Ten onrechte onbehandeld gelaten maar kansloze stelling; geen dwangsom

  

Ten onrechte onbehandeld gelaten maar kansloze stelling; geen dwangsom

Gepubliceerd in: NLFiscaal
Datum: 26-01-2018
Auteur(s): B.J.G.L. Jaeger

Bekijk PDF

Kijk op NLFiscaal voor online versiePagina 1 van 3NLF 2018/0380
Ten onrechte onbehandeld gelaten maar kansloze stelling; geen dwangsom
HR, 26 januari 2018, 17/03083, ECLI:NL:HR:2018:96
SAMENVATTING
X (belanghebbende) heeft op 26 maart 2015 bezwaar gemaakt tegen een WOZ-beschikking en
de aanslag OZB. Bij brief van 7 januari 2016 heeft X de Heffingsambtenaar in gebreke gesteld
wegens het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar. Met dagtekening 18 januari 2016 heeft de
Heffingsambtenaar de bezwaren, naar later bleek ten onrechte, niet-ontvankelijk verklaard wegens
termijnoverschrijding. X heeft voor Hof Den Haag gesteld dat hij recht heeft op toekenning van een
dwangsom omdat voornoemde beslissing zeer onzorgvuldig is genomen en daarom niet kan worden
opgevat als een uitspraak op bezwaar. X betoogt in cassatie dat het Hof deze stelling ten onrechte niet
heeft behandeld. Volgens de Hoge Raad had het Hof deze stelling inderdaad niet onbesproken mogen
laten. Dit baat X niet. De Heffingsambtenaar heeft binnen de in artikel 4:17, lid 3, Awb genoemde termijn
van twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling uitspraak op bezwaar gedaan, zodat hij geen
dwangsom verschuldigd is geworden. In het midden kan blijven of de Heffingsambtenaar onzorgvuldig
heeft gehandeld, omdat ook een onzorgvuldig tot stand gekomen uitspraak op bezwaar moet worden
aangemerkt als een beschikking in de zin van laatstgenoemde wetsbepaling. Het cassatieberoep wordt
ongegrond verklaard.

NOOT
Onzorgvuldigheid
Een onzorgvuldige uitspraak op bezwaar is een uitspraak op bezwaar, dus ook voor de vraag of de
Inspecteur een dwangsom is verbeurd. Een onzorgvuldige uitspraak op bezwaar kan wel een bijzondere
omstandigheid vormen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht, zodat de werkelijk
gemaakte kosten voor rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen. De Hoge Raad spreekt in
dat verband overigens wel van ‘in verregaande mate’ onzorgvuldig handelen door de Inspecteur.1 Een
louter slordig geformuleerde of onvolledig gemotiveerde uitspraak op bezwaar zal in de regel niet aan dit
criterium voldoen. Daar is meer voor nodig.
‘Apeldoorn’
Voor de vraag of sprake is van een uitspraak op bezwaar is bijvoorbeeld de jurisprudentie over de
beschikking uit ‘Apeldoorn’ van belang. In die zaken wekte de Inspecteur misverstand over wat nu de
uitspraak op bezwaar was waartegen beroep kon worden ingesteld: de motivering die de Inspecteur zelf
toezond, of de verminderingsbeschikking die vanuit het computercentrum in Apeldoorn werd verstuurd.
Vaak zat er een enkele week in de datering tussen beide. De suggestie werd gewekt dat het latere stuk,
met rechtsmiddelverwijzing, de uitspraak kon zijn. De Hoge Raad heeft met die gedachtegang in 2006
1HR 4 februari 2011, 09/02123, ECLI:NL:HR:2011:BP2975.

Pagina 2 van 3korte metten gemaakt,2 maar overwoog dat verwarring over de beschikking uit Apeldoorn wel kan leiden
tot een verschoonbare termijnoverschrijding.
Gesloten stelsel van rechtsbescherming
In afwijking van de Awb kent artikel 26, lid 1, AWR een gesloten stelsel van rechtsbescherming. Met een
uitspraak, ook als die onzorgvuldig of onvolledig is, eindigt derhalve de bezwaarfase. Een uitspraak is
vormvrij. Aan de hand van de inhoud van het stuk – of daaruit blijkt van een beslissing op het bezwaar,
of daarmee een oordeel is beoogd te geven over het geschil, althans of dat zo kan worden opgevat door
de bezwaarmaker – moet worden beoordeeld of iets een uitspraak is. Een ‘tweede uitspraak op bezwaar’
is formeel bezien dus nooit een uitspraak op bezwaar, als de eerdere (nog) niet is vernietigd.3
Ludwijn Jaeger
Jaeger Advocaten-belastingkundigen

BRON
Arrest gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van
het Gerechtshof Den Haag van 17 mei 2017, nr. BK-16/00493, op het hoger beroep van belanghebbende
tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT16/1275) betreffende de ten aanzien van
belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de
WOZ-beschikking) en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen (hierna: OZB) van de gemeente
Lansingerland voor het jaar 2015 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z]. De uitspraak van het
Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in
cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Beoordeling van de klachten
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft op 26 maart 2015 bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikking en de aanslag
OZB.
2.1.2.
Bij brief van 7 januari 2016 heeft belanghebbende de heffingsambtenaar in gebreke gesteld wegens het
niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar.
2.1.3.
Met dagtekening 18 januari 2016 heeft de heffingsambtenaar de bezwaren, naar later bleek ten
onrechte, niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
2.1.4.
Belanghebbende heeft voor het Hof gesteld dat hij recht heeft op toekenning van een dwangsom omdat
de in 2.1.3 genoemde beslissing zeer onzorgvuldig is genomen en daarom niet kan worden opgevat
als een uitspraak op bezwaar. Het Hof heeft die stelling niet behandeld. Daartegen richt zich de eerste
klacht.
2HR 8 december 2006, 42.929, ECLI:NL:HR:2006:AZ3875.
3Vgl. eerdergenoemd arrest van 8 december 2006.

Pagina 3 van 32.2.
De klacht wordt terecht voorgesteld omdat het Hof deze stelling niet onbesproken had mogen laten.
De klacht kan echter niet tot cassatie leiden. De heffingsambtenaar heeft binnen de in artikel 4:17, lid
3, van de Awb genoemde termijn van twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling uitspraken op
bezwaar gedaan zodat hij geen dwangsom verschuldigd is geworden.
In het midden kan blijven of de heffingsambtenaar onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat ook een
onzorgvuldig tot stand gekomen uitspraak op bezwaar moet worden aangemerkt als een beschikking in
de zin van laatstgenoemde wetsbepaling.
2.3.
De tweede klacht kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de
rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klacht niet noopt tot beantwoording van
rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
 
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld
en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het
openbaar uitgesproken op 26 januari 2018.

Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op

Jaeger maakt gebruik van cookies

Wij plaatsen cookies om uw ervaring op de website te verbeteren. De cookies die vereist zijn om de website te gebruiken zijn wettelijk toegestaan. Voor de andere cookies kunt u hieronder toestemming geven.

meer informatie