nl-NLen-GB

Verzoek om immateriële schadevergoeding hoeft niet door andere rechters te worden behandeld dan die over de hoofdzaak hebben beschikt

Gepubliceerd in: NTFR
Datum: 09-05-2019
Auteur(s): V.S. Huygen van Dyck-Jagersma

Bekijk PDF

Verzoek om immateriële schadevergoeding hoeft niet door andere rechters te worden behandeld dan die over de hoofdzaak hebben beslist

Instantie               Hoge Raad, 19-04-2019 nr. 18/01623
Zaaknummer(s)    18/01623
Datum uitspraak   19-04-2019
Rubriek                 Formeel belastingrecht
Wetsartikelen       Awb - art. 8:73
ECLI                      ECLI:NL:HR:2019:623
Brondocumenten  Hoge Raad 19 april 2019, nr. 18/01623,
                             Beroepschrift in cassatie bij HR nr. 18/01623,
                             Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 maart 2018, nr. 15/01059
Formele relaties   In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2018:2330
Auteur                  Mr. V.S. Huygen van Dyck-Jagersma
NTFR                    2019/1139
Datum publicatie 09-05-2019
NTFR


Samenvatting

Hof Arnhem-Leeuwarden (13 maart 2018, nr. 15/01059) heeft in een BPM-zaak de door de rechtbank aan belanghebbende toegekende immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de fase van bezwaar en beroep van € 500 verhoogd naar € 1.500. Tevens heeft het hof voor overschrijding van de redelijke termijn in de hogerberoepsfase € 500 aan immateriële schadevergoeding toegekend. In de vele BPM-zaken die de gemachtigde aanhangig heeft gemaakt, heeft het hof wel aanleiding gezien – wegens verknochtheid als bijzondere omstandigheid – om een langere termijn van berechting te hanteren dan de standaardtermijn.
Verder heeft het hof geoordeeld dat belanghebbende geen recht heeft op vergoeding van rente over het griffierecht.

In cassatie stelt belanghebbende in de eerste plaats dat andere rechters dan degenen die de hoofdzaak behandelden, hadden moeten oordelen over het verzoek om immateriële schadevergoeding. De Hoge Raad is het daarmee niet eens. De cassatierechter zet uiteen dat, zoals ook geldt in punitieve zaken, het EVRM zich er niet tegen verzet dat in
belastinggeschillen over de compensatie wordt geoordeeld door dezelfde rechters die de beslissing over het belastinggeschil moeten nemen in een proces dat onredelijk lang heeft geduurd. De Hoge Raad acht het voorts niet voor redelijke twijfel vatbaar dat ook art. 47 Handvest zich niet verzet tegen een dergelijke werkwijze in nationale procedures. Dat dezelfde zetel zowel de hoofdzaak als het schadevergoedingsverzoek behandelt, vormt dan ook op zichzelf geen grond voor twijfel aan het onafhankelijke en onpartijdige karakter van de beslissing.

Anders dan het hof is de Hoge Raad van oordeel dat de omstandigheid dat er vele andere zaken zijn waarin dezelfde geschilpunten in wisselende samenstelling aan de orde worden gesteld, geen rechtvaardiging kan vormen voor een langere termijn van berechting. Daarop ziet ‘de verlenging wegens verknochtheid’ als bedoeld in het overzichtsarrest niet. Dat ziet op gevallen waarin de rechter voor de beslissing van de zaak kennis moet nemen van gedingstukken van andere zaken en zich daarbij een oordeel moet vormen over hetgeen in die andere zaak/zaken aan de orde is. Verder had het hof in zijn uitspraak een beslissing moeten opnemen dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van wettelijke rente vanaf vier weken na de datum waarop het hof uitspraak heeft gedaan. Het betoog van belanghebbende dat zij op grond van art. 8:73 Awb recht heeft op een vergoeding van rente over het betaalde griffierecht over de periode, beginnend op de dag waarop zij het griffierecht heeft voldaan, is echter onjuist.

Ook het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente. De Hoge Raad doet zelf de zaak af en verhoogt de door het hof vastgestelde vergoeding van immateriële schade tot € 3.000.


Feiten

2.1.1. De Rechtbank heeft aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade toegekend van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn in de fase van bezwaar en beroep.

Belanghebbende heeft in hoger beroep grieven ingebracht tegen de hoogte van deze schadevergoeding. Het Hof heeft de door de Rechtbank wegens die overschrijding toegekende
schadevergoeding verhoogd naar € 1.500. Tevens heeft het Hof geoordeeld dat ook in de fase van hoger beroep de redelijke termijn is overschreden, en dat de vergoeding van immateriële schade daarom met € 500 verder moet worden verhoogd tot in totaal € 2.000.

Aan deze oordelen heeft het Hof ten grondslag gelegd dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet die een langere termijn van berechting rechtvaardigt, een en ander als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.1 van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252 (red. NTFR 2016/752) (hierna: het overzichtsarrest). Die bijzondere
omstandigheid bestaat volgens het Hof hierin dat de gemachtigde van belanghebbende in de jaren 2010 tot en met 2012 naast de in geschil zijnde zaak, een zeer groot aantal  duizenden) bezwaarschriften heeft ingediend bij de Belastingdienst. De bezwaarschriften betreffen allemaal de heffing van belasting van personenauto’s en motorrijwielen ter zake van de registratie van personenauto’s in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens. In die bezwaarschriften wordt – in wisselende samenstelling – een aantal geschilpunten aan de orde gesteld. Het voorgaande geldt volgens het Hof evenzeer voor de vele beroepsprocedures en hogerberoepsprocedures die hierop zijn gevolgd. Volgens het Hof is het grote aantal zaken zodanig verknocht dat er aanleiding is om zowel de redelijke termijn van twee jaar die als regel staat voor de fase van bezwaar en beroep als de termijn van twee jaar die staat voor de fase van hoger beroep, voor deze zaak met zes maanden te verlengen.

2.1.2. Belanghebbende heeft in hoger beroep verder gesteld dat haar een vergoeding van rente toekomt over het bedrag aan griffierecht dat de Inspecteur haar dient te vergoeden.
Belanghebbende heeft die stelling gestoeld op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 april 2013, Mariana Irimie, C-565/11, ECLI:EU:C:2013:250 (hierna: het arrest Irimie).

Het Hof heeft die stelling verworpen. Daartoe heeft het Hof overwogen dat ook indien de veroordeling tot vergoeding van griffierecht zijn oorzaak vindt in strijdigheid van het besluit van de Inspecteur met het Unierecht, griffierechten een bijkomend vraagstuk vormen, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie naar nationaal recht moet worden beoordeeld. De vergoeding van het griffierecht op de voet van artikel 8:74 Awb leidt niet ertoe dat de verwezenlijking van de aanspraken die een belanghebbende aan het Unierecht kan ontlenen, onmogelijk of uiterst moeilijk wordt, aldus het Hof.


Geschil

2.2.1. Middel III bestrijdt het hiervoor in 2.1.1 weergegeven oordeel van het Hof. Het middel betoogt onder meer dat andere rechters dan degenen die de hoofdzaak behandelden, hadden moeten oordelen over het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van die hoofdzaak. Het middel beroept zich in dit verband op artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest).


Rechtsoverwegingen

2.2.2. In het arrest van 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046 (red. NTFR 2011/1366) (hierna: het arrest van 10 juni 2011) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het beginsel van rechtszekerheid vereist dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden beslecht. Omdat dit vereiste berust op een rechtsbeginsel dat ten grondslag ligt aan artikel 6 EVRM, heeft de Hoge Raad aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van het EHRM over dat verdragsartikel. Bij overschrijding van die redelijke termijn heeft de belanghebbende op grond van die jurisprudentie in beginsel recht op compensatie.

Het EHRM heeft een aantal factoren genoemd waaraan die compensatie en de daarmee gemoeide procedure moeten voldoen (zie o.a. EHRM 21 december 2010, nr. 50973/08, Vassilios Athanasiou e.a. tegen Griekenland, ECLI:CE:ECHR:2010:1221JUD005097308, paragraaf 55). Die voorwaarden houden voor zover hier van belang in (i) dat de procedure ter verkrijging van die compensatie binnen een redelijke termijn moet plaatsvinden, (ii) dat die procedure voldoet aan de eisen van artikel 6 EVRM, en (iii) dat die procedure voor de belanghebbende geen excessieve kosten mag meebrengen. Het EHRM heeft gepreciseerd dat het aan de Staten is om op basis van de toepasselijke regels van het eigen rechtssysteem te bepalen welke procedure het beste voldoet aan de hiervoor bedoelde voorwaarden (vgl. EHRM 29 maart 2006, nr. 36813/97, Scordino tegen Italië, ECLI:CE:ECHR:2006:0329JUD003681397, hierna: het arrest Scordino, paragraaf 200).
Voorts heeft het EHRM strafvermindering door de behandelende rechter geaccepteerd als vorm van compensatie voor een te lang geduurd hebbend proces in punitieve zaken (zie paragraaf 186 van het arrest Scordino en de aldaar vermelde rechtspraak).

2.2.3. Hiermee heeft het EHRM aanvaard dat de hiervoor in 2.2.2 bedoelde compensatie wordt geboden door dezelfde rechters die in de zaak die onredelijk lang heeft geduurd over de strafmaat moeten beslissen. Daarvan uitgaande valt in redelijkheid niet in te zien waarom het anders zou moeten zijn in niet-punitieve zaken. Daarom moet worden aangenomen dat het EVRM zich evenmin ertegen verzet dat in belastinggeschillen over de (hoogte van de) compensatie wordt geoordeeld door dezelfde rechters die de beslissing over het belastinggeschil moeten nemen in een proces dat onredelijk lang heeft geduurd.

De Hoge Raad acht het niet voor redelijke twijfel vatbaar dat ook artikel 47 van het Handvest zich niet verzet tegen een dergelijke werkwijze in nationale procedures.

2.2.4. In het arrest van 10 juni 2011 en de daarop voortbouwende rechtspraak, waaronder het overzichtsarrest, heeft de Hoge Raad tot uitgangspunt genomen dat de belanghebbende geen afzonderlijke procedure aanhangig hoeft te maken om aanspraak te maken op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hij kan ermee volstaan in de hoofdzaak een verzoek om vergoeding van immateriële schade tot de rechter te richten. Voor dit verzoek gelden geen vormvereisten. De rechterlijke instantie die is belast met de behandeling van het (hoger) beroep behandelt dit verzoek in diezelfde procedure en in dezelfde samenstelling.

Ook heeft de Hoge Raad tot uitgangspunt genomen dat op dit verzoek wordt beslist aan de hand van de objectieve maatstaven die zijn neergelegd in het overzichtsarrest. Uitzonderingen op die objectieve maatstaven moeten worden beperkt tot bijzondere gevallen. Mede gelet hierop bestaat er geen redelijke grond het verzoek niet te laten beoordelen door dezelfde rechter die de beslissing over het belastinggeschil neemt. Anders dan het middel kennelijk veronderstelt, kan de omstandigheid dat deze zo veel mogelijk naar objectieve maatstaven te nemen beslissing op het verzoek wordt gegeven door de rechter die ook over het (hoger) beroep moet oordelen, op zichzelf geen grond zijn voor twijfel aan het onafhankelijke en onpartijdige karakter van die beslissing.

2.2.5. In het licht van hetgeen hiervoor in 2.2.2 en 2.2.3 is overwogen, leidt de in 2.2.4 beschreven wijze waarop verzoeken tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn worden behandeld op zichzelf niet tot een inbreuk op de door artikel 6 EVRM en artikel 47 van het Handvest vereiste onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechter.

Middel III betoogt daarom tevergeefs dat andere rechters hadden moeten oordelen over het verzoek om vergoeding van immateriële schade.

2.3. Middel III slaagt voor zover het zich richt tegen het oordeel van het Hof dat zich een verknochtheid van zaken als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.1 van het overzichtsarrest voordoet.
Terecht betoogt het middel dat de omstandigheid dat er vele andere zaken zijn waarin dezelfde geschilpunten in wisselende samenstelling aan de orde worden gesteld, geen rechtvaardiging kan vormen voor een langere termijn van berechting. De in die rechtsoverweging van het overzichtsarrest bedoelde rechtvaardiging wegens verknochtheid ziet op gevallen waarin de rechter voor de beslissing van de zaak kennis moet nemen van gedingstukken van een of meer andere zaken en zich daarbij een oordeel moet vormen over hetgeen in die andere zaak of die andere zaken aan de orde is. De enkele omstandigheid dat een gemachtigde in (zeer) vele zaken standaard, al dan niet in dezelfde volgorde, dezelfde stellingen aanvoert, is onvoldoende om een dergelijke verknochtheid aan te nemen.

De stukken van het geding bieden geen aanwijzing voor andere gronden om te kunnen aannemen dat de hiervoor bedoelde verknochtheid of enige andere bijzondere omstandigheid in de zin van het overzichtsarrest zich in deze zaak voordoet.

2.4.1. Middel IV en ten dele middel V richten zich tegen het hiervoor in 2.1.2 vermelde oordeel en herhalen het aldaar beschreven betoog van belanghebbende. De Hoge Raad begrijpt dit betoog aldus dat belanghebbende aanspraak maakt op vergoeding van rente over de periode vanaf het moment waarop zij griffierecht heeft betaald tot het moment waarop de Inspecteur dat griffierecht vergoedt.

2.4.2. In dit betoog ligt besloten een verzoek om vergoeding van wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW wegens vertraging in de vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358 (red. NTFR 2019/86), had het Hof daarom in zijn uitspraak de beslissing moeten opnemen dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van die rente vanaf vier weken na de datum waarop het Hof uitspraak heeft gedaan.

Het voorgaande geldt niet ten aanzien van de uitspraak van de Rechtbank. Aangezien de gedingstukken geen aanwijzingen bevatten dat belanghebbende voor de Rechtbank een dergelijk verzoek heeft gedaan, behoefde de Rechtbank niet een beslissing als hiervoor bedoeld in haar uitspraak op te nemen (zie rechtsoverweging 2.2.3 van laatstgenoemd arrest).
2.4.3. Voor zover het hiervoor in 2.4.1 bedoelde betoog van belanghebbende inhoudt dat zij op grond van artikel 8:73 Awb aanspraak maakt op een vergoeding van rente over het betaalde griffierecht over de periode, beginnend op de dag waarop zij het griffierecht heeft voldaan, faalt het. Het oordeel van het Hof daarover is juist (vgl. HR 24 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8049 (red. NTFR 2010/2250)).

Ook het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente. Griffierecht is niet een aan de Staat betaald bedrag als bedoeld in punt 21 van het arrest Irimie dat rechtstreeks verband houdt met door de Staat geheven belasting. De verplichting tot het betalen van griffierecht ontstaat immers pas door het instellen van beroep, hoger beroep of beroep in cassatie. Evenmin kan worden gezegd dat het achterwege laten van een rentevergoeding als hiervoor bedoeld de verwezenlijking van de aanspraken die een belanghebbende aan het Unierecht kan ontlenen, onmogelijk of uiterst moeilijk maakt.

Middel IV en middel V in zoverre falen daarom.

2.5. De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, omdat de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de
rechtsontwikkeling.

2.6. Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3 en 2.4.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. De door het Hof vastgestelde vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn moet worden verhoogd tot € 3.000. Tevens dient de beslissing van het Hof te worden aangevuld in de hiervoor in 2.4.2 bedoelde zin.

Commentaar

Uit dit arrest licht ik twee onderwerpen uit: 1) de vraag of het hof mag oordelen over zijn eigen verplichting om een immateriëleschadevergoeding toe te kennen, en 2) de verduidelijking door de Hoge Raad wat er wordt bedoeld met ‘verknochtheid’ van zaken, waardoor de redelijke termijn wordt verlengd (zodat minder snel aan toekenning van een immateriële schadevergoeding wordt toegekomen).


Wellicht ten overvloede eerst nog even de basis. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 juni 2011, nr. 09/02639, NTFR 2011/1366 aanvaard dat op verzoek een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend als een procedure over een belastingaanslag ‘onredelijk lang’ heeft geduurd. Die vergoeding bedraagt € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden. In ‘het overzichtsarrest’ van 19 februari 2016 heeft de Hoge Raad kaders gegeven, onder meer over de vraag wanneer de redelijke termijn langer mag zijn dan het uitgangspunt van twee jaren per instantie.

Voor wie meer wil weten over de Irimie-rente, die moet worden vergoed over ten onrechte want in strijd met EU-recht geheven belasting, kan ik verwijzen naar een blog door M.H.W.N. Lammers van 18 oktober 2018, te raadplegen via https://blog.jaeger.nl/nl/rentevergoeding-onbekend-maaktonbemind.


Dan het eerste vraagpunt. De Hoge Raad overweegt dat het HvJ in Scordino tegen Italië (EHRM 29 maart 2006, nr. 36813/97, ECLI:CE:ECHR:2006:0329JUD003681397) heeft geaccepteerd dat compensatie voor een te lang proces in strafzaken (of breder: punitieve zaken) mag worden gegeven door dezelfde rechters. Daarbij gaat het om de rechters die hebben geoordeeld in de zaak waarvan nu juist wordt geoordeeld dat die te lang heeft geduurd. Met andere woorden: de rechter ‘straft’ zichzelf voor de te lange procedureduur. Omdat het EHRM dit geaccepteerd heeft in punitieve zaken, is er geen reden om anders te oordelen in een procedure over ‘slechts’ een belastinggeschil. De enige opmerking die ik hierbij kan maken is dat het in zoverre anders kan zijn, dat de rechter in een belastinggeschil zichzelf een betalingsverplichting moet opleggen in plaats van een strafkorting die hemzelf niets kost. Voor zover dat een probleem oplevert, zou dat echter niet worden opgelost door een andere kamer, maar nog steeds van hetzelfde hof, over die toekenning te laten oordelen.


Wat betreft de verknochtheid van zaken oordeelde de Hoge Raad in het overzichtsarrest van 10 juni 2011, r.o. 3.5.1: ‘de ingewikkeldheid van de zaak, die bijvoorbeeld kan zijn gelegen in de aard en omvang van de fiscale problematiek, de omvang van het verrichte onderzoek, alsmede in de verknochtheid van de zaak met andere zaken betreffende dezelfde of andere belastingplichtige(n)’.

Wat die verknochtheid moet inhouden, werd in dat arrest niet nader toegelicht. Dat doet de Hoge Raad nu in dit arrest in r.o. 2.3. Van een verknochtheid is in deze zaak geen sprake. Een bijzondere omstandigheid die een langere termijn van berechting rechtvaardigt, doet zich derhalve niet voor. Daarom dient een hogere immateriële schadevergoeding te worden toegekend.

[1]Vanessa Huygen van Dyck-Jagersma is verbonden aan Jaeger advocaten-belastingkundigen te Amsterdam.

Datum: 15-8-2019

Bron: https://www.ndfr.nl/NTFR/Details/NTFR2019-1139

Copyright - Sdu - Alle rechten voorbehouden.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op

Jaeger maakt gebruik van cookies

Wij plaatsen cookies om uw ervaring op de website te verbeteren. De cookies die vereist zijn om de website te gebruiken zijn wettelijk toegestaan. Voor de andere cookies kunt u hieronder toestemming geven.

meer informatie