Verzoek om herziening van als tipgeverszaak bekend arrest afgewezen

  

Verzoek om herziening van als tipgeverszaak bekend arrest afgewezen

Gepubliceerd in: NLFiscaal
Datum: 09-12-2016
Auteur(s): B.J.G.L. Jaeger

Bekijk PDF

HR, 9 december 2016, 16/02228, ECLI:NL:HR:2016:2785
Verzoek om herziening van als tipgeverszaak bekend arrest afgewezen
SAMENVATTING
Aan een inmiddels overleden man (verder: X) zijn op basis van informatie van een tipgever navorderingsaanslagen opgelegd in verband met een vermeende bankrekening in Luxemburg. Hof Arnhem-Leeuwarden heeft de navorderingsaanslagen vernietigd omdat de Inspecteur heeft geweigerd de identiteit van de tipgever bekend te maken. De Hoge Raad heeft op 18 december 2015, 15/01348, ECLI:NL:HR:2015:3600 (verder: het arrest) het door de staatssecretaris van Financiën ingesteld cassatieberoep gegrond verklaard en de zaak verwezen naar Hof Den Bosch. De Hoge Raad heeft overwogen dat het niet bekend maken van de naam van de tipgever op zichzelf onvoldoende aanleiding is om belastingaanslagen te vernietigen. De erven van X hebben verzocht tot herziening van het – als tipgeverszaak bekende – arrest. Als grond voor herziening van een uitspraak van de Hoge Raad als bedoeld in artikel 29e AWR kunnen ingevolge artikel 29 van die wet in verbinding met artikel 8:119 , lid 1, Awb slechts feiten of omstandigheden dienen die hebben plaatsgevonden vóór die uitspraak, die tevens bij de indiener van het verzoekschrift tot herziening vóór die uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en die voorts, waren zij bij de Hoge Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. Volgens de Hoge Raad behelst het verzoekschrift geen feiten of omstandigheden als hiervoor

........................................................................................................................................................
NOOT
Tipgeverszaak
De achtergrond van dit verzoek om herziening van het arrest in de tipgeverszaak is gelegen in de  deal die de FIOD heeft gesloten met een (anonieme) tipgever over gegevens van Nederlanders met  een (vermoedelijk) niet-aangegeven bankrekening bij drie Luxemburgse banken. Met de tipgever is  afgesproken dat hij de informatie aan de Belastingdienst verstrekt tegen een percentage van hetgeen op  de betreffende navorderingsaanslagen binnenkomt.[1]
De Inspecteur heeft consequent geweigerd ongeschoonde stukken (met de naam van de tipgever) in de procedure te brengen, vanwege de ‘financiële belangen van de Staat’. De geheimhoudingskamer van de Rechtbank heeft de Inspecteur verplicht de identiteit van de tipgever bekend te maken (om de betrouwbaarheid van diens gegevens te controleren), maar aan de weigering van de Inspecteur is in eerste instantie geen gevolg verbonden. Bij het Hof weigerden de meegebrachte en gehoorde FIOD-ambtenaren eveneens de identiteit van de tipgever bekend te maken, waarop het Hof aangifte tegen het ministerie van Financiën deed en de aanslagen vernietigde omdat het Hof meende dat de FIOD-ambtenaren zich niet konden verschonen en dat de Inspecteur door zijn weigering de naam bekend te maken de ‘rechtsorde ernstig heeft geschonden’. Het Hof oordeelde eveneens dat zonder de identiteit van de tipgever onvoldoende aannemelijk was dat zijn informatie betrouwbaar was en dat de omstandigheid dat 76 van de aangeschreven belastingplichtigen bekend hadden een bankrekening te hebben gehad in Luxemburg die conclusie niet rechtvaardigt. Ook de omstandigheid dat 71 van de opgelegde navorderingsaanslagen inmiddels onherroepelijk waren, maakt niet dat de informatie van de tipgever in alle gevallen betrouwbaar is, aldus het Hof. Aan eerdergenoemd arrest dat hierop volgde, was relatief nieuw dat de Hoge Raad expliciet aangaf dat een procespartij ex artikel 8:29 Awb nu eenmaal het recht heeft om te weigeren stukken te overleggen en daartoe niet kan worden gedwongen (als een gevolg waarvan ook de FIOD-ambtenaren het recht hadden om te zwijgen over de identiteit van de tipgever). De Hoge Raad oordeelde voorts dat het Hof de aanslagen niet ‘zonder meer’ kon vernietigen, omdat voldoende aanleiding bestond om de betrouwbaarheid van de informatie waarop de aanslagen waren gebaseerd (nader) te onderzoeken. De Hoge Raad voerde daartoe (aanvullend) aan dat de kinderen van de erflater hadden bekend een rekening te hebben gehad in Luxemburg en dat in andere procedures niet was gebleken dat de informatie van de tipgever onjuist was. De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar Hof Den Bosch.

Herziening
In een latere procedure bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant[2] had de Inspecteur minder geschoonde stukken ingebracht waaruit bleek dat de Belastingdienst met de tipgever had afgesproken dat zijn anonimiteit niet kon worden gegarandeerd en dat de tipgever er bovendien rekening mee diende te houden dat hij als getuige zou worden opgeroepen in gerechtelijke procedures. Dat werpt natuurlijk een ander licht op de tipgeverszaak. De suggestie is op zijn minst genomen dat er in de aanloop naar dit oordeel geen open kaart is gespeeld door de Inspecteur. Het oordeel waar herziening van is gevraagd, is echter niet gebaseerd op deze suggestie, maar op het recht te weigeren informatie te verstrekken ondanks dat daar geen gerechtvaardigde redenen als bedoeld in artikel 8:29 Awb voor zijn. De Hoge Raad stelt geen feiten vast[3] en dus moet men voor het ‘toevoegen’ van nieuwe feitelijke gronden verzoeken om herziening van de uitspraak van het Hof. Maar die (voor belanghebbenden gunstige) uitspraak is door de Hoge Raad vernietigd.

De verwijzingsopdracht van de Hoge Raad is ruim geformuleerd en deze procedure loopt nog. Belanghebbenden kunnen de nieuwe feiten hier dus nog aan de kaak stellen. Zo gaf ook A-G IJzerman in zijn conclusie voorafgaande aan dit arrest aan. Het was belanghebbenden er natuurlijk om te doen het cassatieberoep van de staatssecretaris (alsnog) ongegrond te laten verklaren, nu aan de verwijzing vanzelfsprekend (proces)risico’s kleven.
Hoewel de Hoge Raad er in zijn arrest in de tipgeverszaak op bedenkelijke wijze op vooruit lijkt te lopen, staat het verwijzingshof Den Bosch, gelet op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen, vrij om ‘alle omstandigheden meegewogen’ tot hetzelfde aannemelijkheidsoordeel te komen als Hof Arnhem-Leeuwarden (en zodoende de aanslagen te vernietigen). Dat lijkt mij een terechte uitkomst. Zie hierover ook mijn artikel in Het Register.[4]
Ludwijn Jaeger
Jaeger Advocaten-belastingkundigen

Bron:
Arrest gewezen op het verzoek van de erfgenamen van [X] , gewoond hebbende te [Z] (hierna: belanghebbenden) tot herziening van het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 18 december 2015, nr. 15/01348, ECLI:NL:HR:2015:3600, BNB 2016/39.
1 Het arrest waarvan herziening is verzocht
Bij voormeld arrest (hierna: het arrest) heeft de Hoge Raad gegrond verklaard het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 februari 2015, betreffende aan de erflater over de jaren 1997 en 1999 tot en met 2007 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), de voor het jaar 2008 opgelegde aanslag IB/PVV, de over de jaren 1998 en 2000 opgelegde navorderingsaanslagen vermogensbelasting en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.
2 Geding in cassatie
Belanghebbenden hebben een verzoekschrift ingediend. Het verzoekschrift is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2016, bij welke gelegenheid de zaak namens belanghebbenden is toegelicht door M. Hendriks, advocaat te Nijmegen, en namens de Staatssecretaris door C.M. Bergman, advocaat te Den Haag.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 27 oktober 2016 geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek (ECLI:NL:PHR:2016:1054).
Belanghebbenden hebben schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het verzoek
3.1.
Als grond voor herziening van een uitspraak van de Hoge Raad als bedoeld in artikel 29e AWR kunnen ingevolge artikel 29 van die wet in verbinding met artikel 8:119 , lid 1, Awb slechts dienen feiten of omstandigheden die hebben plaatsgevonden vóór die uitspraak, die tevens bij de indiener van het verzoekschrift tot herziening vóór die uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en die voorts, waren zij bij de Hoge Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3.2.
Het verzoekschrift noemt als reden voor herziening dat na het arrest is gebleken dat in de overeenkomst met de tipgever is opgenomen dat de Belastingdienst diens anonimiteit niet kan garanderen, en dat de tipgever de overeenkomst is aangegaan in de wetenschap dat hij gehoor zal moeten geven aan een oproep om als getuige voor een rechter te verschijnen. Dat is, aldus het verzoekschrift, gebleken nadat in een andere zaak waarin de door de tipgever verstrekte gegevens een rol spelen een exemplaar van de overeenkomst met de tipgever aan de stukken is toegevoegd waarin minder passages onleesbaar zijn gemaakt dan vóór het arrest is geschied.
3.3.
Voorts wordt in het verzoekschrift als reden voor herziening genoemd dat op dezelfde wijze is gebleken dat de Inspecteur zich in de onderhavige zaak, tijdens de krachtens artikel 8:29 Awb gevoerde procedure voor de Rechtbank, ten aanzien van het onleesbaar maken van enkele passages in de overeenkomst met de tipgever ten onrechte heeft beroepen op economische of financiële belangen van de Staat.
3.4.
Het verzoek tot herziening ziet op een beslissing van de Hoge Raad die erop neer komt dat het geding niet ten einde kan komen op de feitelijke grondslag die in de vernietigde uitspraak aanwezig werd geacht, met inbegrip van de wijze waarop de feiten waren gewaardeerd. Ook wanneer er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat zich ten aanzien van zo een onherroepelijke beslissing feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119 Awb kunnen voordoen, kan dat belanghebbenden in dit geval niet helpen.
3.5.
Blijkens het arrest is de Hoge Raad ervan uitgegaan dat de Belastingdienst zich jegens de tipgever heeft verplicht diens identiteit niet bekend te maken. De aan het herzieningsverzoek kennelijk ten grondslag liggende opvatting dat de Hoge Raad ervan is uitgegaan dat de Belastingdienst de tipgever méér of anders heeft toegezegd dan dat de Belastingdienst zijn identiteit niet bekend zal maken, berust op een onjuiste lezing van de in het arrest opgenomen overwegingen.
3.6.
Voorts lag ten tijde van het wijzen van het arrest al in de gedingstukken besloten dat aan de orde is geweest of de Inspecteur het belang dat tipgevers niet worden afgeschrikt en door hen verstrekte gegevens tot hogere belastingopbrengst kunnen (blijven) leiden, al dan niet terecht aanmerkt als een financieel belang van de Staat.
3.7.
De slotsom is dat het verzoekschrift geen feiten of omstandigheden behelst als hiervoor in onderdeel 3.1 bedoeld. Het verzoek tot herziening moet worden afgewezen.
4 Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een vergoeding in de proceskosten.
5 Beslissing
De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af.


Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter en de raadsheren C. Schaap,
M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren,
en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2016.


[1] HR 18 december 2015, 15/01348, ECLI:NL:HR:2015:3600.
[2] Rechtbank Zeeland-West-Brabant 4 februari 2016, 15/2273, ECLI:NL:RBZWB:2016:561.
[3] Zie HR 17 december 2004, 40.607, ECLI:NL:HR:2004:AR7765.
[4] B.J.G.L. Jaeger, ‘Belastingdienst mag verzaken en hoeft identiteit niet prijs te geven’, Het Register, 2016/02, p. 38.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op