nl-NLen-GB

Redelijke termijn: na terugwijzing naar inspecteur gaat geen nieuwe termijn van twee jaar lopen

Gepubliceerd in: NTFR
Datum: 28-11-2019
Auteur(s): V.S. Huygen van Dyck-Jagersma

InstantieHoge Raad, 22-11-2019 nr. 19/01594
Zaaknummer(s)19/01594
Datum uitspraak22-11-2019
Belastingjaar/tijdvak2012-2017
RubriekFormeel belastingrecht
WetsartikelenAwb - art. 8:73
ECLIECLI:NL:HR:2019:1818
Brondocumenten 
Formele relaties
AuteurMr. V.S. Huygen van Dyck-Jagersma
NTFR2019/2926
BNB2020/6
Datum publicatie NTFR28-11-2019

 

Samenvatting

Belanghebbende heeft op 12 juli 2012 bezwaar gemaakt en daarna beroep ingesteld. De rechtbank heeft op 17 april 2014 uitspraak gedaan. Hof Den Bosch heeft deze uitspraak op 15 april 2016 vernietigd en de zaak teruggewezen naar de inspecteur. Na weer bezwaar en beroep te hebben ingesteld, heeft de rechtbank op 25 oktober 2017 opnieuw uitspraak gedaan. Daarbij heeft de rechtbank een vergoeding van € 500 toegekend vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Volgens Hof Den Bosch (15 februari 2019, nr. 17/00834NTFR 2019/1570) is deze schadevergoeding ten onrechte toegekend, omdat na terugwijzing een nieuwe redelijke termijn van twee jaar is gaan lopen en deze termijn niet is overschreden. De Hoge Raad vernietigt de hofuitspraak en bevestigt de rechtbankuitspraak. Volgens de Hoge Raad start na een terugwijzing niet een nieuwe behandelingsfase. Uitgangspunt is dat de berechting in eerste aanleg niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden als het totale tijdsverloop in deze fase, dat is dus de optelsom van het tijdsverloop van die fase vóór terugwijzing en van die fase na terugwijzing, langer heeft geduurd dan twee jaren. Daarbij geldt dat de duur van de hervatte berechting in eerste aanleg aanvangt op de dag nadat de terugwijzingsuitspraak is gewezen.

Feiten

2.1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd. Tegelijkertijd is bij beschikking een boete opgelegd. Tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking heeft belanghebbende op 12 juli 2012 bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 1 september 2012 de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

2.1.2. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij uitspraak van 17 april 2014 geoordeeld dat de bezwaren tijdig zijn gemaakt en daarom ontvankelijk zijn. Die rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en heeft de zaak afgedaan. Zij heeft de uitspraken op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd.

2.1.3. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft het tegen die uitspraak ingestelde hoger beroep van belanghebbende bij uitspraak van 15 april 2016 gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en de beide uitspraken van de Inspecteur vernietigd, en de Inspecteur opgedragen opnieuw uitspraak te doen op de bezwaren.

2.1.4. De Inspecteur heeft opnieuw uitspraak op de bezwaren gedaan. Hij heeft de boete verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn en de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Belanghebbende heeft tegen deze uitsprakenberoep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 25 oktober 2017 het beroep gegrond verklaard voor zover het de boetebeschikking betreft en de uitspraak op bezwaar betreffende die boetebeschikking alsook de boetebeschikking vernietigd. Zij heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard, en heeft – vanwege de te lange behandelingsduur door de rechter – de Staat veroordeeld tot vergoeding van € 500 aan immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Geschil

2.2.1. De Staat heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank geen (incidenteel) hoger beroep ingesteld.

Bij het Hof was in geschil of de in aanmerking te nemen termijn voor de fase van berechting tot aan de uitspraak van de Rechtbank (hierna: de berechting in eerste aanleg) is overschreden.

2.2.2. Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord. Het Hof heeft daarbij tot uitgangspunt genomen dat de berechting van een zaak in eerste aanleg niet binnen een redelijke termijn is geschied indien de rechtbank niet binnen twee jaren nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat na terugwijzing door het hof naar de inspecteur in beginsel opnieuw van een termijn van twee jaren voor de behandeling van het bezwaar en beroep dient te worden uitgegaan. Na terugwijzing van de zaak door het hof naar de inspecteur vangt volgens het Hof de in aanmerking te nemen termijn voor behandeling van de zaak in eerste aanleg aan op de dag na de uitspraak van het hof die tot deze terugwijzing leidde. Dit betekent volgens het Hof dat in dit geval die termijn op 16 april 2016 is aangevangen. Aangezien de Rechtbank op 25 oktober 2017 uitspraak heeft gedaan, is volgens het Hof de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg niet overschreden.

2.3. Het middel is gericht tegen het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof.

Rechtsoverwegingen

3.1. Het Hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat de berechting van een zaak in eerste aanleg niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden indien de rechtbank niet binnen twee jaren nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet (vgl. rechtsoverweging 3.4.2 van het overzichtsarrest HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 (red. NTFR 2016/752)).

3.2. Het Hof heeft echter miskend dat als de bestuursrechter de zaak terugwijst naar de inspecteur om opnieuw uitspraak op bezwaar te doen, voor het vaststellen van de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg niet een nieuwe behandelingsfase start (vgl. ABRvS 7 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM0213, en CRvB 25 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH9991).

In zulke zaken geldt als uitgangspunt dat de berechting in eerste aanleg niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden als het totale tijdsverloop in deze fase, dat is dus de optelsom van het tijdsverloop van die fase vóór terugwijzing en van die fase na terugwijzing, langer heeft geduurd dan twee jaren. Daarbij geldt dat de duur van de hervatte berechting in eerste aanleg aanvangt op de dag nadat de terugwijzingsuitspraak is gewezen.

3.3. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen, slaagt het middel. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Het hoger beroep van de Staat dient ongegrond te worden verklaard. Aangezien belanghebbende geen (incidenteel) hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank, moet de uitspraak van de Rechtbank worden bevestigd.

(Volgt vernietiging van de hofuitspraak en bevestiging van de rechtbankuitspraak.)

Commentaar

Hier speelt de vraag of bij het vaststellen van het recht op immateriëleschadevergoeding, terugwijzing van de zaak door het hof naar de inspecteur een nieuwe termijn van twee jaar doet aanvangen voor de behandeling in bezwaar en beroep. Het hof vond van wel. De parallel met terugwijzing door de Hoge Raad, die een nieuwe termijn van een jaar doet aanvangen, wees het hof af. De zaak wordt bij terugwijzing naar de inspecteur immers opnieuw in volle omvang behandeld. Valt het oordeel van de Hoge Raad dat door terugwijzing naar de inspecteur geen nieuwe behandelingsfase start, dan als verrassend te kenschetsen? Het overzichtsarrest van 19 februari 2016, nr. 14/03907, NTFR 2016/752 behandelt de variant van terugwijzing naar de inspecteur niet expliciet. Maar systematisch redenerend, zou uit het arrest kunnen worden afgeleid dat terugwijzing naar de inspecteur de termijn van twee jaar voor de behandeling in bezwaar en beroep niet verlengt. In de catalogus van bijzondere omstandigheden/gevallen die tot termijnverlenging of een nieuwe termijn leiden, komt de terugwijzing immers niet voor. Aangezien de redelijke termijn van twee jaar voor de behandeling van de zaak in bezwaar en beroep weer gaat lopen op de dag nadat de terugwijzingsuitspraak is gewezen, ligt bij terugwijzing naar de inspecteur termijnoverschrijding voor de hand. Het arrest kan dan ook als een duidelijke vingerwijzing voor de (feiten)rechter worden opgevat. Terugwijzen dient uitzondering te zijn, doorpakken is het devies!

Noot

[1] Vanessa Huygen van Dyck-Jagersma is verbonden aan Jaeger advocaten-belastingkundigen te Amsterdam.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op

Jaeger maakt gebruik van cookies

Wij plaatsen cookies om uw ervaring op de website te verbeteren. De cookies die vereist zijn om de website te gebruiken zijn wettelijk toegestaan. Voor de andere cookies kunt u hieronder toestemming geven.

meer informatie