nl-NLen-GB

Weigering gemachtigde i.v.m. stelselmatig grievend taalgebruik

Gepubliceerd in: NL Fiscaal
Datum: 19-11-2020
Auteur(s): N. van den Hoek

Bekijk PDF

Weigering gemachtigde i.v.m. stelselmatig grievend taalgebruik


Samenvatting

X (bv; belanghebbende) heeft tegen de voldoening van BPM bezwaar gemaakt. Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Het beroep van X is door Rechtbank Gelderland kennelijk ongegrond verklaard. Het verzet tegen die ongegrondverklaring is eveneens ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft in de loop van het verzetgeding de gemachtigde van X geweigerd wegens ernstige bezwaren tegen die gemachtigde (hierna: A). Het taalgebruik van gemachtigde is ongepast, onfatsoenlijk, beledigend en respectloos naar de wederpartij, de rechtspraak en een individuele rechter. In deze cassatieprocedure treedt de door Rechtbank als gemachtigde geweigerde A op als gemachtigde. Hij bestrijdt alleen de weigering van de gemachtigde. Aangezien het oordeel inzake ernstige bezwaren tegen de persoon van een gemachtigde of bijstandverlener naar zijn aard in hoge mate is verweven met feitelijke waarderingen, kan de Hoge Raad de motivering daarvan alleen toetsen op onbegrijpelijkheid. Tegen de beslissing om met toepassing van artikel 8:25, lid 1, Awb een persoon als gemachtigde of bijstandverlener te weigeren, staat geen afzonderlijk rechtsmiddel open. Dat neemt niet weg dat degene die een rechtsmiddel kan aanwenden tegen de uitspraak van de rechter die artikel 8:25, lid 1, Awb heeft toegepast, ook die toepassing aan het oordeel van de hogere rechter kan onderwerpen. Geen rechtsregel staat in de weg aan de ontvankelijkheid van een rechtsmiddel tegen een uitspraak als de daarbij aangevoerde gronden alleen zien op de weigeringsbeslissing, aldus de Hoge Raad.

Volgens de Hoge Raad geeft het oordeel van de Rechtbank niet blijk van miskenning van het begrip ernstige bezwaren als bedoeld in artikel 8:25, lid 1, Awb. Dat oordeel is voorts toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. De middelen falen in zoverre. De in de middelen opgenomen klachten over schending van het VWEU en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie kunnen evenmin tot cassatie leiden. Het cassatieberoep is ongegrond. Anders Conclusie A-G Wattel (NLF 2020/1865, met noot van Van den Hoek).

NOOT

In dit arrest geeft de Hoge Raad college over de toepassing van artikel 8:25 Awb, dat ziet op het vanwege ernstige bezwaren weigeren van een persoon als gemachtigde of bijstandsverlener in een bestuursrechtelijke procedure. De Hoge Raad legt artikel 8:25 Awb enerzijds ruim uit, door niet de eis te stellen dat de te weigeren persoon door zijn gedrag schade toebrengt aan de concrete individuele belangen van zijn cliënt. Ook stelt hij lage motiveringseisen. Anderzijds oordeelt de Hoge Raad dat het structureel weigeren van een gemachtigde door de rechter niet mogelijk is en dat een weigering slechts geldt voor de specifieke fase van het geding waarin de weigering is gegeven. Het arrest zal vanwege deze ‘nuanceringen’ met gemengde gevoelens zijn ontvangen door feitenrechters.

Ernstige bezwaren, ‘aantastingskamer’ en toetsing Hoge Raad

‘Ernstige bezwaren’ kunnen volgens de Hoge Raad aanwezig zijn als het gewraakte gedrag de doelmatige behandeling van het geschil ernstig bemoeilijkt of het gezag van de rechtspraak of de bij de behandeling van de zaak betrokken functionarissen daardoor ‘nodeloos en op onaanvaardbare wijze’ wordt aangetast. Het nodeloos en op onaanvaardbare wijze aantasten van het gezag van de rechtspraak en de betrokken functionarissen sluit niet aan bij wat in de wetsgeschiedenis is genoemd aan voorbeelden van ‘ernstige bezwaren’. Die norm lijkt op het Angelsaksische ‘contempt of court’, waar ik als norm twijfel bij heb. Degene die oordeelt dat hiervan sprake is, is zelf het lijdend voorwerp en dus per definitie niet een onafhankelijke beoordelaar. In tegenstelling tot de spiegelbeeldige situatie van wraking vindt hier geen beoordeling door een derde plaats. Gedacht zou kunnen worden aan een wettelijke regeling van dit ‘incident’ met als inhoud dat de rechter de zaak kan schorsen om voor te leggen aan een ‘aantastingskamer’ van een ander gerecht.

De Hoge Raad vervolgt het arrest met de overweging dat een weigering ex artikel 8:25 Awb in cassatie enkel op (on)begrijpelijkheid kan worden getoetst. Dat de Rechtbank in de bestreden uitspraak niet met zoveel woorden overwoog dat de doelmatige behandeling van het geschil of enig gezag in geding was, hoeft dus niet tot cassatie te leiden. De Hoge Raad laat de feitenrechtspraak hiermee veel ruimte om een eigen afweging te maken bij het beoordelen van de vraag of sprake is van ‘ernstige bezwaren’ in de zin van artikel 8:25 Awb.

Structureel weigeren niet mogelijk, lik op stuk wel

Het voornemen om deze gemachtigde structureel te weigeren (voor een periode van drie jaar of anderhalf jaar) was de aanleiding voor Rechtbank Gelderland tot het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.[1] ‘Het kost namelijk onevenredig veel tijd om per zaak naar aanleiding van individuele processtukken steeds weer te moeten beoordelen of de grens van ernstige bezwaren is overschreden en vervolgens, als dat het geval is, de procedure van weigeren van een gemachtigde in gang zetten’, aldus de Rechtbank. Maar de structurele weigering door de rechter van een gemachtigde is dus niet mogelijk. Een weigering blijft beperkt tot de zaak en tot de instantie waarin de weigering is gegeven. Om het incidentele karakter van de weigering te borgen, geldt dat de rechter niemand mag weigeren uitsluitend op grond van wat hem uit een andere zaak of anderszins bekend is. Die kennis mag de rechter wel betrekken in de waardering van de gedragingen in de specifieke procedure. Ik vat dat zo op dat de rechter in een bepaalde zaak een recidiverende gemachtigde lik op stuk mag geven door hem (en de belastingplichtige) direct een voornemen tot weigering te sturen zodra het eerste wangedrag in die zaak zich aandient. Met de niet zaakspecifieke inleidende opmerkingen in dit arrest lijkt de Hoge Raad een voorschot te hebben genomen op de gestelde prejudiciële vragen. Of hij overgaat tot beantwoording daarvan en dan volstaat met verwijzing naar dit arrest, zullen we moeten afwachten.

De Hoge Raad wijst er ten overvloede op dat artikel 2:2 Awb, dat ziet op de weigering van een gemachtigde door een bestuursorgaan, niet zaakgebonden is en wel de mogelijkheid biedt tot structurele weigering. De Hoge Raad verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin een voor belastingfraude veroordeelde persoon door de Belastingdienst als gemachtigde was geweigerd voor de duur van drie jaar. In de daaraan voorafgaande strafrechtelijke procedure werd het door de Rechtbank opgelegde beroepsverbod in hoger beroep niet gehandhaafd. De Afdeling overwoog dat die omstandigheid niet aan weigering ex artikel 2:2 Awb in de weg stond.

Ontvankelijkheid

A-G Wattel concludeerde in deze zaak dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard moest worden, omdat het enkel was gericht tegen de weigeringsbeslissing en niet tegen het inhoudelijke oordeel van de Rechtbank (de ongegrondverklaring van het verzet).[2] De Hoge Raad meent dat die omstandigheid niet aan ontvankelijkheid van het cassatieberoep in de weg staat. De belastingplichtige is vrij om alleen te klagen over de weigeringsbeslissing.

Nick van den Hoek
Jaeger Advocaten-belastingkundigen



NOTEN
 
1 Rechtbank Gelderland 6 augustus 2020, 18/2764, ECLI:NL:RBGEL:2020:3966NLF 2020/1864, met noot van ondergetekende.
2 Conclusie Conclusie A-G Wattel 30 juni 2020, 19/05365, ECLI:NL:PHR:2020:665NLF 2020/1865, met noot van ondergetekende.


Weteringschans 237
1017 XH Amsterdam

T 020 - 676 04 81
F 020 - 676 04 82
E info@jaeger.nl

neem contact op

Jaeger maakt gebruik van cookies

Wij plaatsen cookies om uw ervaring op de website te verbeteren. De cookies die vereist zijn om de website te gebruiken zijn wettelijk toegestaan. Voor de andere cookies kunt u hieronder toestemming geven.

meer informatie