Navorderingsaanslagen terecht vernietigd door hof wegens schending Europeesrechtelijk evenredigheidsbeginsel

  

Navorderingsaanslagen terecht vernietigd door hof wegens schending Europeesrechtelijk evenredigheidsbeginsel

Datum: 07-06-2013
Auteur(s): I.R.J. Thijssen

Bekijk PDF





NTFR2013/1280 Navorderingsaanslagen terechtvernietigd door hofwegens schending Europeesrechtelijk evenredigheidsbeginsel
Hoge Raad07juni2013,nr.12/01598
Belastingjaar/tijdvak Wetsartikelen
Auteur LJN
ECLI
1992 – 2000Brondocument AWR-art. 16
VWEU-art. 56 Awb-art. 3:4
mr. I.R.J. Thijssen CA2255
ECLI:NL:HR:2013:CA2255
Samenvatting
Aanbelanghebbende zijnmettoepassing vande verlengde navorderingstermijnnavorderingsaanslagenIB enVB opgelegd.HofDen
Haag (3 februari 2012,nr.04/02693) heeftdie belastingaanslagenvernietigd wegens schending vanhetEuropeesrechtelijke evenredigheidsbeginsel.De inspecteur heeftvolgens hethofnietde vereiste voortvarendheid betracht.Hiertegenkomtde staatssecretaris incassatie,echter zonder succes.Hetoordeelvanhethofis namelijk cassatieproof.Hethofheeftvolgens de cassatierechter betekenis mogentoekennenaande lange periode tussende briefvanbelanghebbende van11 oktober 2002,waarna niets aanhetopleggenvande navorderingsaanslagenop basis vande door belanghebbende voordienverstrekte gegevens inde weg stond,ende kennisgeving vanhetvoornementothetopleggenvande navorderingsaanslagenmetboetenop 18 april2003.Dater nog eenprocedure liep over rechtsvragendie hier aande orde zijn,is nietvanbelang.
(Cassatieberoep ongegrond.)
Feiten
Aanbelanghebbende zijnmettoepassing vande verlengde navorderingstermijnnavorderingsaanslagenIB enVB opgelegd.
Geschil
HofDenHaag heeftdie belastingaanslagenvernietigd wegens schending vanhetEuropeesrechtelijke evenredigheidsbeginsel.De
inspecteur heeftvolgens hethofnietde vereiste voortvarendheid betracht.
Rechtsoverwegingen
3.1.1.MiddelIkeertzichtegen’s Hofs oordeeldatnietde vereiste voortvarendheid is betrachtbijhetvoorbereidenenopleggenvande
mettoepassing vande verlengde navorderingstermijnvanartikel16,lid 4,vande Algemene wetinzake rijksbelastingenvastgestelde navorderingsaanslageninde inkomstenbelasting/premie volksverzekeringenover de jaren1992 totenmet1997 eninde vermogensbelasting over de jaren1992 totenmet1998.
3.1.2.’s Hofs oordeeldienaangaande geeftgeenblijk vaneenonjuiste rechtsopvatting enis ook nietonbegrijpelijk.HetHofheeftdaarbij metname betekenis mogentoekennenaande lange periode tussende briefvanbelanghebbende van11 oktober 2002,waarna niets aanhetopleggenvande navorderingsaanslagenop basis vande door belanghebbende voordienverstrekte gegevens inde weg stond, ende kennisgeving vanhetvoornementothetopleggenvande navorderingsaanslagenmetboetenop 18 april2003.De door de Inspecteur inzijnbriefvan31 maart2003 aangevoerde omstandigheid dater nog eenprocedure liep over rechtsvragendie hier aande orde zijn,doetdaar nietaanaf(vgl.HR18 februari 2011,nr.09/05204,LJN:BP4779,BNB 2011/120 (red.:NTFR2011/457)).MiddelI faaltderhalve.
3.2.MiddelIIkanevenmintotcassatie leiden.Ditbehoeft,gezienartikel81,lid 1,vande Wetop de rechterlijke organisatie,geen nadere motivering,nuhetmiddelnietnoopttotbeantwoording vanrechtsvrageninhetbelang vande rechtseenheid ofde rechtsontwikkeling (vgl.hethedeninde zaak metnummer 12/01565 uitgesprokenarrestvande Hoge Raad).
Commentaar
Op 7 juni 2013 heeftde Hoge Raad ineendrietalarrestenenige verduidelijking gegevenover de voortvarendheid die de inspecteur op
grond vanhetunierechtelijk evenredigheidsbeginselinachtmoetnemenbijhetopleggenvannavorderingsaanslagen,indiende termijn vantwaalfjaar vanart.16,lid 4,AWRvantoepassing is.Eenopvallende overeenkomsttussende drie arrestenis dathetdrie coöperatieve belanghebbendenbetreftdie inreactie op vragenvande inspecteur vrijweldirecthebbenverklaard over een(verzwegen) rekening bijKredietbank Luxembourg (hierna:KB-Lux) te beschikkenenvervolgens ook informatie hebbenverstrektop basis waarvan de inspecteur overzichtenkonmakenvancorrectiebedragenenboeten.
Eenandere overeenkomstis datinalle drie de procedures de inspecteur vervolgens (tevergeefs) heeftgetrachtom een vaststellingsovereenkomstte sluiten.De tijd die daarmee gemoeid was heeftHofDenHaag inalle drie de gevallenals nietvoortvarend bestempeld (HofDenHaag 3 februari 2012,nr.04/02693,nr.04/02529 ennr.04/02460).Inieder vande procedures heefthethof daarvoor de navolgende (gelijkluidende) overweging gebruikt:‘DaarbijheefthetHofinaanmerking genomendatbelanghebbende in reactie op vragenvande Inspecteur vrijweldirectheeftverklaard over de rekening te hebbenbeschikteninde daarop volgende periode zodanige informatie heeftverstrektover die rekening datde inspecteur de navorderingsaanslagenaanzienlijk eerder had moeten opleggen.De omstandigheid datde inspecteur vóór hetopleggenvande aanslageneerstheeftgetrachtmetbelanghebbende toteen vaststellingsovereenkomstte komenennadienheeftgediscussieerd (metgemachtigde van) belanghebbende laatzulks onverlet.’

Omdatná hetmomentwaarop de inspecteur zijneerste voorstelhad gedaanom eenvaststellingsovereenkomstte sluitende feitenen omstandighedenper procedure verschillen,zalik hieronder de drie aande Hoge Raad voorgelegde gevallenafzonderlijk behandelen.
Heteerste (onderhavige) arrestbetrefteenbelanghebbende die op 10 juli 2002 eenoverzichtkreeg toegestuurd vande correctiebedragenende boeten,waarbijbelanghebbende tevens werd gewezenop de mogelijkheid om eenvaststellingsovereenkomst te sluiten.Nadatbelanghebbende te kennenhad gegevengeenvaststellingsovereenkomstte willensluitenheeftde inspecteur nogmaals aangedrongenop hetsluitenvaneenvaststellingsovereenkomst.Op 11 oktober 2002 heeftbelanghebbende de inspecteur wederom te kennengegevengeenvaststellingsovereenkomstte willensluiten,als gevolg waarvande inspecteur de (separate) navorderingsaanslagenmetboetenuiteindelijk op 18 april2003 heeftopgelegd.De Hoge Raad oordeeltdatde inspecteur nietde vereiste voortvarendheid heeftbetracht‘metname’ gezienhetongebruiktlatenverstrijkenvaneenperiode (vanzes maandenenéén week) die was gelegentussende briefvanbelanghebbende van11 oktober 2002 (waarna niets meer aanhetopleggenvande navorderingsaanslagenop basis vande door belanghebbende verstrekte gegevens inde weg stond) enhetopleggenvande navorderingsaanslagenmetboetenop 18 april2003.Geziende door de Hoge Raad gebezigde term ‘metname’ zijner kennelijk ook andere omstandighedendie tothetoordeelhebbengeleid datde inspecteur nietvoortvarend heeftgehandeld.Wellichtdoeltde Hoge Raad – innavolging vanHofDenHaag – daarmee op de periode vanongeveer drie maandenwaarinde inspecteur tevergeefs heeft aangedrongenop hetsluitenvaneenvaststellingsovereenkomst,maar zulks volgtnietzonder meer uitdeze overweging vande Hoge Raad.
Hettweede arrest(HR7 juni 2013,nr.12/01582,NTFR2013/XXX) betrefteenbelanghebbende die zichaanvankelijk coöperatiefheeft opgesteld door vrijweldirectte verklarenover diens rekening bijKB-Luxendesgevraagd ook de noodzakelijke informatie heeft verstrekt.Op basis vande door belanghebbende verstrekte informatie was hetvoor de inspecteur mogelijk om op 8 juli 2002 een overzichtte verstrekkenvande correctiebedragenenbijbehorende boeten,waarbijgelijktijdig eenvoorstelwerd gedaanom een vaststellingsovereenkomstte sluitenom eenenander te verwerkeninéénnavorderingsaanslag over hetjaar 1998.Op 30 augustus 2002 heeftbelanghebbende aangegevenom meerdere redenennietakkoord te willengaanmeteventuele navorderingsaanslagendie op basis vande door de inspecteur berekende correctiebedragenenboetenzoudenwordenvastgesteld.Bijbriefvan19 september 2002 verwerptde inspecteur de door belanghebbende aangedragenredenen.
Op 19 september 2002 stond – zoals de Hoge Raad inheteerste arrestheeftoverwogen– de inspecteur aldus niets meer inde weg aanhetopleggenvande navorderingsaanslagen,ware hetnietdatop 7 oktober 2002 eengemachtigde tentonele verschijntdie toezegt hetdossier te zullenbestuderenenbinnenvier weken(dus vóór 4 november 2002) meteeninhoudelijke reactie te komen.Vervolgens blijftde door de gemachtigde toegezegde reactie uitenstuurtde inspecteur pas op 24 april2003 eenkennisgeving navordering.Op deze kennisgeving wordteveneens nietgereageerd enuiteindelijk zijnde navorderingsaanslagenop 31 mei 2003 opgelegd.De Hoge Raad oordeeltdatde tijd die is verlopendoordatde advocaatzichnietheeftgehoudenaande door hemzelfinzijnbriefvan7 oktober 2002 gestelde termijnvanvier weken,aanbelanghebbende moetwordentoegerekend.Daarnaastoordeeltde Hoge Raad dathet tijdsverloop na heteinde vande door de gemachtigde gestelde termijnnietzodanig is datde inspecteur reeds eerder had moeten aannemendatbelanghebbende niets meer vanzichzoulatenhoren,ende inspecteur daarom eerder inactie had moetenkomen.Aldus achtde Hoge Raad eentijdsverloop vanbijna zevenmaandentussenhetuitblijvenvaneentoegezegde reactie vande gemachtigde en hetopleggenvande navorderingsaanslagennietzodanig lang datde inspecteur eengebrek aanvoortvarendheid kanwordenverweten. Opmerkelijk is niettemindatde inspecteur – integenstelling tothethierna te bespreken(derde) arrest– geenenkele herinnering heeft gestuurd vanwege hetuitblijvenvaneen(tijdige) reactie.
Hetderde arrest(HR7 juni 2013,nr.12/01583,NTFR2013/XXX) betrefteveneens eenbelanghebbende die zichaanvankelijk coöperatiefheeftopgesteld door vrijweldirectte verklarenover diens rekening bijKB-Luxendesgevraagd ook de noodzakelijke informatie heeftverstrekt.Op basis vande door belanghebbende verstrekte informatie was hetvoor de inspecteur mogelijk om op 12 april2002 eenoverzichtte verstrekkenvande correctiebedragenenbijbehorende boeten,waarbijgelijktijdig eenvoorstelwerd gedaan om eenvaststellingsovereenkomstte sluitenom eenenander te verwerkeninéénnavorderingsaanslag over hetjaar 1998.Op 22 april 2002 verschijnt– zoals datook inhettweede arresthetgevalwas – eendoor belanghebbende ingeschakelde gemachtigde tentonele die aangeefthetdossier te zullenbestuderenenbinnentwee wekenmeteeninhoudelijke reactie te komen.Ook hier blijfteen(tijdige) reactie uitenop 17 mei 2002 deeltde inspecteur hem mede datingevalhijvóór 1 juni 2002 nog steeds niets heeftvernomen,hetinde vaststellingsovereenkomstaangegevenbedrag aanheffingsrente opnieuwzalwordenberekend.Hoewelde noodzakelijke informatie reeds door belanghebbende aande inspecteur was verstrekt,reageertde gemachtigde op 27 mei 2002 metde volgende opmerkelijke reactie:‘De beantwoording vanuwvragenis afhankelijk vande antwoordenop vragendoor mijaande Staatssecretaris vanFinanciën gesteld.’ Opmerkelijk,omdatde advocaater kennelijk tenonrechte vanuitlijktte gaandatzijncliënteenzogenoemde ‘ontkenner’ (of weigeraar) betreftdie is verzochtinformatie te verstrekkenover diens KB-Luxrekening,terwijlde inspecteur slechts verzochtheeftom te reagerenop eenconceptvaststellingsovereenkomstmetbijbehorende berekeningen.
Vervolgens heeftde inspecteur zichmeermaals totde gemachtigde gewend entoeneenreactie uitbleef,kondigde de inspecteur bij briefvan8 november 2002 aannavorderingsaanslagenop te zullenleggen.Op 22 november 2002 heeftde gemachtigde daarop gereageerd methetmijns inziens onbegrijpelijke verzoek om stukkenover te leggenop basis waarvande inspecteur meentde aangekondigde navorderingsaanslagenop te kunnenleggen.Onbegrijpelijk,omdatde inspecteur de door belanghebbende zelf verstrekte gegevens over diens rekening tengrondslag had gelegd aanzijnberekeningenenaangekondigde navorderingsaanslagen. Vervolgens stuurde de inspecteur op 31 december 2002 aanbelanghebbende zelfeenbriefmetde opmerking datde reactie vande advocaatgeenaanleiding gafom de reeds op 8 november 2002 aangekondigde navorderingsaanslagente herzien.Vervolgens bleef hetruim 3½ maand stilenwerdenbijbriefvan18 april2003 nogmaals de – reeds bijbriefvan8 november 2002 inhetvooruitzicht gestelde – navorderingsaanslagenaangekondigd die uiteindelijk pas zijnopgelegd op 31 mei 2003 en27 juni 2003.De Hoge Raad oordeeltdatdeze feitenenomstandighedengeenandere conclusie toelatendandat,anders danhethofheeftgeoordeeld,de inspecteur bijhetopleggenvande navorderingsaanslagende vereiste voortvarendheid inachtheeftgenomen.
De drie arrestenmakenduidelijk datvande drie meewerkende belanghebbendendegenendie eengemachtigde hebbeningeschakeld er slechter vanzijnafgekomendandegene die geengemachtigde heeftingeschakeld.Geziende handelwijze vande gemachtigden(die inhetene gevalinhetgeheelnieteninhetandere gevalvolstrektonbegrijpelijk reageren) valtdaar watvoor te zeggen,indie zindathet tijdsverloop datdaarvanhetgevolg is nietvoor rekening komtvande inspecteur.De onbeantwoorde vraag indeze arrestenblijftop welk momentde (voortvarendheids)balweer bijde inspecteur komtte liggen? Anders geformuleerd:op welk momentmoeteeninspecteur de conclusie trekkendateenreactie definitiefzaluitblijvenofmoeteeninspecteur de conclusie trekkendateen(zinvolle) discussie meteen belanghebbende ofdiens gemachtigde nergens toe zalleidenzodathijvervolgens voortvarend moetovergaantothetopleggenvan navorderingsaanslagen?
[1]Mr.I.R.J.Thijssenis verbondenaanJaeger Advocaten-belastingkundigen.

Bron:http://www.ndfr.nl/link/NTFR2013-1280 Datum:11-4-2016 15:43:17
Alle rechten voorbehouden. Alle auteursrechten en databankrechten van deze tekst worden uitdrukkelijk voorbehouden. Deze rechten berusten bij Sdu Uitgevers. Niets uit NDFRmag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand ofopenbaar gemaakt in enige vorm ofop enige wijze, hetzij elektronisch,mechanisch, door fotokopieën, opnamen ofenige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
All rights reserved. No part ofthis publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without the publisher’s prior consent.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op