Schatting van verzwegen vermogen is wel redelijk

  

Schatting van verzwegen vermogen is wel redelijk

Datum: 13-11-2015
Auteur(s): I.R.J. Thijssen

Bekijk PDF





NTFR2015/3249 Schatting van verzwegen vermogen is wel redelijk
Hoge Raad13november2015,nr.14/01744
Belastingjaar/tijdvak Wetsartikelen
Auteur BNB
ECLI
2002Brondocument AWR-art. 27e
AWR-art. 47 AWR-art. 52a
mr. I.R.J. Thijssen 2016/20
ECLI:NL:HR:2015:3291
Samenvatting
Inhetkader vanhetprojectBank Zonder Naam is aanbelanghebbende eennavorderingsaanslag IB 2002 metboete opgelegd.De
uitspraak op bezwaar is gedaanop 29 mei 2008.Nudeze uitspraak is gedaanvóór 1 juli 2011,is voor omkering vande bewijslastgeen informatiebeschikking vereist.De inspecteur heeftzijnschatting vanhetverzwegenvermogenonderbouwd meteenberoep op gemiddeldenvantegoedenvanandere rekeninghouders.HofArnhem-Leeuwardenachtte deze schatting onredelijk,omdatde inspecteur nietaannemelijk had gemaaktdatde persoonlijke omstandighedenvanbelanghebbende nietwezenlijk verschillenvan hetgeengemiddeld bijde groep vanachterhaalde rekeninghouders konwordenwaargenomen.De Hoge Raad achtditeente vergaande eis.Aande door de inspecteur gemaakte schatting kanslechts de eis wordengesteld datdeze redelijk,nietnaar willekeur, is vastgesteld.De omkering vande bewijslastbrengtmee datde inspecteur konvolstaanmeteenop gemiddelde gegevens gebaseerde schatting tenzijde belanghebbende doetblijkendathijzichineenwezenlijk andere positie heeftbevondendande achterhaalde rekeninghouders.
(Volgtvernietiging enverwijzing.)
Feiten
2.1.De bestredennavorderingsaanslagen,boetenenbeschikkingeninzake heffingsrente houdenverband methetzogenoemde project
Bank Zonder Naam.
2.1.1.Belanghebbende heeftsteeds ontkend houder te zijnvaneenbuitenlandse bankrekening die volgens de Inspecteur (mede) op zijn naam stond,enheeftgeweigerd informatie te verstrekkenwaarom de Inspecteur op de voetvanartikel47 AWRheeftverzocht. 2.1.2.Bijhetberekenenvande ontwikkeling vanhetsaldo vanvoormelde bankrekening is de Inspecteur uitgegaanvaneenjaarlijkse groei meteenenkelvoudig percentage van23,5.
Geschil
2.2.HetHofheeftgeoordeeld datde navorderingsaanslag ende daarbijopgelegde boete moetenwordenverminderd.Voorts heefthet
Hofgeoordeeld datbelanghebbende steeds heeftontkend engeweigerd de gevraagde informatie te verstrekken,waardoor de schending vanartikel47 AWRreeds voorafgaande aanhetopleggenvande navorderingsaanslag is voltooid enomkering en verzwaring vande bewijslastinde bezwaarfase dus vaststaat.Daarinbrengtartikel52a AWRgeenverandering omdatde Inspecteur nochinde bezwaarfase,nochna de datum vaninwerkingtreding vanartikel52a AWR(1 juli 2011) belanghebbende opnieuwheeft gevraagd inlichtingente verstrekken,aldus nog steeds hetHof.Tegendeze oordelenrichtenzichde door belanghebbende voorgestelde middelenItotenmetV.
2.3.HetHofheefttevens geoordeeld datde Inspecteur nietaannemelijk heeftgemaaktdathetin2.1.2 genoemde percentage van23,5 is gebaseerd op eenredelijke schatting.Tegenditoordeelrichtzichhetdoor de Staatssecretaris voorgestelde middel.
Rechtsoverwegingen
3.Beoordelingvandedoorbelanghebbendevoorgesteldemiddelen
3.1.MiddelIIbetoogtdathetHofhetnemo tenetur-beginselheeftgeschonden.Hetmiddelfaaltop de grondendie zijnopgenomeninhet
arrestvande Hoge Raad van29 mei 2015,nr.14/00584,ECLI:NL:HR:2015:1359,V-N2015/28.7 (red.NTFR2015/1807). 3.2.MiddelV betoogtdatde bewijslastniethad mogenwordenomgekeerd enverzwaard zonder hetnemenvaneen informatiebeschikking inde bezwaarfase.
Hetmiddelfaalt.De uitspraak op bezwaar is gedaanop 29 mei 2008.De vanaf1 juli 2011 inartikel27e,lid 1,AWRopgenomeneis vaneeninformatiebeschikking kannietwordengesteld indienhet(hoger) beroep is gerichttegeneenuitspraak op bezwaar die is gedaanvoor 1 juli 2011 (HR2 oktober 2015,nr.14/02335,ECLI:NL:HR:2015:2795,V-N2015/50.4 (red.NTFR2015/2709)).
3.3.De middelenI,IIIenIV kunnenniettotcassatie leiden.Ditbehoeft,gezienartikel81,lid 1,vande Wetop de rechterlijke organisatie, geennadere motivering,nudie middelennietnopentotbeantwoording vanrechtsvrageninhetbelang vande rechtseenheid ofde rechtsontwikkeling.
3.4.1.MiddelVIbetoogtdathetHofbijzijnoordeelover de vergoeding vanimmateriële schade wegens overschrijding vande redelijke termijnalle onderhavige zaken(nrs.14/01701,14/01722,14/01723,14/01744,14/01747,14/01748,14/01750,14/01751 en14/01949) heeftaangemerktals samenhangende zaken,maar er daarbijgeenrekening mee heeftgehoudendatter bepaling vande mate van overschrijding moetwordengerekend vanafhettijdstip vanindiening vanheteerstaangewende rechtsmiddel. 3.4.2.Hetmiddelmiskentdatde Rechtbank haar beslissing over de gevraagde vergoeding vanimmateriële schade inde fase van bezwaar enberoep heeftaangehouden.Hetmiddelfaaltderhalve nuhetopkomttegeneendoor hetHofnietgegevenoordeel.

4.BeoordelingvanhetdoordeStaatssecretarisvoorgesteldemiddel
De Inspecteur heeftzijnschatting vanhetverzwegenvermogenonderbouwd meteenberoep op gemiddeldendie zijnontleend aanhet
verloop vantegoedenen/ofbeleggingentenname vanandere rekeninghouders,waarbijde omvang ensamenstelling vandie groep van achterhaalde rekeninghouders voldoende aannemelijk maaktdatdie gemiddeldenook voor hetdoor belanghebbende verzwegen vermogenkunnengelden.Door te eisendatde Inspecteur bovendienaannemelijk maaktdatde relevante persoonlijke omstandigheden vanbelanghebbende nietwezenlijk verschillenvanhetgeengemiddeld bijde zojuistbedoelde groep vanachterhaalde rekeninghouders konwordenwaargenomen,heefthetHofeente vergaande eis gesteld.
Daarmee heefthetHofmiskend datindien,zoals inhetonderhavige geval,de zogenoemde omkering vande bewijslastmoetworden toegepast,aande door de Inspecteur gemaakte schatting slechts de eis kanwordengesteld datdeze redelijk,nietnaar willekeur,is vastgesteld.De omstandigheid datde bewijslastis omgekeerd brengtmee datde Inspecteur konvolstaanmeteenop gemiddelde gegevens gebaseerde schatting tenzijde belanghebbende doetblijkendathijzichineenwezenlijk andere positie heeftbevondendan de (andere) achterhaalde rekeninghouders,enhetdoor hem aangehoudentegoed daarom ook niethetzelfde verloop te zienkan hebbengegeven.Voor zover hetmiddelerover klaagtdathetHoftenaanzienvanhetbewijs vande omvang vanhetverzwegen vermogeneenonjuiste rechtsopvatting heeftgevolgd,is hetderhalve terechtvoorgesteld.Hetmiddelbehoeftvoor hetoverige geen behandeling.
5.Slotsom
Geletop hetgeenhiervoor is geoordeeld inonderdeel4 kan’s Hofs uitspraak nietinstand blijven.Verwijzing moetvolgen.
(Volgtvernietiging enverwijzing.)
Commentaar
Zie mijncommentaar bijHR13 november 2015,nr.14/01701,NTFR2015/3248.
[1]Igor Thijssenis verbondenaanJaeger advocaten-belastingkundigente Amsterdam
Bron:http://www.ndfr.nl/link/NTFR2015-3249 Datum:15-4-2016 11:09:28
Alle rechten voorbehouden. Alle auteursrechten en databankrechten van deze tekst worden uitdrukkelijk voorbehouden. Deze rechten berusten bij Sdu Uitgevers. Niets uit NDFRmag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand ofopenbaar gemaakt in enige vorm ofop enige wijze, hetzij elektronisch,mechanisch, door fotokopieën, opnamen ofenige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
All rights reserved. No part ofthis publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without the publisher’s prior consent.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op