Verlengde navorderingstermijn ter zake van Zwitserse bankrekening geoorloofd

  

Verlengde navorderingstermijn ter zake van Zwitserse bankrekening geoorloofd

Gepubliceerd in: NTFR 2011/688
Datum: 22-12-2010
Auteur(s): M.H.W.N. Lammers

Bekijk PDF





NTFR2011/688 Verlengde navorderingstermijn ter zake van Zwitserse bankrekening geoorloofd
RechtbankDenHaag22december2010,nr.09/06197 RechtbankDenHaag22december2010,nr.09/06198 RechtbankDenHaag22december2010,nr.09/04479 RechtbankDenHaag22december2010,nr.09/04480
1996, 1997, 2002, 2003Brondocument AWR-art. 16
Belastingjaar/tijdvak Wetsartikelen Auteur
LJN
ECLI
mr. M.H.W.N. Lammers BP0108
ECLI:NL:RBSGR:2010:BP0108
Samenvatting
Belanghebbende bekende inaugustus 2007 dathijeenbankrekening inZwitserland had.De inspecteur wilde ineerste instantie de over
de jaren1996 totenmet2004 verschuldigde belasting naheffendoor middelvanéénnavorderingsaanslag VB over hetjaar 2000. Hierover kondenpartijengeenovereenstemming bereiken,waarna de inspecteur inapril2009 afzonderlijke navorderingsaanslagenIB 1996,2002 en2003 eneennavorderingsaanslag VB 1997 had opgelegd.Uiteindelijk hebbenpartijenop 18 augustus 2009 een vaststellingsovereenkomstgetekend over de hoogte vande verschuldigde belasting.Ingeschilis onder meer ofde inspecteur de verlengde navorderingstermijnmochtgebruiken.
De rechtbank achthettijdsverloop vaneenhalfjaar tussende ontvangstvande door belanghebbende verstrekte gegevens ende dag datde inspecteur belanghebbende op de hoogte heeftgesteld vande inaanmerking te nemencorrecties nietonredelijk lang.Aande inspecteur dientenige tijd te wordengegund om de verstrekte gegevens metde benodigde zorgvuldigheid te kunnenbeoordelenten einde inredelijkheid de omvang vande verschuldigde belasting over de verschillende jarente kunnenbepalenalsmede een vaststellingsovereenkomstte kunnenopstellen.Aangezienover de vaststellingsovereenkomstvóór 31 december 2008 geen overeenstemming tussenpartijenkonwordenbereikt,is de inspecteur ertoe overgegaannavorderingsaanslagenop te leggenover de afzonderlijke jaren.De inspecteur heeftde onderhavige navorderingsaanslagenmetredelijke voortvarendheid voorbereid en vastgesteld,aldus de rechtbank.Inverband metambtshalve verminderingenvande navorderingsaanslagenIB 2002 en2003 zijnde beroepentegendeze aanslagengegrond.De beroepenzijnvoor hetoverige ongegrond.
Commentaar
Indeze uitspraak staaninfeite twee vragencentraal,namelijk 1.is de verlengde navorderingstermijnvantoepassing en2.is deze
termijnverder overschredendannoodzakelijk?
Isdeverlengdenavorderingstermijnvantoepassing?
De belastingplichtige heefteenbanktegoed aangehoudeninZwitserland.Ditbuitenlandse vermogensbestanddeelheefthijnietinzijn
aangifte verantwoord.De inspecteur wenst,na een‘mislukte’ inkeer,hetbuitenlandse vermogensbestanddeelalsnog inde belastingheffing te betrekkendoor navorderingsaanslagenvastte stellen.Op grond vanart.16,lid 4,AWRheeftde inspecteur hiervoor twaalfjaar de tijd.
De inspecteur heeftechter nietautomatischde volledige twaalfjaar de tijd voor hetvaststellenvaneennavorderingsaanslag.De Hoge Raad heeft,naar aanleiding vande beslissing vanhetHvJ EGvan11 juni 2009 ( NTFR2009/1742) op 26 februari 2010 ( NTFR 2010/1006 enNTFR2010/1007) geoordeeld datde toepassing vande verlengde navorderingstermijnis geoorloofd indiende Belastingdienstnietbeschiktover aanwijzingenvanhetbestaanvanbuitenlandse tegoeden.Wanneer na hetverstrijkenvande reguliere navorderingstermijneennavorderingsaanslag wordtvastgesteld,danis ditslechts toegestaanals hettijdsverloop na hetverkrijgenvan de aanwijzingennietonnodig lang is geweest.
De rechtbank oordeeltinditkader datdeze termijnvantwaalfjaar wordtverlengd metde duur vanhetverleende uitstelvoor hetdoen vanaangifte.Hetis echter de vraag ofditoordeelvande rechtbank juistis.
Inde parlementaire geschiedenis is weliswaar opgemerktdathetde bedoeling is datzowelde navorderingstermijnvanvijfjaar als die vantwaalfjaar wordtverlengd metde duur vaneventueelverleend uitstel(NEV,KamerstukkenII,1990-1991,21 423,nr.7,p.5 enEV, KamerstukkenII,1989-1990,21 423,nr.6,p.3).Deze mogelijkheid is echter nietinde letterlijke wettekstvanart.16,lid 4,AWRterug te vinden.De Hoge Raad heeftinhetverleden(HR20 december 2002,nr.37.692,NTFR2003/32) geoordeeld datmethetoog op de rechtszekerheid bijduidelijke bewoording de grammaticale interpretatiemethode voorrang dientte krijgen.Alleenindiende woordenvan de wetnietduidelijk zijn,danweltoteenzodanig resultaatleidtdatmenzichingemoede kanafvragenofdatdaadwerkelijk is voorzien c.q.gewild door de wetgever,is er ruimte om naar de bedoeling vande wetgever te kijken.Inditgevalis de tekstvande wethelder.Er wordtalleengesprokenover eennavorderingstermijnvantwaalfjaar voor buitenlandse vermogensbestanddelen.Over eenverlenging vandeze termijnmetverleend uitstelreptde wettekstniet.Slechts inuitzonderingssituaties is er ruimte om te kijkennaar de bedoeling vande wetgever.Zoudathier aande orde zijn,danzouvastgesteld kunnenwordendatde uitlatingeninde parlementaire geschiedenis aangemerktmoetenwordenals de bedoeling vande wetgever.Indatgevalzoude termijnvantwaalfjaar verlengd kunnenwordenmet hetverleende uitstelvoor hetindienenvande aangifte.Ofdie inkleuring mogelijk is,moetwordenbetwijfeld.Immers tenaanzienvanhet begrip opzetheeftde Hoge Raad op 22 juni 2007 ( NTFR2007/1129) deze inkleuring aande hand vande parlementaire geschiedenis afgewezen.Totop hedenheeftde Hoge Raad hierover nog geenoordeelgeveld,zodatnietduidelijk is ofde termijnvantwaalfjaar wel

kanenmag wordenverlengd methetverleende uitstelvoor hetindienenvande aangifte.
Isdeverlengdenavorderingstermijnnietverderoverschredendannoodzakelijk?
De inspecteur moetde navorderingsaanslag metredelijke voortvarendheid voorbereidenenvaststellen.De verstrekentijd moetzijn
besteed aanhetverkrijgenvande inlichtingendie nodig warenvoor hetbepalenvande verschuldigde belasting (VanAsbreuk, ‘Beperking verlengde navorderingstermijn',NTFR-B 2010/17).
Inditgevalziter eentijdsverloop vanongeveer eenjaar enachtmaandentussenhetmomentwaarop de inspecteur de beschikking heeftgekregenenhetvaststellenvande navorderingsaanslagen.Ook ziter indeze periode eentijdsverloop vaneenhalfjaar tussende ontvangstvande door de belastingplichtige verstrekte gegevens ende dag datde inspecteur de belastingplichtige op de hoogte heeft gesteld vande correcties.
De rechtbank is vanoordeeldatde inspecteur voldoende voortvarend heeftgehandeld.Vanbelang voor ditoordeelis datintussen partijenuitgebreid overleg is gevoerd over hetsluitenvaneenvaststellingsovereenkomstendatbeide partijengedurende hetgehele tijdsbestek de intentie hebbengehad om eenvaststellingsovereenkomstte sluiten.
[1]Mr.M.H.W.N.Lammers is advocaatbijHertoghs advocaten– belastingkundigen.
Bron:http://www.ndfr.nl/link/NTFR2011-688 Datum:28-4-2016 13:30:34
Alle rechten voorbehouden. Alle auteursrechten en databankrechten van deze tekst worden uitdrukkelijk voorbehouden. Deze rechten berusten bij Sdu Uitgevers. Niets uit NDFRmag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand ofopenbaar gemaakt in enige vorm ofop enige wijze, hetzij elektronisch,mechanisch, door fotokopieën, opnamen ofenige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
All rights reserved. No part ofthis publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without the publisher’s prior consent.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op