd is geweest. Het hof heeft – in cassatie onbestreden – vastgesteld dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel OLAF heeft uitgenodigd de onderzoeksmissie te verrichten, de voorbereiding en uitvoering daarvan heeft afgestemd met OLAF en is vertegenwoordigd bij de feitelijke uitvoering van de missie. Daarvan uitgaande acht de advocaat-generaal feitelijk en niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de inspecteur redelijkerwijs niet heeft hoeven twijfelen aan de bevoegdheid van de Permanent Secretaris.

Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat alle EUR.1-certificaten niet langer geldig zijn. Dit wordt volgens het hof niet anders wanneer sommige ingevoerde textielproducten mogelijk wél van preferentiële Jamaicaanse oorsprong zijn, maar niet langer kan worden vastgesteld welke producten daaraan voldoen. Middel III, onderdeel a klaagt dat aldus niet uitgesloten is dat sommige ingevoerde textielproducten in aanmerking komen voor het preferentiële tarief. Volgens de advocaat-generaal ziet deze klacht voorbij aan HvJ C-409/10, waarin is beslist dat een importeur niet aan navordering ontkomt door zich te beroepen op die omstandigheid.

Tevens heeft het hof belanghebbende aangemerkt als douaneschuldenaar op de voet van de tweede alinea van art. 201, lid 3, CDW (Communautair Douanewetboek). Volgens het hof zijn de aangiften die zijn begrepen in de utb's gedaan op basis van gegevens die belanghebbende heeft verstrekt terwijl zij wist of redelijkerwijs had moeten weten dat deze gegevens onjuist zijn. Middel IV voert aan dat de gedingstukken onvoldoende bewijs voor, en voldoende bewijs tegen, dit oordeel bevatten en klaagt dat de wetenschap van een van de bestuurders van belanghebbende ten onrechte wordt toegerekend aan haar. De advocaat-generaal merkt op dat de vastgestelde feiten geen andere gevolgtrekking toelaten dan dat handelsstromen zijn bedacht en opgezet met het oog op een te geringe heffing van douanerechten en belanghebbende hierbij nauw betrokken is geweest. In cassatie is namelijk onbestreden dat (i) vanuit Chinese fabrieken kant-en-klare kledingstukken en voorgesneden textiel zijn verzonden naar Jamaicaanse fabrieken waarbij is voorgewend dat het garens zou betreffen, (ii) de Jamaicaanse fabrieken deze goederen hebben verscheept naar belanghebbende waarbij een Jamaicaanse oorsprong is voorgewend, (iii) de EUR.1-certificaten zijn verkregen onder valse voorwendsels, (iv) de Jamaicaanse exporteurs de kledingstukken hebben verzonden en geleverd aan belanghebbende en (v) de opdracht tot het doen van aangifte in alle gevallen afkomstig is van belanghebbende.

Dan resteert nog slechts de vraag of belanghebbende redelijkerwijs had moeten weten dat de EUR.1-certificaten onjuist waren. Het hof heeft geoordeeld van wel. Daarmee verschilt deze zaak volgens de advocaat-generaal van het geval dat is berecht in A, maar dit feitelijke verschil lijkt de advocaat-generaal onvoldoende om deze zaak te onderscheiden van dat geval, mede gelet op de ruime uitleg die het HvJ in dat arrest geeft aan de tweede alinea van art. 201, lid 3, CDW. Gelet op de vastgestelde feiten acht de advocaat-generaal het feitelijk, toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk dat het hof heeft aangenomen dat een bestuurder van belanghebbende had moeten weten dat de handelsstromen zijn opgezet om douanerechten te ontduiken. Daarnaast acht de advocaat-generaal terecht dat de wetenschap van deze bestuurder is toegerekend aan belanghebbende.

Voorts heeft het hof beoordeeld of de inspecteur de utb's mocht uitreiken aan belanghebbende zonder haar vooraf te horen. Hierbij heeft het hof Prequ' Italia tot uitgangspunt genomen. Uit Prequ' Italia leidt het hof af dat het verzuim vooraf niet te horen geen afbreuk doet aan het verdedigingsbeginsel als a. belanghebbende de mogelijkheid heeft alsnog achteraf te worden gehoord, b. dit verzuim beantwoordt aan doeleinden van algemeen belang en c. dit verzuim geen onevenredige en onduldbare ingreep is die het recht van verdediging in de kern aantast.

Ad b: uit Prequ' Italia volgt volgens het hof dat beschikkingen van douaneautoriteiten altijd beantwoorden aan doeleinden van algemeen belang, dus ook de utb's. Ad c: uit Prequ' Italia volgt volgens het hof dat daaraan ook wordt voldaan als betalingsuitstel mogelijk is onder dezelfde voorwaarden als, of ruimere voorwaarden dan, die van art. 244 CDW.

De advocaat-generaal merkt op dat het oordeel van het hof de vraag oproept of de rechtvaardigingstoetsing van het verdedigingsbeginsel concreet plaatsvindt (i.e., de rechtvaardiging moet worden gezocht in de individuele omstandigheden van het geval, zodat de uitkomst van de toetsing kan verschillen bij gelijksoortige beschikkingen naargelang die individuele omstandigheden) dan wel abstract (i.e., de rechtvaardiging moet worden gezocht in het algemeen belang dat de desbetreffende beschikking dient, zodat de uitkomst bij gelijksoortige beschikkingen dezelfde is, ongeacht de individuele omstandigheden van het geval)? De advocaat-generaal onderwerpt die vraag aan onderzoek in de gemeenschappelijke bijlage bij deze conclusie en komt tot de slotsom dat een concrete rechtvaardigingstoetsing moet plaatsvinden. Het hof is niet uitgegaan van een concrete toets. Wel heeft het hof nog geoordeeld dat de besluitvorming over de utb's geen andere afloop zou kunnen hebben gehad wanneer belanghebbende wel vooraf zou zijn gehoord. Dit oordeel houdt volgens de advocaat-generaal stand in cassatie.

Tot slot heeft het hof geoordeeld dat de inspecteur de verschuldigde douanerechten mag navorderen. Het heeft van belanghebbende bewijs gevergd dat de Jamaicaanse autoriteiten klaarblijkelijk wisten of hadden moeten weten dat de ingevoerde textielproducten niet van preferentiële oorsprong zijn en acht haar niet geslaagd in deze bewijslast. Middel V acht dit oordeel onjuist. De advocaat-generaal merkt op dat het hof (ook) heeft vastgesteld dat belanghebbende niet te goeder trouw heeft gehandeld. Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden en draagt zelfstandig het oordeel van het hof dat de inspecteur de verschuldigde douanerechten mag navorderen.

De middelen leiden niet tot cassatie en de advocaat-generaal concludeert tot het ongegrond verklaren van het beroep in cassatie.

Commentaar

Voor mijn commentaar bij de gemeenschappelijke bijlage van A-G Ettema bij deze en twee andere conclusies zie (NTFR 2019/2099).

Noot

[1] Vanessa Huygen van Dyck-Jagersma is verbonden aan Jaeger advocaten-belastingkundigen te Amsterdam.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op

Jaeger maakt gebruik van cookies

Wij plaatsen cookies om uw ervaring op de website te verbeteren. De cookies die vereist zijn om de website te gebruiken zijn wettelijk toegestaan. Voor de andere cookies kunt u hieronder toestemming geven.

meer informatie