Termijnoverschrijding verschoonbaar; vermogensrendementsheffing toegestaan

  

Termijnoverschrijding verschoonbaar; vermogensrendementsheffing toegestaan

Gepubliceerd in: NLFiscaal
Datum: 25-11-2016
Auteur(s): B.J.G.L. Jaeger

Bekijk PDF

HR, 25 november 2016, 16/02255, ECLI:NL:HR:2016:2662
Termijnoverschrijding verschoonbaar; vermogensrendementsheffing toegestaan
SAMENVATTING
Aan X is met dagtekening 22 augustus 2012 een aanslag IB/PVV 2011 opgelegd. Daartegen heeft X op 25 september 2012, tijdig, bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij uitspraak van 18 februari 2013 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Daarbij is vermeld dat tegen de niet-ontvankelijkverklaring binnen zes weken beroep openstaat bij de Rechtbank. Bij een geschrift van 27 februari 2013, waarin is vermeld: 'Uitspraak op het bezwaarschrift', heeft de Inspecteur een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar gegeven waarbij dit ongegrond werd verklaard. Ook in dit geschrift is een rechtsmiddelverwijzing opgenomen met een (nieuwe) termijn van zes weken. Op 5 april 2013 is X in beroep gekomen bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant tegen de ongegrondverklaring van zijn bezwaar bij 'de uitspraak van 27 februari 2013'. De Rechtbank heeft het geschil inhoudelijk behandeld en heeft het beroep ongegrond verklaard. Volgens Hof Den Bosch is het beroep bij de Rechtbank niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn. Het Hof is daarbij ervan uitgegaan dat het beroep was gericht tegen de uitspraak van de Inspecteur van 18 februari 2013, en heeft daarom geoordeeld dat het is ingesteld na afloop van de beroepstermijn van zes weken. Tevens heeft het Hof geoordeeld dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat X niet in verzuim is geweest, zodat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 Awb. Tegen dit oordeel heeft X cassatieberoep ingesteld en de Hoge Raad verklaart dit gegrond. De uitspraak van 18 februari 2013, waarbij het door X gemaakte bezwaar (ten onrechte) nietontvankelijk werd verklaard, heeft te gelden als de uitspraak op bezwaar waartegen beroep openstond gedurende zes weken. Echter, aan het geschrift van 27 februari 2013 mocht X het vertrouwen ontlenen dat een nieuwe termijn van zes weken ging lopen. De termijnoverschrijding is daardoor verschoonbaar. Omdat het beroep tegen de uitspraak van de Inspecteur ontvankelijk wordt verklaard, moet alsnog een inhoudelijke behandeling van het geschil plaatsvinden. Dat geschil betreft de vraag of de forfaitaire rendementsheffing voor het jaar 2011 in strijd is met enige rechtsregel. Daaromtrent heeft de Hoge Raad geoordeeld in zijn arrest van 10 juni 2016, 14/05020, ECLI:NL:HR:2016:1129, BNB 2016/177. Er is geen grond in dit geval anders te oordelen. Het beroep tegen de uitspraak van de Inspecteur moet derhalve ongegrond worden verklaard, zoals de Rechtbank heeft gedaan, aldus de Hoge Raad.


NOOT
Een lichtelijke pyrrusoverwinning. Voor de belanghebbende zal de gegrondverklaring van de klacht in cassatie, met direct daarop volgend een ongegrondverklaring van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar zuur zijn. Maar de Hoge Raad heeft op 3 april 2015 (voor belastingjaar 2010)[1] en 10 juni 2016 (voor belastingjaar 2011)[2] het oordeel geveld dat de forfaitaire berekening van de heffing in box 3, ook al is het daadwerkelijk rendement veel lager, (voorlopig) nog valt binnen ‘the wide margin of appreciation’ van de wetgever. In het arrest over 2010 staat overigens wel het volgende vermeld:

‘Dit stelsel zou slechts dan in strijd komen met artikel 1 van het EP indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last. Dit een en ander is in dit geding niet gesteld of gebleken.’

En in die over 2011:
‘Er is geen grond om daarover anders te oordelen voor het onderhavige jaar 2011, ten aanzien van welk jaar in deze procedure niet is komen vast te staan dat de gemiddelde opbrengsten uit sparen en beleggen lager waren dan in 2010.’

Beide opmerkingen vergen een feitelijke toetsing. De vraag is of aan die feitelijke toetsing met een nietontvankelijkheid bij het Hof en een ‘zelf recht doende’ Hoge Raad voldoende recht is gedaan. Overigens lijkt me de kans dat met een andere feitelijke onderbouwing de Hoge Raad (in deze jaren) wel aan het forfait van 4% tornt buitengewoon klein. Praktisch, en dat lijkt de Hoge Raad zeker de laatste jaren te zijn, is het wel. Momenteel wordt het jaar 2014 door diverse Rechtbanken onder de loep genomen. Ik heb er een hard hoofd in.

De verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding lijkt evident. De formalistische aanpak van het Hof doet geen recht aan vergelijkbare jurisprudentie, noch aan het uitgangspunt in het belastingrecht dat belanghebbenden zelf mogen procederen en er niet te veel hobbels moeten worden opgeworpen om hen van een inhoudelijke beoordeling van het geschil af te houden. Zeker in dit geval, waar de eerste (en dus de enige) uitspraak op bezwaar lijkt te berusten op een misverstand. De situatie doet denken aan de problemen die met de beroepstermijn ontstonden vanwege het vooraf toezenden van de motivering van een uitspraak (die volledig voldeed aan de vereisten voor een uitspraak) onder de opmerking dat de ‘echte’ uitspraak vanuit Apeldoorn zou volgen.[3] Nog afgezien van die gevallen waarin dat niet gebeurde, omdat bij ongegrondverklaring een ‘herberekening’ van de aanslag vanuit Apeldoorn uitbleef. Ondanks toezeggingen in de Tweede Kamer dat het misverstand zou worden verholpen, duurt het probleem nog immer voort. Nog altijd verstuurt de Belastingdienst motiveringen die niet zouden hebben te gelden als de uitspraak op bezwaar. Of zowel een uitspraak op bezwaar bij brief, als nogmaals een acceptgiro vanuit Apeldoorn met de vermelding dat het een uitspraak zou zijn. Met wisselende lagere rechtspraak over welk stuk uiteindelijk de uitspraak is. Misverstanden over dit soort onzorgvuldigheden mogen natuurlijk niet voor rekening en risico van de belanghebbende komen. Tenzij hij beter wist. Waar bijvoorbeeld van wordt uitgegaan indien sprake is van professionele rechtsbijstandverlening.[4]

Rechtbanken (bij de Gerechtshoven lijkt dat minder) lijden onder een grote toevoer aan zaken en ‘productiedruk’ opgelegd door de Raad voor de rechtspraak. Dat komt de kwaliteit van uitspraken niet (altijd) ten goede. Mij bekruipt al langer het gevoel dat mede hierdoor het gebruik van formele bepalingen om belastingplichtigen van een inhoudelijke, of een gedegen inhoudelijke, behandeling af te houden, toeneemt. Een zorgelijke ontwikkeling. Ludwijn Jaeger
Jaeger Advocaten-belastingkundigen


Bron:
Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 25 maart 2016, nr. 14/00888, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 13/2003) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2011 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
2 Beoordeling van de klachten
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Aan belanghebbende is met dagtekening 22 augustus 2012 een aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen voor het jaar 2011 opgelegd. Daartegen heeft belanghebbende op 25 september 2012, tijdig, bezwaar gemaakt.
2.1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak van 18 februari 2013 het bezwaar van belanghebbende nietontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Daarbij is vermeld dat tegen de niet-ontvankelijkverklaring binnen zes weken beroep openstaat bij de Rechtbank.
2.1.3.
Bij een geschrift van 27 februari 2013, waarin is vermeld: “Uitspraak op het bezwaarschrift”, heeft de Inspecteur een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar gegeven waarbij dit ongegrond werd verklaard. Ook in dit geschrift is een rechtsmiddelverwijzing opgenomen met een (nieuwe) termijn van zes weken.
2.2.1.
Op 5 april 2013 is belanghebbende in beroep gekomen bij de Rechtbank tegen de ongegrondverklaring van zijn bezwaar bij “de uitspraak van 27 februari 2013”.
2.2.2.
De Rechtbank heeft het geschil inhoudelijk behandeld en heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.
2.3.1.
Het Hof heeft ambtshalve onderzocht of het beroep bij de Rechtbank tijdig was ingesteld.
2.3.2.
Naar het oordeel van het Hof is het beroep bij de Rechtbank niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn. Het Hof is daarbij ervan uitgegaan dat het beroep was gericht tegen de uitspraak van de Inspecteur van 18 februari 2013, en heeft daarom geoordeeld dat het is ingesteld na afloop van de beroepstermijn van zes weken. Tevens heeft het Hof geoordeeld dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende niet in verzuim is geweest, zodat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.
2.4.1.
De klachten richten zich tegen ’s Hofs oordeel dat artikel 6:11 van de Awb niet van toepassing is.
2.4.2.
De aard van de beroepstermijn, die meebrengt dat deze op straffe van niet-ontvankelijkverklaring in acht behoort te worden genomen, staat eraan in de weg dat het betrokken bestuursorgaan van een beroep op overschrijding van die termijn afstand zou kunnen doen of de duur van de termijn zou kunnen wijzigen (zie HR 20 november 1996, nr. 31827, ECLI:NL:HR:1996:AA1755, BNB 1997/23).

Dat sluit echter niet uit dat zich de situatie voordoet dat een belanghebbende aan een uitlating van het bestuursorgaan het vertrouwen mag ontlenen dat hij zijn beroepschrift nog na afloop van de wettelijke beroepstermijn kan indienen, zodat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest en niet-ontvankelijkverklaring achterwege moet blijven. Daartoe is vereist dat de belanghebbende van die uitlating kennis neemt binnen de wettelijke beroepstermijn (vgl. 22 november 2000, nr. 35601, ECLI:NL:HR:2000:AA8419, BNB 2001/28).
2.4.3.
De uitspraak van 18 februari 2013, waarbij het door belanghebbende gemaakte bezwaar (ten onrechte) niet-ontvankelijk werd verklaard, heeft te gelden als de uitspraak op bezwaar waartegen beroep openstond gedurende zes weken.
Gelet op de dagtekening van het geschrift van de Inspecteur van 27 februari 2013 moet het ervoor worden gehouden dat belanghebbende binnen voormelde beroepstermijn van dat geschrift heeft kennisgenomen. Aan dat geschrift mocht zij – mede gelet op de daarin opgenomen rechtsmiddelverwijzing met een nieuwe termijn van zes weken - het vertrouwen ontlenen dat zij tot zes weken na de toezending van dat geschrift beroep bij de Rechtbank kon instellen. Onder deze omstandigheden kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest, aangezien haar beroepschrift binnen de laatstvermelde termijn door de Rechtbank is ontvangen.
2.5.
Gelet op hetgeen onder 2.4 is overwogen heeft het Hof het beroep tegen de uitspraak van de Inspecteur van 18 februari 2013 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. ’s Hofs uitspraak kan daarom niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
2.6.
Omdat het beroep tegen de uitspraak van de Inspecteur ontvankelijk wordt verklaard, moet alsnog een inhoudelijke behandeling van het geschil plaatsvinden. Dat geschil betreft de vraag of de forfaitaire rendementsheffing voor het jaar 2011 in strijd is met enige rechtsregel. Daaromtrent heeft de Hoge Raad geoordeeld in zijn arrest van 10 juni 2016, nr. 14/05020, ECLI:NL:HR:2016:1129, BNB 2016/177. Er is geen grond in dit geval anders te oordelen. Het beroep tegen de uitspraak van de Inspecteur moet derhalve ongegrond worden verklaard, zoals de Rechtbank heeft gedaan.
3 Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4 Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht,
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank, en
gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 124.


Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2016.

[1] Zie HR 3 april 2015, 13/04247, ECL:NL:HR:2015:812.
[2] Zie HR 10 juni 2016, 14/05020, ECLI:NL:HR:2016:1129.
[3] Zie onder andere Rechtbank Den Haag 8 november 2006, 05/1115, ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ5331 of Hof Amsterdam 19 november 2002, 01/02774, ECLI:NL:GHAMS:2002:AF1335.
[4] Zie ABRvS 21 september 2011, AB 2011/299, ECLI:NL:RVS:2011:BT2131.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op