Schending verdedigingsbeginsel: toepassing van het andere afloop-criterium leidt tot vernietiging van de utb's

  

Schending verdedigingsbeginsel: toepassing van het andere afloop-criterium leidt tot vernietiging van de utb's

Gepubliceerd in: FED 2017/106
Datum: 02-06-2017
Auteur(s): M.H.W.N. Lammers

Bekijk PDF

FISCAAL BESTUURSRECHT
FED
2017/106


Fiscaal bestuursrecht



FED 2017/106



HOGE RAAD


2 juni 2017, nr. 16/03921



(Mrs.
Overgaauw, Punt, Van Loon, Van Kalmthout, Beukers-Van Dooren)


m.nt.
mw.
mr. IVI.H.W.N. Lammers


Art. 201, 213 Communautair Douanewetboek (vervallen); art. 77, 84 Douanewetboek van de Unie


V-N Vandaag 2017/1243


NjB 2017/1298

V-N 2017/30.3


ECLI:NL:HR:2017:959


Schending verdedigingsbeginsel: toepassing
van
het andere afloop-criterium leidt tot vernietiging

van de utb's


Belanghebbende, douane-expediteur, heeft in de periode 19 februari 2004 t/m 14 september 2004 aangifte

gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van voedingssupplementen. De inspecteur stelt zich op het

standpunt dat belanghebbende daarbij van te lage douanewaarden is uitgegaan en heeft utb's uitgereikt.

Daartegen heeft belanghebbende rechtsmiddelen aangewend. Op 14 augustus 2015, ECL1:NL:HR:2015:2165,


BNB
2015/226 heeft de Hoge Raad (eerste cassatie) geoordeeld dat het verdedigingsbeginsel is geschonden

en dat de utb's moeten worden vernietigd als wordt geconcludeerd dat de procedure een andere afloop zou

kunnen hebben gehad zonder de schending. De Hoge Raad verwees de zaak vervolgens naar Hof Amsterdam.

Dat hof (23 juni 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2442) oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk heeft

gemaakt dat wordt voldaan aan het zogenoemde 'andere afloop-criterium'. Belanghebbende heeft weder-

om beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Daar krijgt de procedure een andere afloop, want de Hoge

Raad vernietigt de utb's. Daarbij geeft de Hoge Raad een richtsnoer hoe het 'andere afloop-criterium' moet

worden ingevuld.
voor
de vaststelling of wordt voldaan aan dit criterium kan van belang zijn of (i)verweer-

mogelijkheden in de vorm van juridische stellingen dan wel (nieuwe) bewijsmiddelen, waarvan niet is uit-

gesloten dat deze een andere
afloop
konden bewerkstelligen, niet konden
worden
benut en
(ii)
belangheb-

bende had kunnen aanvoeren dat de inspecteur de feiten
ook op
een andere wijze had kunnen waarderen

en interpreteren en zodoende niet tot het besluit had kunnen komen.


Het geschil betreft de uitnodigingen tot betaling van douanerechten.


OP HET BEROEP IN CASSATIE VAN BELANGHEBBENDE OVERWEEGT DE HOGE RAAD:


3
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.


3.1.1. Belanghebbende, douane-expediteur, heeft in de periode 19 februari 2004 tot en met

14 september 2004 achttien maal aangifte gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van voedings-

supplementen. Zij heeft telkens op eigen naam en voor eigen rekening aangifte gedaan in opdracht van

[A]
BY.
respectievelijk [B] B.V. (hierna: de opdrachtgevers).


312, De Inspecteur heeft met betrekking tot de hiervoor in 3.1.1 bedoelde aangiften een controle na

invoer verricht om de juistheid van de aangegeven douanewaarde te onderzoeken. De bevindingen van

deze controle vormden voor de FIOD-ECD aanleiding een strafrechtelijk onderzoek in te stellen.


311
Nog voordat het hiervoor in 3.1.2 bedoelde onderzoek door de FIOD-ECD was afgerond en van

de bevindingen een schriftelijk verslag was opgemaakt, heeft de Inspecteur zich op het standpunt ge-

steld dat de aangegeven douanewaarde te laag is geweest en dat te weinig douanerechten zijn geheven.

Aan belanghebbende zijn vervolgens de onderhavige vijf aanslagbiljetten, gedateerd 14 februari 2007,

27 februari 2007 (twee aanslagbiljetten), 16 maart 2007 respectievelijk 19 maart 2007, uitgereikt. Op elk

daarvan zijn één of meer uitnodigingen tot betaling als bedoeld in artikel 7:6, lid 1, van de Algemene

douanewet vermeld.


3.1.4. Belanghebbende heeft tegen de hiervoor in 3.1.3 bedoelde uitnodigingen tot betaling bezwaar

gemaakt en de Inspecteur verzocht de gegevens kenbaar te maken waarop deze waren gebaseerd. Een

proces-verbaal van het hiervoor in 3.1.2 vermelde, door de FIOD-ECD ingestelde onderzoek is op 9 oktober



FED
Af!.
15/16 - 2017
15

EED 2017/106
FISCAAL BESTUURSRECHT


2007 opgemaakt. Van dat proces-verbaal heeft de Inspecteur op 4 januari 2008 een deel ter beschikking

gesteld aan belanghebbende.

3.1.5. Belanghebbende heeft op 3 maart 2010 tegen het niet-tijdig doen van uitspraak op bezwaar bij

de Rechtbank beroep ingesteld. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 16 augustus 2010 de Inspecteur ge-

last alsnog op de gemaakte bezwaren uitspraak te doen. Dit heeft de Inspecteur gedaan bij de onderwer-

pelijke, in één geschrift vervatte, uitspraken op bezwaar, gedagtekend 25 augustus 2010. Daarbij heeft

hij op 24 augustus 2010 andere, nog niet eerder ter beschikking gestelde bescheiden van het proces-ver-

baal van de HOD-ECD aan belanghebbende verstrekt om haar inzicht te geven in de naar zijn mening

relevante gegevens over het verloop van de geldstromen, afkomstig van de opdrachtgevers in de Ver-

enigde Staten. Bij de uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de uitnodiging tot betaling van 16 maart

2007 verminderd en de overige uitnodigingen tot betaling gehandhaafd.


3.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij vooraf-

gaand aan de uitreiking van de bestreden uitnodigingen tot betaling een inbreng had kunnen leveren

die voor het vaststellen van de uitnodigingen tot betaling van belang was, en waarvan niet kan wordert

uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden. Het Hof

heeft daarvoor redengevend geacht in de eerste plaats dat belanghebbende enkel heeft aangevoerd wat

zij had willen onderzoeken en niet wat zij concreet had willen inbrengen, en in de tweede plaats dat de

door belanghebbende bedoelde onderzoeken alle gericht zijn op de onderbouwing van haar stelling dat

de provisiebetalingen aan de verkoper in de Verenigde Staten niet waren bestemd voor deze verkoper

maar voor de desbetreffende PM-Teampartners. Omdat de Inspecteur zijn navordering heeft gegrond op

het gegeven dat elke betaling die een voorwaarde voor de verkoop vormt tot de douanewaarde behoort,

zou de Inspecteur tot navordering zijn overgegaan, aldus het Hof, ook indien belanghebbende vooraf-

gaand aan het uitreiken van de uitnodigingen tot betaling sluitend bewijs zou hebben overgelegd dat de

desbetreffende provisiebetalingen in de Verenigde Staten door de verkoper werden doorgesluisd naar

de desbetreffende PM-Teampartners.


3.3.
Het middel is gericht tegen de hiervoor in 3.2 weergegeven oordelen van het Hof Het middel

betoogt dat, gelet op hetgeen in het verwijzingsarrest is overwogen over het na verwijzing met inacht-

neming van dat arrest van de Hoge Raad te verrichten onderzoek, het ervoor moet worden gehouden

dat niet is uitgesloten dat de procedure van besluitvorming van de Inspecteur zonder schending van de

rechten van de verdediging een andere afloop zou kunnen hebben gehad. De Rechtbank is immers, zo

betoogt het middel onder meer, vanwege een andere waardering en interpretatie van de door de Inspec-

teur in een laat stadium verstrekte gegevens, tot de slotsom gekomen dat de Inspecteur de douanewaar-

de te hoog heeft vastgesteld, en heeft alle uitnodigingen tot betaling dienovereenkomstig verminderd.

3.4.1. Om vast te stellen of de besluitvormingsprocedure van de douaneautoriteiten met betrekking

tot het uitreiken van uitnodigingen tot betaling een andere afloop had kunnen hebben, is onder meer

van belang of verweermogelijkheden in de vorm van juridische stellingen dan wel (nieuwe) bewijsmid-

delen, waarvan niet is uitgesloten dat deze een andere afloop konden bewerkstelligen, niet konden wor-

den benut (vgl.
HR
9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2989,
BNB
2015/227, rechtsoverweging 2.3.3, en
HR


16 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2077,
BNB
2016/208, rechtsoverweging 4.3). In dit verband kan ook

van belang zijn of een belanghebbende, niet zonder redelijke grond, had kunnen aanvoeren dat de in-

specteur de feiten op een andere wijze had moeten waarderen en interpreteren, zodat hij niet tot het

genomen besluit had kunnen komen. Het gegeven dat de inspecteur een niet voor meerderlei uitleg vat-

baar juridisch standpunt heeft, in dit geval het standpunt dat ingevolge artikel 29, lid 3, letter a, van het

Communautair douanewetboek (hierna: het CDW) alle betalingen die een koper doet of heeft gedaan

als voorwaarde voor de verkoop tot de douanewaarde behoren, neemt immers niet weg dat de waarde-

ring en de interpretatie van de door de inspecteur gestelde feiten zich kunnen lenen voor een discussie

over het antwoord op de vraag of dat standpunt moet leiden tot de door de inspecteur gestelde gevol-

gen. Deze toetsing heeft het Hof niet uitgevoerd. De uitspraak van het Hof getuigt om die reden van een

onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt in zoverre.


3.4.2. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.4.1 is overwogen, kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Het

middel behoeft voor het overige geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.


Belanghebbende heeft zich van meet af aan op het standpunt gesteld dat de Inspecteur niet over het

bewijs beschikte waarop de uitnodigingen tot betaling met toepassing van artikel 29 van het CDW kon-

den worden gebaseerd. De Rechtbank heeft de door de Inspecteur pas bij zijn uitspraak op bezwaar over-

gelegde bewijsstukken zodanig gewaardeerd en geïnterpreteerd dat zij elke aan de uitnodigingen tot be-

taling ten grondslag gelegde douanewaarde heeft verminderd. In deze oordelen ligt besloten dat de

onderhavige feitelijke omstandigheden en de juridische duiding ervan zodanig waren dat het besluit-


16


Afl. 15/16 - 2017
FED

FISCAAL BESTUURSRECHT


FED 2017/106



vormingsproces van de Inspecteur zonder schending van het verdedigingsbeginsel een andere afloop

had kunnen hebben gehad. De uitnodigingen tot betaling dienen daarom te worden vernietigd.


4
Proceskosten


De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in


de kosten van de gedingen voor het Hof.


5
Beslissing


De Hoge Raad:


verklaart het beroep in cassatie gegrond,


vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent de vergoeding van immateri-

ele schade, alsmede de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht

en de proceskosten,


vernietigt de uitnodigingen tot betaling,


gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake

van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 503, en gelast dat

de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behan-

deling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 454,


veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde

van belanghebbende, vastgesteld op € 990 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en


veroordeelt de Inspecteur in de kosten van de gedingen voor het Hof aan de zijde van belangheb-

bende, vastgesteld op € 2970 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.


Noot


De ontwikkelingen in de rechtsbescherming van de belastingplichtige kennen een grillig verloop. De ene

keer staat iedereen op de bres om de rechtsbescherming te verbeteren en de andere keer vindt iedereen

dat het wel weer wat minder kan (bijvoorbeeld de discussie bij de Panama Papers). Het verdedigings-

beginsel maakt onderdeel uit van de rechtsbescherming van de belastingplichtige en ook bij de nadere

ontwikkeling en invulling hiervan zien we 'ups-and-downs' tevoorschijn komen. Inmiddels weten we

dat het 'andere aflooperiterium' van belang is voor het bepalen welke gevolgen moeten worden verbon-

den aan een schending van het verdedigingsbeginsel maar wisten we nog niet hoe we dat moesten toe-

passen. De Hoge Raad brengt daar in dit arrest verandering in door 'handen en voeten' te geven aan dit

criterium.


Het verdedigingsbeginsel is in 2008 door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna:
Hy
.
]
EU)

OP de kaart gezet om de rechtsbescherming van de belastingplichtige te verbeteren. Daartoe oordeelde

het HvJ EU op 18 december 2008 (C-349/02, ECII:EU:C:2008:746
(Sopropé))
dat als de inspecteur een

aanslag vaststelt die de belastingplichtige aanmerkelijk raakt, de inspecteur de belastingplichtige voor-

afgaand daaraan in de gelegenheid moet stellen om zich uit te laten over de elementen. Dit oordeel van

het HvJ EU zorgde voor een nieuwe dimensie in fiscale procedures. Daarbij ging het niet alleen over de

vraag of het verdedigingsbeginsel is geschonden, maar ook over de vraag welke gevolgen er zouden moe-

ten zijn als sprake is van een schending.


De jurisprudentie is bij deze beoordelingen van links naar rechts gegaan. Oordeelde de belasting-

rechters in het begin nog dat een schending direct vernietiging van de aanslag of de utb tot gevolg moest

hebben, later werd dit meer en meer genuanceerd.


Als eerste de nuancering bij de vraag of het verdedigingsbeginsel is geschonden. In eerste instantie

was de tendens waarneembaar dat als de belastingplichtige voorafgaand aan het vaststellen van het be-

zwarende besluit niet was gehoord, direct de conclusie werd getrokken dat het verdedigingsbeginsel

was geschonden. In de latere jurisprudentie wordt de 'soep niet meer zo heet gegeten'. Voordat wordt

geconcludeerd tot schending van het verdedigingsbeginsel wordt eerst beoordeeld of een rechtvaardi-

ging bestaat om het horen 'over te slaan'. Is zo'n rechtvaardiging aanwezig (bijvoorbeeld de invordering

komt in gevaar), dan is geen sprake van een schending van het verdedigingsbeginsel. Ontbreekt een

rechtvaardigingsgrond, dan komen we toe aan de tweede vraag en dat is welke gevolgen aan de schen-

ding moeten worden verbonden.


In het arrest
Kamino/Datema
(HvJ EU 3 juli 2014, C-129/13 en C-130/13, ECLI:EU:C:2014:2041) komt

het HvJ EU tot het oordeel dat een schending van het verdedigingsrecht pas tot nietigverklaring van het

besluit kan leiden als de procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop zou hebben gehad.

Dit oordeel wordt in de wandelgangen ook wel het 'andere aflooperiterium' genoemd. Het HvJ EU licht



FED
Afl. 15/16 -
2017
17

FED
201
7
/
1
06
FISCAAL BESTUURSRECHT


in het arrest niet toe waar zij met dit criterium precies het oog op heeft gehad. De nationale rechters

moeten dit dus verder uitkristalliseren. De Hoge Raad heeft daar in dit arrest van 2 juni 2017 een aan-

yang mee genomen. Ik spreek bewust van 'een aanvang' omdat de Hoge Raad in r.o. 3.4.1. de woorden

'onder andere' hanteert. Dat duidt erop dat de Hoge Raad (nog) geen limitatieve opsomming wil geven.

Wat zijn nu kwesties die voldoen aan het 'andere aflooperiterium'? Volgens de Hoge Raad is daarbij in

de eerste plaats van belang of de belastingplichtige verweermogelijkheden, in de vorm van het innemen

van juridische stellingen of het overleggen van (nieuwe) bewijsmiddelen, heeft gekregen waarvan niet

is uitgesloten dat deze een andere afloop aan de procedure zouden kunnen geven. Een andere mogelijk-

held is of de belastingplichtige in de gelegenheid is gesteld om aan te voeren dat de inspecteur de feiten

op een andere wijze had moeten waarderen en interpreteren, zodat hij niet tot het genomen besluit had

kunnen komen. Heeft de belastingplichtige deze mogelijkheden niet gehad dan heeft de schending van

het verdedigingsbeginsel de nietigverklaring van het besluit tot gevolg. De Hoge Raad geeft daar in deze

zaak ook direct gevolg aan door de utb's te vernietigen. Daarmee zegeviert na jaren van procederen ein-

delijk het recht voor de belastingplichtige.



mw. mr. M.H.W.N. Lammers

Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op