Voortvarendheid toetsen vanaf moment dat FIOD informatie ontvangt

  

Voortvarendheid toetsen vanaf moment dat FIOD informatie ontvangt

Datum: 28-03-2014
Auteur(s): I.R.J. Thijssen

Bekijk PDF





NTFR2014/1047 Voortvarendheid toetsen vanafmomentdat FIOD informatie ontvangt
Hoge Raad28maart2014,nr.13/03554
Belastingjaar/tijdvak Wetsartikelen
Auteur BNB
ECLI
1995-1996Brondocument AWR-art. 16
Awb-art. 3:4
SW 1956 vanaf 2010-art. 66
mr. I.R.J. Thijssen 2014/137
ECLI:NL:HR:2014:689
Samenvatting
Inhetkader vanhetprojectBank Zonder Naam zijnaanbelanghebbende mettoepassing vande verlengde navorderingstermijn
navorderingsaanslagenIB 1995 enVB 1996 opgelegd.De navorderingsaanslagenzijnindecember 2007 vastgesteld door de inspecteur.De FIOD heeftde desbetreffende startinformatie inmaart2005 ontvangenvande Belgische autoriteiten.Na identificatie van de rekeninghouders heeftde FIOD inmaart2006 de gegevens overgedragenaande Belastingdienst.De Belastingdienstheeft vervolgens gekozenvoor eenlandelijke coördinatie eneenprojectmatige aanpak.HofArnhem (NTFR2013/1339) heeftde navorderingsaanslagenvernietigd omdatde vereiste voortvarendheid nietis betracht.De Hoge Raad bevestigthetoordeelvanhethof datvoor de beoordeling vande voortvarendheid moetwordenuitgegaanvande tijd die is verstrekenvanafhetmomentwaarop de gegevens ter beschikking vande FIOD zijngekomen.Daarbijmoetechter rekening ermee wordengehoudendatde Belastingdienst voor de identificatie vande rekeninghouders over voldoende tijd moetkunnenbeschikkenendatook meteenlandelijke coördinatie en projectmatige aanpak geruime tijd gemoeid kanzijn.Nuhethofditlaatste nietinachtheeftgenomen,casseertde Hoge Raad de hofuitspraak.
Feiten
3.1.Incassatie kanvanhetvolgende wordenuitgegaan.
3.1.1.Metdagtekening 18 februari 2005 hebbende Belgische autoriteitenop basis vanRichtlijn77/799/EEG(hierna:de Richtlijn) inhet kader vaneenzogenoemde spontane uitwisseling vaninlichtingengegevens verstrektaande FIOD-ECD,Team Internationaal.De gegevens bestaanuiteenNota (hierna:de Nota) mettwaalfbijlagenenzijnop 1 maart2005 door de FIOD-ECD ontvangen. 3.1.2.Inde Nota staatvermeld dathetgegevens betreftvande bank VanLanschotBankiers Luxembourg (hierna:VanLanschot).De twaalfbijlagenbevattenonder meer gegevens over bank- enbeleggingsrekeningenvaningezetenenvanNederland,standenvandie rekeningenper 21 december 1994,5 september 1996 en28 november 1996 ennamenvanrekeninghouders.
3.1.3.Door de FIOD-ECD is eenonderzoek ingesteld naar de door de Belgische autoriteitenverstrekte gegevens,welk onderzoek zich erop heeftgerichtmetvoldoende mate vanzekerheid vastte stellenom welke individuele belastingplichtigenhetging.Daartoe zijnde ontvangengegevens op geautomatiseerde wijze verwerkt.Daarbijwerd ook hetsofinummer vande (vermoedelijke) gerechtigden vermeld (‘sofiëring’).
3.1.4.De aldus bewerkte gegevens zijndoor de FIOD-ECD op 1 maart2006 overgedragenaaneenlandelijke toezichtorganisatie van de Belastingdienst,waarna door deze dienstvoor eenprojectmatige aanpak is gekozenenhetprojectonder de naam Bank Zonder Naam (hierna:hetproject) vanstartis gegaan.Doelvanhetprojectis hetop projectmatige wijze behandelenvande ontvangen gegevens om te komentoteengelijke behandeling vande belastingplichtigendie hetaangaat.Tenbehoeve vanhetprojectis het draaiboek Bank Zonder Naam (hierna:hetdraaiboek) opgesteld.Hetdraaiboek behandeltalle aspectenvanhetproject.Hetdraaiboek zoals vastgesteld op 7 maart2007 is ingeanonimiseerde vorm openbaar gemaaktdoor middelvanpublicatie op de websites vande BelastingdienstenvanhetMinisterie vanFinanciën.
3.1.5.De bewerkte gegevens zijnverspreid binnende Belastingdienst,teneinde de nietaangegeveninkomens- en vermogensbestanddelen(bank- enbeleggingsrekeningenende opbrengstendaarvan) metinachtneming vanhetdraaiboek bijde desbetreffende belastingplichtigenalsnog inde belastingheffing te betrekken.
3.1.6.Bijde gegevens die door de Belgische autoriteitenzijnovergelegd bevindenzichrenseignementenvan21 december 1994,5 september 1996 en28 november 1996 waarop is vermeld datbijVanLanschoteenrekening wordtaangehoudenop naam van‘(X)-(X-Y)’,metrekeningnummer (001).De Inspecteur heeftbelanghebbende enzijnechtgenote aangemerktals houders vandeze rekening.Zij hebbenontkend rekeninghouder te zijn(geweest).
3.1.7.Na daarover metbelanghebbende te hebbengecorrespondeerd,heeftde Inspecteur aanbelanghebbende de ingeding zijnde navorderingsaanslagenmetdagtekening 31 december 2007 opgelegd.
Geschil
3.2.Voor hetHofwas onder meer ingeschilofbijhetvoorbereidenenopleggenvande onderhavige navorderingsaanslagen,die met
toepassing vande verlengde navorderingstermijnvanartikel16,lid 4,vande Algemene wetinzake rijksbelastingen(hierna:AWR) zijn vastgesteld,de vereiste voortvarendheid is betracht.HetHofheeftdeze vraag ontkennend beantwoord.
Rechtsoverwegingen
3.3.1.Heteerste middelonderdeelklaagterover dathetHofbijzijnoordeelover de voortvarendheid waarmee de

navorderingsaanslagenzijnopgelegd,is uitgegaanvande tijd die is verstrekenvanafhetmomentwaarop de door de Belgische autoriteitenverstrekte gegevens ter beschikking vande FIOD-ECD zijngekomen.Inde toelichting op hetmiddelwordtbetoogd dathet Hofalleeninaanmerking had moetennemenhettijdsverloop vanafhetmomentwaarop de bevoegde inspecteur inhetbezitvande relevante gegevens is gesteld.
3.3.2.Bijde beoordeling vanditmiddelonderdeelmoetwordenvooropgesteld dathetoordeelover de voortvarendheid waarmee een navorderingsaanslag mettoepassing vanartikel16,lid 4,AWRis opgelegd,op grond vande rechtspraak vanhetHofvanJustitie betrekking dientte hebbenop hettijdsverloop nadatde belastingautoriteitenvaneenlidstaatde beschikking hebbengekregenover aanwijzingenmetbetrekking totineenandere lidstaatondergebrachte belastbare bestanddelenop basis waarvanzijeenonderzoek kunneninstellen(HvJ 11 juni 2009,X enE.H.A.Passenheim-vanSchoot,C-155/08 enC-157/08,BNB 2009/222,NTFR2009/1742,
red.,punt74).
3.3.3.Inhetonderhavige gevalhebbende Belgische autoriteiteninfebruari 2005 op basis vande Richtlijngegevens verstrektaande
FIOD-ECD als bevoegde Nederlandse autoriteitinde zinvande Richtlijn.Die gegevens over bank- enbeleggingsrekeningenvan (onder meer) ingezetenenvanNederland vermeldende namenvande rekeninghouders,soms alleenhunachternamenensoms ook voornamenofvoorletters,maar veelalgeenadres- ofwoonplaatsgegevens.
3.3.4.In’s Hofs uitspraak ligthetoordeelbeslotendatdeze gegevens aanwijzingenopleverdenals hiervoor in3.3.2 bedoeld.Dat oordeelgeeftgeenblijk vaneenonjuiste rechtsopvatting enbehoefde geennadere motivering.Aandatoordeelkannietafdoendat enkelaande hand vandie gegevens nog nietmetzekerheid konwordenvastgesteld om welke individuele belastingplichtigenhetging. Weldienthettijdsverloop datnoodzakelijkerwijs methetonderzoek daarnaar gemoeid is,inaanmerking te wordengenomenbijhet oordeelofde navorderingsaanslag metde vereiste voortvarendheid is opgelegd.DatheefthetHofook – terecht– gedaan. 3.3.5.Verder is hetHofervanuitgegaandatde FIOD-ECD inhetonderhavige gevalis aante merkenals Nederlandse belastingautoriteitinde zinvande hiervoor in3.3.2 bedoelde rechtspraak vanhetHofvanJustitie.Ditoordeelis juist,inaanmerking genomen(i) dathethier gaatom gegevens die door de Belgische autoriteitenverstrektzijnop grond vande Richtlijn,(ii) datdie gegevens zijnverstrektaande FIOD-ECD als bevoegde Nederlandse autoriteitinde zinvande Richtlijn,en(iii) datde Richtlijngeletop hetbepaalde inartikel1,lid 1,ertoe strektdatde bevoegde autoriteitenvande lidstatenelkaar inlichtingenverstrekkendie hunvannut kunnenzijnvoor eenjuiste vaststelling vande belastingschuld op hetgebied vande belastingennaar hetinkomenenhetvermogen. 3.3.6.Geletop hetgeenhiervoor in3.3.4 en3.3.5 is overwogenmoetwordenaangenomendatde Nederlandse belastingautoriteiten vanafhetmomentvanontvangstdoor de FIOD-ECD vande gegevens vande Belgische autoriteiten,aande hand daarvaneen onderzoek kondeninstellenmethetoog op de (eventuele) vaststelling vannavorderingsaanslagen.Daaraankannietafdoendatde FIOD-ECD nietbevoegd is tothetvaststellenvannavorderingsaanslagen.Evenminkandaaraanafdoendatde FIOD-ECD mede een opsporingstaak heeftdie hijonder hetgezag vanhetopenbaar ministerie vervult.Hetmiddelonderdeelfaaltdaarom.
3.4.1.Hettweede middelonderdeelbevatde klachtdathetHofop onjuiste en/ofontoereikende grondenheeftgeoordeeld dater inde hiervoor in3.1.3 bedoelde fase vanhetonderzoek meer tijd is verstrekendannoodzakelijk is.
3.4.2.De Hoge Raad neemtbijde beoordeling vanditmiddelonderdeeltotuitgangspuntdatineengevalals hetonderhavige,waarin gegevens over inhetbuitenland ondergebrachtvermogenzijnverkregendie eengrootaantalinNederland wonende personenbetreffen, de Belastingdienstover voldoende tijd moetkunnenbeschikkenom metvoldoende mate vanzekerheid vastte stellenom welke individuele belastingplichtigenhetgaatenvervolgens tenaanzienvande betrokkenbelastingplichtigente beoordelenof,enzo ja,voor welk bedrag belasting vanhenkanwordennagevorderd.Ingevallenals hetonderhavige kande Belastingdienstverder inredelijkheid tot hetoordeelkomendateenlandelijke coördinatie eneenprojectmatige aanpak gebodenzijn.Indiendaarvoor wordtgekozenmoet tevens rekening wordengehoudenmetde tijd die meteenzodanige aanpak encoördinatie gemoeid is,waaronder begrepende tijd die benodigd is voor hetontwikkelenvanbeleid voor de behandeling vanindividuele gevallen,ook tenaanzienvanhetopleggenvanboeten waartoe geletop hetbepaalde in(thans) Afdeling 5.4.1 Awb ook overleg methetopenbaar ministerie gebodenkanzijn.Metdeze werkzaamheden,waarbijook inhetbelang vande betrokkenbelastingplichtigenzorgvuldigheid moetwordenbetracht,kangeruime tijd gemoeid zijn.
3.4.3.De belastingautoriteitenhebbenbeoordelingsvrijheid bijde organisatie eninrichting vanaldeze werkzaamheden.Die vrijheid is echter nietonbegrensd.Geletop de eisendie voortvloeienuithetrechtvande Europese Unie mogende werkzaamhedennietworden georganiseerd eningerichtop eenzodanige wijze dateenvoortvarende behandeling onvoldoende gewaarborgd is.
3.4.4.Opmerking verdientdatde vereiste voortvarendheid inieder gevalnietis betrachtindienbijde werkzaamhedenals vermeld in 3.4.2 eenonverklaarbare vertraging is opgetredenvanmeer danzes maanden(vgl.HR27 september 2013,nr.12/00738,
ECLI:NL:HR:2013:717,BNB 2013/234,NTFR2013/1954,red.).
3.4.5.De door hetHofvastgestelde feitenhoudenindater tussende ontvangstvande gegevens vande Belgische autoriteitenende
afronding vanhethiervoor in3.1.3 bedoelde onderzoek (de zogenoemde onderzoeksfase) eenjaar is verstreken.
3.4.6.Bijde beoordeling vandittijdsverloop heefthetHofgrote betekenis toegekend aande omstandigheid datde ‘geautomatiseerde zoekslag is uitgevoerd door éénEDP-medewerker die daaraan(…) eengedeelte vanzijnwerktijd heeftbesteed’.Zonder nadere motivering,die inde bestredenuitspraak nietis gegeven,is evenwelnietbegrijpelijk dathetHofdeze omstandigheid redengevend heeft geachtvoor zijnoordeeldatnietde vereiste voortvarendheid inachtis genomen.Om datoordeelbegrijpelijk te doenzijnzoutenminste nader uiteengezetmoetenzijnwelke omstandighedenhetoordeelkunnendragendatvande Belastingdienstmethetoog op de vereiste voortvarendheid,enmetinachtneming vanhethiervoor in3.4.3 overwogene,redelijkerwijs eenandere organisatie vande te verrichten werkzaamhedenverlangd had mogenworden.
HetHofheeftzijnoordeelmede gebaseerd op de overweging dathetnietaannemelijk achtdatmetde hiervoor in3.1.3 bedoelde fase vanhetonderzoek,die eenjaar inbeslag heeftgenomen,bijeenvoortvarende behandeling noodzakelijkerwijs meer danhooguitenkele maandenzoudenzijngemoeid.Ook inzoverre is de uitspraak vanhetHofniettoereikend gemotiveerd,geletop hetgeende Inspecteur heeftaangevoerd over de aard ende omvang vande werkzaamhedendie na ontvangstvande door de Belgische autoriteitenverstrekte gegevens indeze fase moestenwordenuitgevoerd.
Voor zover hetmiddelzichtegendatoordeelkeert,is hetdaarom terechtvoorgesteld.
3.5.Hethiervoor overwogene brengtmee datde bestredenuitspraak nietinstand kanblijven.Verwijzing moetvolgen. (Volgtvernietiging enverwijzing.)
Commentaar
De Hoge Raad oordeeltinhetonderhavige arrestdatde gegevens die de Belgische autoriteitenop basis vande Richtlijn77/799/EEG
aande FIOD-ECD hebbenverstrekt,te beschouwenzijnals ‘aanwijzingen’ metbetrekking totineenandere lidstaatondergebrachte belastbare bestanddelenop basis waarvaneenonderzoek kanwordeningesteld.Aangeziende FIOD-ECD inditkader als bevoegde Nederlandse autoriteitfungeert,begintop hetmomentvanontvangstvande betreffende rekeninggegevens de voortvarendheidsklok te lopen.Aandatoordeeldoetvolgens de Hoge Raad nietafhetfeitdataande hand vande betreffende gegevens nog nietmetzekerheid konwordenvastgesteld om welke individuele belastingplichtigenhetging alsmede hetfeitdatde FIOD-ECD nietbevoegd was tothet vaststellenvannavorderingsaanslagen.Aldus eindelijk de gewenste duidelijkheid vande Hoge Raad over deze veelbesprokenkwestie.
Vervolgens ligtde vraag bijde Hoge Raad voor ofde bevoegde Nederlandse autoriteiten– nadatzijde beschikking hebbengekregen over de eerdergenoemde ‘aanwijzingen’ – welvoortvarend genoeg te werk zijngegaan.Allereerstmerk ik op datde bijde Hoge Raad voorliggende uitspraak vanHofArnhem-Leeuwarden(NTFR2013/1339,maar ook NTFR2013/1225) eenuitzondering vormtop de

talrijke jurisprudentie vanoverige feitenrechters insoortgelijke aangelegenhedenwaarin– bijna als vanzelfsprekend – eenperiode van ruim twee jarentussenhetmomentvanontvangstvande gegevens door de FIOD-ECD enhetversturenvande eerste vragenbriefniet onredelijk lang werd geachtvanwege de ‘massaliteitvanhetaantalvermeende rekeninghouders ende tenaanzienvanieder vanhente betrachtenzorgvuldigheid’.De Hoge Raad heeftdergelijke oordelenveelalinstand gelatenomdatdeze nietzoudengetuigenvaneen onjuiste rechtsopvatting envanwege hetfeitdatdeze voor hetoverige,als verwevenmetwaarderingenvanfeitelijke aard,incassatie nietop hunjuistheid kunnenwordengetoetst.
De bewijslastvoor eenvoortvarende behandeling rustop de inspecteur enomdatde inspecteur inde onderhavige procedure bijHof Arnhem-Leeuwardendesgevraagd nietheefttoegelichtwaarom hetidentificatie- ensofiëringsonderzoek meer daneenjaar heeft moetenduren,was hetweinig verassend dathethofoordeelde datde inspecteur nietaannemelijk heeftgemaaktdatditonderzoek voortvarend heeftplaatsgevonden.Ditfeitelijke oordeelleek – ook volgens A-GNiessen(NTFR2014/697 metcommentaar vanP.G.M. Jansen) – incassatie nietop juistheid te kunnenwordengetoetst,maar zouweltotgevolg hebbendatdoor feitenrechters uiteenlopend wordtgeoordeeld invergelijkbare procedures.Dithad wellichtvoorkomenkunnenwordenindiener tussende verschillende hovenenige afstemming had plaatsgevonden,maar numoetde Hoge Raad er aante pas komenom onder hetmom vaneenmotiveringsgebrek de rechtseenheid te bewaken.Datdie rechtseenheid er waarschijnlijk ook komt,ligtvoor de hand alleenalvanwege hetfeitdathetgeding verwezenwordtnaar HofDenBoschwaarvaninmiddels duidelijk is datinvergelijkbare gevalleneenwelhaastonbeperkte handelings-enprioriteringsvrijheid wordttoegekend aande Belastingdienst(zie NTFR2014/887 metcommentaar vanBerns).
Inhetonderhavige arrestzoomtde Hoge Raad inzijnzoektochtnaar eenmotiveringsgebrek inop de grote betekenis die HofArnhem-Leeuwardenheefttoegekend aande omstandigheid datbijhetprojectBank Zonder Naam de ‘geautomatiseerde zoekslag is uitgevoerd door éénEDP-medewerker die daaraan(…) eengedeelte vanzijnwerktijd heeftbesteed’.De Hoge Raad achthetzonder nadere motivering onbegrijpelijk datdeze omstandigheid redengevend wordtgeachtvoor hetoordeeldatnietde vereiste voortvarendheid inachtis genomen.Voor eendergelijk oordeelzoudoor hethoftenminste nader uiteengezetmoetenwordenwelke omstandighedenredelijkerwijs eenandere organisatie kanverlangenvande door de Belastingdienstte verrichte werkzaamheden, aldus de Hoge Raad.Daarnaastachtde Hoge Raad hetoordeelvanhethof,datbijeenvoortvarende behandeling vanhet identificerings- ensofiëringsproces hooguitenkele maandenzoudenzijngemoeid,ontoereikend gemotiveerd geletop hetgeende inspecteur heeftaangevoerd over de aard ende omvang vande werkzaamhedendie na ontvangstvande door de Belgische autoriteitenverstrekte gegevens indeze fase moestenwordenuitgevoerd.Aldus vernietigtde Hoge Raad de uitspraak vanHofArnhem-Leeuwardenenwordthetgeding verwezennaar HofDenBosch.
Inzijnarrestgeeftde Hoge Raad nog welde overweging mee aanHofDenBoschdatbelastingautoriteitenweliswaar eenzekere beoordelingsvrijheid hebbenbijde organisatie eninrichting vanhunwerkzaamheden,maar datdie vrijheid nietonbegrensd is. Werkzaamhedenmogennietop eenzodanige wijze wordengeorganiseerd eningerichtdateenvoortvarende behandeling inde praktijk onmogelijk ofuiterstmoeilijk wordtgemaakt.Nutegende uitspraak vanHofDenBosch(NTFR2014/887) – waarbijeenzeer ruime handelings- enprioriteringsvrijheid wordttoegekend aande Belastingdienst– cassatie is aangetekend (nr.14/00579),vermoed ik dat HofDenBoscheersthetoordeelvande Hoge Raad afwachtalvorens inde onderhavige procedure uitspraak te doen.
Hetidentificatie- ensofiëringsproces van2.500 zwartspaarders lijktmijnieteenproces dat– door er slechts éénparttimer op te zetten– ruim eenjaar inbeslag zoumoetennemen(nog los vanhetfeitdatdoor deze trage werkwijze de navorderingstermijnverstrijktvanéén ofmeerdere belastingjaren).De staatssecretaris merkthierover inzijncassatieberoepschriftnog hetnavolgende op:
‘Geletop de omvang vande aangeleverde gegevens is er voor gekozenom de identificatiewerkzaamhedenmetname bijéénEDP-auditor te concentreren.Deze medewerker had daarnaastook andere werkzaamheden.Toegegevenkanwordendatwanneer 10 EDP-auditors fulltime op ditprojectwarengezetdateenenander,wellichtsneller had kunnenverlopen.’
Ik wilnog bestbegrijpendater destijds onvoldoende capaciteitaanwezig was om ineens tienEDP-auditors fulltime op hetprojectBank Zonder Naam te zetten,maar om slechts éénEDP-auditor op datprojectte zettenis eengeheelander verhaaldatzichbovendienslecht verhoudtmetde talloze uitingenvande staatssecretaris indiverse media over de hoge prioriteitdie de aanpak vanzwartspaarders zou hebben.Enals de werkzaamheden‘geletop de omvang vande aangeleverdegegevens’ danalmoetenwordengeconcentreerd bij slechts éénEDP-auditor,danrijstde vraag waarom de keuze is gevallenop iemand die daar vervolgens slechts parttime mee aande slag gaat.
[1]Igor Thijssenis verbondenaanKanPiek Fiscale Advocatuur te Amsterdam
Bron:http://www.ndfr.nl/link/NTFR2014-1047 Datum:14-4-2016 14:43:39
Alle rechten voorbehouden. Alle auteursrechten en databankrechten van deze tekst worden uitdrukkelijk voorbehouden. Deze rechten berusten bij Sdu Uitgevers. Niets uit NDFRmag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand ofopenbaar gemaakt in enige vorm ofop enige wijze, hetzij elektronisch,mechanisch, door fotokopieën, opnamen ofenige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
All rights reserved. No part ofthis publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording or otherwise, without the publisher’s prior consent.



Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op