nl-NLen-GB

Rechtvaardigingstoetsing van het verdedigingsbeginsel dient volgens A-G Ettema niet abstract maar concreet plaats te vinden

Gepubliceerd in: NTFR
Datum: 29-08-2019
Auteur(s): V.S. Huygen van Dyck-Jagersma

Bekijk PDF

InstantieConclusie A-G Ettema, 04-06-2019 nr. 18/03982
Zaaknummer(s)18/03982
Datum uitspraak04-06-2019
Belastingjaar/tijdvak2010
RubriekFormeel belastingrecht
WetsartikelenWet OB 1968 - art. 3AWR - art. 67cAwb - art. 8:42AWR - art. 27e
ECLIECLI:NL:PHR:2019:779
Brondocumenten 
AuteurMr. V.S. Huygen van Dyck-Jagersma
NTFR2019/2101
Datum publicatie NTFR29-08-2019

 

Samenvatting

In 2010 heeft belanghebbende, die een onderneming drijft in de vorm van een eenmanszaak, dvd's verkocht via (voornamelijk) de website Marktplaats.nl. Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de inspecteur gesteld dat een omzetcorrectie moet plaatsvinden. Belanghebbende heeft het conceptcontrolerapport ontvangen per e-mail en post op vrijdag 27 november 2015, tezamen met een brief die het voornemen aankondigt een naheffingsaanslag en verzuimboete vast te stellen. In dezelfde brief is hem een termijn gegund tot uiterlijk maandag 30 november 2015 om te reageren op dit voornemen. Hij heeft laten weten het rapport te bestrijden bij gebrek aan tijd. Op dinsdag 1 december 2015 is het definitieve controlerapport uitgebracht en met dagtekening 23 december 2015 zijn de naheffingsaanslag en boetebeschikking opgelegd. In geschil is of het verdedigingsbeginsel is geschonden doordat de naheffingsaanslag is vastgesteld na een termijn van drie dagen (waarvan slechts één werkdag) voor een reactie op het voornemen daartoe.

Hof Den Haag (NTFR 2018/205 ) heeft beoordeeld of de inspecteur de naheffingsaanslag mocht vaststellen na deze reactietermijn. Hierbij heeft het hof Prequ' Italia tot uitgangspunt genomen. Uit Prequ' Italia leidt het hof af dat het verzuim vooraf te horen geen afbreuk doet aan het verdedigingsbeginsel als a. belanghebbende de mogelijkheid heeft alsnog achteraf te worden gehoord, b. dit verzuim beantwoordt aan doeleinden van algemeen belang en c. dit verzuim geen onevenredige en onduldbare ingreep is die het recht van verdediging in de kern aantast.

Ad b: uit Prequ' Italia volgt volgens het hof dat beschikkingen in de omzetbelasting altijd beantwoorden aan doeleinden van algemeen belang. Ad c: uit Prequ' Italia volgt volgens het hof dat daaraan ook wordt voldaan als betalingsuitstel mogelijk is onder dezelfde voorwaarden als, of ruimere voorwaarden dan, die van art. 244 CDW (Communautair Douanewetboek).

A-G Ettema merkt op dat aan deze beoordeling van het hof het impliciete oordeel ten grondslag ligt dat een reactietermijn van slechts één werkdag het recht van verdediging beperkt. Tevens merkt de advocaat-generaal op dat het oordeel van het hof de vraag oproept of de rechtvaardigingstoetsing van het verdedigingsbeginsel concreet plaatsvindt (i.e., de rechtvaardiging moet worden gezocht in de individuele omstandigheden van het geval, zodat de uitkomst van de toetsing kan verschillen bij gelijksoortige beschikkingen naargelang die individuele omstandigheden) dan wel abstract (i.e., de rechtvaardiging moet worden gezocht in het algemeen belang dat de desbetreffende beschikking dient, zodat de uitkomst bij gelijksoortige beschikkingen dezelfde is, ongeacht de individuele omstandigheden van het geval)? De advocaat-generaal onderwerpt die vraag aan onderzoek in de gemeenschappelijke bijlage bij deze conclusie en komt tot de slotsom dat een concrete rechtvaardigingstoetsing moet plaatsvinden. Het hof is niet uitgegaan van een concrete toetsing.

Wel heeft het hof nog geoordeeld dat in dit geval de dreiging heeft bestaan dat de tijdige inning van eigen middelen in het gedrang zou komen door een niet aan de inspecteur te rekenen tijdsverloop. Als dit oordeel standhoudt in cassatie, zou het zelfstandig de gevolgtrekking dragen dat een reactietermijn van slechts één werkdag gerechtvaardigd is. Dit oordeel houdt volgens de advocaat-generaal evenwel geen stand: zonder nadere motivering, die ontbreekt, is onbegrijpelijk dat het tijdsverloop niet aan de inspecteur is toe te rekenen omdat uit de overgelegde correspondentie tussen de inspecteur en belanghebbende blijkt dat het boekenonderzoek in de periode tussen 16 december 2014 en 18 juni 2015 heeft voortgeduurd als gevolg van omstandigheden die – althans naar diens zeggen – aan de inspecteur zijn toe te rekenen.

Voor het geval de uitleg die het hof geeft aan Prequ' Italia onjuist zou zijn, heeft het hof nog geoordeeld dat een reactietermijn van drie dagen (waarvan één werkdag) voldoende is voor het voeren van doeltreffend verweer tegen de voorgenomen naheffingsaanslag. De advocaat-generaal verstaat dit oordeel aldus dat het hof tot uitdrukking heeft gebracht dat het recht om te worden gehoord niet is beperkt wanneer de inspecteur belanghebbende deze reactietermijn gunt. Volgens de advocaat-generaal is het evenwel het een of het ander: of het hof acht een beperking gerechtvaardigd en evenredig langs de lijnen van Prequ' Italia dan wel langs andere lijnen, of het hof acht dit recht geheel niet beperkt. De advocaat-generaal meent dat het innerlijk tegenstrijdig en daarmee onbegrijpelijk is wanneer het hof een beperking gerechtvaardigd acht langs de lijnen van Prequ' Italia én daaraan toevoegt dat – zo deze lijnen onjuist zouden zijn – zich alsnog geen beperking voordoet.

Tot slot heeft het hof geoordeeld dat de reactietermijn van drie dagen (waarvan één werkdag) geen onevenredige en onduldbare ingreep is die het verdedigingsbeginsel in de kern aantast. In cassatie klaagt belanghebbende dat de voorwaarden die art. 244 CDW stelt, niet voorkomen in de Leidraad Invordering 2008. De advocaat-generaal merkt op dat het hof – in cassatie onbestreden – heeft vastgesteld dat de Leidraad Invordering 2008 ruimere voorwaarden stelt dan die van art. 244 CDW. Dan mist het belang te betogen dat het hof engere voorwaarden heeft moeten toepassen.

Middel II slaagt. Hoewel middel I faalt, concludeert de advocaat-generaal het daardoor bestreden oordeel ambtshalve te casseren met het oog op verwijzing na cassatie.

Commentaar

Voor mijn commentaar bij de gemeenschappelijke bijlage van A-G Ettema bij deze en twee andere conclusies zie (NTFR 2019/2099).

Noot

[1] Vanessa Huygen van Dyck-Jagersma is verbonden aan Jaeger advocaten-belastingkundigen te Amsterdam.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op

Jaeger maakt gebruik van cookies

Wij plaatsen cookies om uw ervaring op de website te verbeteren. De cookies die vereist zijn om de website te gebruiken zijn wettelijk toegestaan. Voor de andere cookies kunt u hieronder toestemming geven.

meer informatie