Schending verdedigingsbeginsel leidt niet tot vernietiging besluit

  

Schending verdedigingsbeginsel leidt niet tot vernietiging besluit

Gepubliceerd in: NTFR 2015/1928
Datum: 26-06-2015
Auteur(s): M.H.W.N. Lammers

Bekijk PDF





NTFR2015/1928 Schending verdedigingsbeginselleidtniet totvernietiging besluit
Hoge Raad26juni2015,nr.10/02774bis
Belastingjaar/tijdvak Wetsartikelen
Auteur BNB
ECLI
2005Brondocument Awb-art. 7:12
Awb-art. 6:22 CDW-art. 220
Europeesrechtelijk kader-art. 2
mr. M.H.W.N. Lammers 2015/186
ECLI:NL:HR:2015:1666
Samenvatting
Aanbelanghebbende is voor de invoer vantuinpaviljoens eenuitnodiging totbetaling (utb) vandouanerechtenuitgereikt.Voorafgaand
aande uitreiking vande utb is belanghebbende nietinde gelegenheid gesteld zichuitte latenover deze navordering van douanerechten.HofAmsterdam (20 mei 2010,nr.08/00209,NTFR2010/1417) heeftgeoordeeld datgeletop hetarrestSopropé het verdedigingsbeginselis geschonden.Hethofheeftde utb echter nietvernietigd nubelanghebbende door deze schending nietis benadeeld.De Hoge Raad had Europeesrechtelijke twijfelenheeftprejudiciële vragengesteld aanhetHvJ (NTFR2013/537).Na beantwoording vandeze vragendoor hetHvJ (3 juli 2014,Kamino enDatema) wijstde Hoge Raad nuheteindarrest.Daarinoordeeltde Hoge Raad datde schending vanhetverdedigingsbeginselnietleidttoteenvernietiging vande utb,nude inspecteur niettoteenander besluitzouzijngekomenals belanghebbende welvoorafwas gehoord.Inditgevalbestond immers over de feitengeenverschilvan mening enkwam aande inspecteur geenbeleidsvrijheid toe.Verder mochthethofmettoepassing vanart.6:22 Awb voorbijgaanaan de uiterstsummiere motivering vande utb op hetaanslagbiljet.Belanghebbende beschikte namelijk voorafgaand aande verzending van haar bezwaarschriftalover hetconcept-controlerapport,zodatzijop de hoogte was vande achtergrondenvande utb.Belanghebbende is dus nietbenadeeld door hetmotiveringsgebrek.
Feiten
Voor eenoverzichtvanhetgeding incassatie totaanhetdoor de Hoge Raad inditgeding gewezenarrestvan22 februari 2013,nr.
10/02774,ECLI:NL:HR:2013:BR0666,BNB 2013/130 (red.NTFR2013/537),wordtverwezennaar datarrest,waarbijde Hoge Raad aanhetHofvanJustitie vande Europese Unie heeftverzochteenprejudiciële beslissing te gevenover de indatarrestgeformuleerde vragen.
Bijarrestvan3 juli 2014,gevoegde zakenKamino InternationalLogistics B.V.enDatema HellmannWorldwide Logistics B.V.,C-129/13 enC-130/13,ECLI:EU:C:2014:2041,BNB 2014/231 (red.NTFR2014/1053),heefthetHofvanJustitie,uitspraak doende op die vragen,voor rechtverklaard:
‘1) Op hetbeginselvaneerbiediging door de administratie vande rechtenvande verdediging enhetdaaruitvoortvloeiende rechtvan eenieder om te wordengehoord alvorens eenbesluitwordtgenomendatzijnbelangenop nadelige wijze kanbeïnvloeden,zoals die geldeninhetkader vanverordening (EEG) nr.2913/92 vande Raad van12 oktober 1992 totvaststelling vanhetcommunautair douanewetboek,zoals gewijzigd bijverordening (EG) nr.2700/2000 vanhetEuropees Parlementende Raad van16 november 2000, kandoor particulierenrechtstreeks eenberoep wordengedaanvoor de nationale rechter.
2) Hetbeginselvaneerbiediging vande rechtenvande verdediging eninhetbijzonder hetrechtvaneenieder om te wordengehoord voordatjegens hem eenvoor hem nadelige individuele maatregelwordtgenomen,moetenaldus wordenuitgelegd datwanneer de adressaatvaneenineenprocedure totnavordering vaninvoerrechtenop grond vanverordening nr.2913/92,zoals gewijzigd bij verordening nr.2700/2000,vastgestelde uitnodiging totbetaling nietvoorafgaand aande vaststelling vandatbesluitis gehoord door de administratie,zijnrechtenvande verdediging wordengeschonden,ook alkanhijzijnstandpuntkenbaar makentijdens eenlatere administratieve bezwaarfase,indiende nationale regeling de adressatenvandie uitnodigingenniettoestaat,wanneer zijnietvooraf wordengehoord,de opschorting vande uitvoering vandie uitnodigingentotde eventuele herziening ervante verkrijgen.Datis inieder gevalzo indiende nationale administratieve procedure totuitvoering vanartikel244,tweede alinea,vanverordening nr.2913/92,zoals gewijzigd bijverordening nr.2700/2000,die opschorting beperktwanneer er redenenzijnom aande overeenstemming vande aangevochtenbeschikking metde douanewetgeving te twijfelenofindiende belanghebbende onherstelbare schade dreigtte lijden.
3) De voorwaardenwaaronder de eerbiediging vande rechtenvande verdediging moetwordengewaarborgd,ende gevolgenvande schending vandie rechtenwordenbepaald door hetnationale recht,mits de indatverband vastgestelde maatregelendezelfde draagwijdte hebbenals die voor particuliereninvergelijkbare nationaalrechtelijke situaties (gelijkwaardigheidsbeginsel) ende uitoefening vande door de rechtsorde vande Unie verleende rechteninde praktijk nietonmogelijk ofuiterstmoeilijk wordtgemaakt (doeltreffendheidsbeginsel).
De nationale rechter,die verplichtis om de volle werking vanhetUnierechtte waarborgen,kanbijde beoordeling vande gevolgenvan eenschending vande rechtenvande verdediging,inhetbijzonder vanhetrechtom te wordengehoord,rekening ermee houdendateen dergelijke schending pas totnietigverklaring vanhetna afloop vande betrokkenadministratieve procedure genomenbesluitleidt, wanneer deze procedure zonder deze onregelmatigheid eenandere afloop zoukunnenhebbengehad.’
Geschil

Ingeschilis ofde schending vanhetverdedigingsbeginselmoetleidentotvernietiging vande uitnodigingentotbetaling.
Rechtsoverwegingen
2.1.HetHofheeftvastgesteld datbelanghebbende nietvoorafgaande aande uitreiking vande onderwerpelijke uitnodigingentot
betaling is ingelichtenevenmininde gelegenheid is gesteld om voorafgaande aanhetvaststellenvande uitnodigingentotbetaling haar zienswijze te geven.
Hiervanuitgaande heefthetHofgeoordeeld datde Inspecteur hetbeginselvaneerbiediging vande rechtenvande verdediging heeft geschonden.Datoordeelwordtincassatie nietbestreden.
2.2.MiddelIIbetoogtonder meer datschending vande rechtenvande verdediging bijde besluitvorming vande douaneautoriteitentot hetdoenvaneenmededeling als bedoeld inartikel221,lid 1,vanhetCommunautair douanewetboek (hierna:hetCDW),zonder meer behoortte leidentoteenvernietiging daarvan.Geletop punt3 vande hiervoor inonderdeel1 weergegevenverklaring voor rechtvanhet HofvanJustitie faalthetmiddelvoor zover heteenberoep doetop hetrechtvande Europese Unie.Ook inhetnationale rechtvindtde stelling vanhetmiddelgeensteun,zodatmiddelIIinzoverre eveneens faalt.
2.3.1.MiddelIIverzetzichvoor hetoverige tegenhetoordeelvanhetHofdatschending vande rechtenvande verdediging bijde besluitvorming vande douaneautoriteitentothetvaststellenvande uitnodigingentotbetaling inditgevalniettoteenvernietiging vande uitnodigingentotbetaling leidtaangezienbelanghebbende door de schending vanvermeld beginselnietis benadeeld. 2.3.2.Uitpunt3 vande hiervoor inonderdeel1 weergegevenverklaring voor rechtvolgtdatde nationale rechter,onverminderd zijn verplichting om de volle werking vanhetrechtvande Europese Unie te waarborgen,bijschending vande rechtenvande verdediging vanvernietiging vaneenuitnodiging totbetaling kanafzien,indienhetbesluitvormingsproces vande douaneautoriteitenmetbetrekking tothetvaststellenvandie uitnodiging totbetaling zonder deze schending geenandere afloop zoukunnenhebbengehad.
2.3.3.Voor hetoordeeldathetbesluitvormingsproces vande douaneautoriteitenzonder deze schending eenandere afloop zoukunnen hebbengehad,is nietvereistdatde douaneautoriteitenzonder deze schending zoudenhebbenafgezienvanhetvaststellenvanéénof meer vande desbetreffende uitnodigingentotbetaling ofdatzijdeze op eenlager bedrag zoudenhebbengesteld.Voldoende is te bewijzendatwanneer de schending niethad plaatsgevondendegene totwie de uitnodiging totbetaling is gericht,eeninbreng had kunnenleverendie voor hetvaststellenvande uitnodiging totbetaling vanbelang was enwaarvannietkanwordenuitgeslotendatdeze toteenbesluitvormingsproces meteenandere afloop had kunnenleiden.De rechter dienteenenander te beoordelenaande hand van de specifieke feitelijke enjuridische omstandighedenvanhetgeval.
2.3.4.HetHofheeft– incassatie onbestreden– vastgesteld dattussende Inspecteur enbelanghebbende over de vanbelang zijnde feitenende waardering daarvannimmer verschilvanmening heeftbestaanendathetgeschiltussende Inspecteur enbelanghebbende betrekking heeftop eenaangelegenheid waarbijde Inspecteur geenbeleidsvrijheid toekomt.Gelethierop ligtin’s Hofs oordeeldat belanghebbende nietis benadeeld,beslotenhetoordeeldatindienbelanghebbende welvoorafwas gehoord,ditniettotandere besluitenzouhebbenkunnenleidendande besluitendie de Inspecteur heeftgenomen.Datoordeelis nietonbegrijpelijk. 2.3.5.Geletop hetgeenhiervoor in2.3.2 totenmet2.3.4 is overwogen,geeft’s Hofs oordeeldatde schending vande rechtenvande verdediging inditgevalnietbehoeftte leidentotvernietiging vande uitnodigingentotbetaling geenblijk vaneenonjuiste rechtsopvatting.Hetkan,als verwevenmetwaarderingenvanfeitelijke aard,voor hetoverige incassatie nietop juistheid worden getoetst.MiddelIIvoor hetoverige faaltderhalve eveneens.
2.4.1.MiddelItenslotte is gerichttegenhetoordeelvanhetHofdataanhetfeitdatde op hetaanslagbiljetvermelde motivering met betrekking tothetvaststellenvande onderhavige uitnodigingentotbetaling uiterstsummier is geweest,mettoepassing vanartikel6:22 Awb kanwordenvoorbijgegaanaangezienbelanghebbende hierdoor naar hetoordeelvanhetHofnietis benadeeld.Hetmiddel betoogtinde eerste plaats datvoormeld feitzonder meer moetleidentoteenvernietiging vande onderhavige uitnodigingentotbetaling. 2.4.2.Inde oordelenvanhetHofligtbeslotenhetoordeeldatde op hetaanslagbiljetzelfomschrevenmotivering nietvoldeed aande in artikel6,lid 3,vanhetCDW gestelde eis dateenschriftelijke beschikking metredenenmoetwordenomkleed.Voor hetantwoord op de vraag welke gevolgendaaraanmoetenwordenverbonden,geldtdatde door hetmiddelopgeworpenstelling datde uitspraak op bezwaar reeds hierom nietmeer ennietanders konbehelzendanvernietiging vande uitnodigingentotbetaling geensteunvindtinhet rechtvande Europese Unie.Naar redelijkerwijs nietvoor twijfelvatbaar is,is hetinovereenstemming methetrechtvande Europese Unie datalsdanwordtbeoordeeld ofhetgepleegde verzuim nadelige gevolgenheeftgehad voor de eventuele mogelijkheid om effectief bezwaar te makentegende uitnodigingentotbetaling.De stelling vindtgeletop hetbepaalde inartikel6:22 Awb evenminsteuninhet nationale recht.MiddelIfaaltmitsdieninzoverre.
2.4.3.Hetmiddelfaaltook voor zover hetis gerichttegen’s Hofs oordeeldatvanenig nadelig gevolg als hiervoor in2.4.2 bedoeld geen sprake is geweest.Inditverband heefthetHof– incassatie onbestreden– vastgesteld datbelanghebbende op 4 mei 2005 de beschikking kreeg over eenlijstmetde betrokkenaangiften,datzijop 10 mei 2005 hetconcept-controlerapportheeftontvangenen bestudeerd endatbelanghebbende zodoende bijde verzending vanhetbezwaarschriftop 11 mei 2005 op de hoogte was vande achtergrondenvande uitnodigingentotbetaling.Indeze vaststellingenvanhetHofligtbeslotenhetoordeeldatde Inspecteur de gevolgenvande schending op eenzodanig tijdstip enop zodanige wijze heeftgecompenseerd dathetmeerbedoelde verzuim geen onherroepelijke gevolgenheeftgehad enonder instandhouding vande uitnodigingentotbetaling konwordengeheeld inde uitspraak op bezwaar.Ditoordeelgeeftgeenblijk vaneenonjuiste rechtsopvatting.Hetkan,als verwevenmetwaarderingenvanfeitelijke aard,voor hetoverige incassatie nietop juistheid wordengetoetst.Hetis ook nietonbegrijpelijk ofonvoldoende gemotiveerd.MiddelIvoor het overige faaltderhalve eveneens.
(Volgtongegrondverklaring.)
Commentaar
Op 18 december 2008 (C-349/07) toverde hetEuropese HofvanJustitie (hierna:HvJ) hetverdedigingsbeginseluitde hoge hoed
(arrestSopropé).Ditbeginselhoudt– kortgezegd – indatde belastingplichtige voorafgaand aanhetvaststellenvaneenbezwarend besluitmoetwordengehoord.Daarbijis welnoodzakelijk dathetbezwarende besluitde belastingplichtige inaanmerkelijke mate raakt. Wordtde belastingplichtige voorafgaand aanhetbesluitnietgehoord,danis inprincipe hetverdedigingsbeginselgeschonden.Over de gevolgendie aaneenschending vanhetverdedigingsbeginselmoestenwordenverbonden,liethetHvJ zichinhetSopropé-arrestniet uit.
Verschillende Nederlandse belastingrechters lietenzichdaar vervolgens over uit.Ineerste instantie,kortnadathetHvJ hetSopropé-arresthad gewezen,was de tendens waarneembaar dateenschending directleidde totvernietiging vande utb.Die tendens was echter vankorte duur.Mogelijkerwijs omdateendirecte vernietiging vande utb voor veelbelastingrechters tocheenbrug te ver was.Inplaats daarvanpastende belastingrechters eenbelangenafweging toe enbepaaldenaande hand daarvanofer gevolgenmoestenworden verbondenaande schending enzo ja,watdie gevolgendanmoestenzijn.
Ofdeze belangenafweging de Europeesrechtelijke toets kondoorstaan,was eenvraag voor de Hoge Raad.De Hoge Raad stelde daarover prejudiciële vragenaanhetHvJ.HetHvJ (C-129/13 enC-130/13,NTFR2014/1053) oordeelde vervolgens dateenschending vanhetverdedigingsbeginselalleendantotvernietiging vande utb leidtwanneer de procedure zonder deze schending eenandere afloop zoukunnenhebbengehad.De feitelijke invulling hiervanlaathetHvJ aande Nederlandse belastingrechters over.
De Hoge Raad betrektindeze beoordeling datde bewijslastvande andere afloop op de belastingplichtige rust.Die bewijslastreikt echter nietzo ver datde belastingplichtige moetbewijzendatde douane zonder de schending zouhebbenafgezienvanhetvaststellen vande utb ofdatdeze op eenander (lager) bedrag zouzijnvastgesteld.Voldoende is datde belastingplichtige bewijstdathijzich zonder de schending beter had kunnenverdedigen.Ondanks de nuancering die de Hoge Raad aanbrengt,blijftditeenlastige

bewijskwestie op voor de belastingplichtige.
Inde onderhavige zaak beoordeeltde Hoge Raad oftussenpartijenverschilvanmening bestaatover de feitenénofde inspecteur beschiktover beleidsvrijheid.Doenbeide situaties zichnietvoor,danlijktvaneenbenadeling vande belastingplichtige geensprake. Ondanks de schending vanhetverdedigingsbeginselkande utb dangewooninstand blijven.Inbeide zakenstrandthethierop uiteindelijk voor de belastingplichtigen,omdattussenpartijengeenverschilvanmening bestond over de feitenende inspecteur geen beleidsvrijheid had.
Waar hetverdedigingsbeginselin2008 mettromgeroffelwerd binnengehaald,lijkthetnumetstille trom te vertrekken.
[1]Mr.M.H.W.N.Lammers is advocaatbijJaeger advocaten-belastingkundigente Amsterdam.
Bron:http://www.ndfr.nl/link/NTFR2015-1928 Datum:28-4-2016 11:29:03
Alle rechten voorbehouden. Alle auteursrechten en databankrechten van deze tekst worden uitdrukkelijk voorbehouden. Deze rechten berusten bij Sdu Uitgevers. Niets uit NDFRmag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand ofopenbaar gemaakt in enige vorm ofop enige wijze, hetzij elektronisch,mechanisch, door fotokopieën, opnamen ofenige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
All rights reserved. No part ofthis publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without the publisher’s prior consent.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op