Tweede serie navorderingsaanslagen niet onvoldoende voortvarend opgelegd

Samenvatting


HR: Tweede serie navorderingsaanslagen niet onvoldoende voortvarend opgelegd X (belanghebbende) is in 2007 geïdentificeerd als houder van banktegoeden bij Van Lanschot Bankiers Luxembourg. De inkomsten uit en de saldi van die rekeningen heeft X niet vermeld in zijn aangiften. De Inspecteur heeft met dagtekening 22 en 28 december 2007 een eerste serie navorderingsaanslagen opgelegd. Een tweede serie navorderingsaanslagen is aangekondigd bij brief van 22 oktober 2008 en opgelegd met dagtekening 5 en 31 december 2008. Deze aanslagen zijn opgelegd met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR. Bij Hof Den Haag was onder meer in geschil of de tweede serie navorderingsaanslagen voldoende voortvarend is opgelegd. Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat X nog in april 2008 heeft ontkend rekeninghouder te zijn. Voorts heeft het Hof overwogen dat de vertraging van enkele maanden die met een check en de selectie voor een civielrechtelijk kort geding is gemoeid, redelijk is. X komt in cassatie onder meer op tegen het oordeel van het Hof dat geen sprake is geweest van stilzitten van meer dan zes maanden. Hij voert daartoe aan dat op het moment van de check en van de selectie om het overleggen van bankgegevens te eisen door middel van een civielrechtelijk kort geding, reeds meer dan zes maanden waren verstreken waarin de Belastingdienst had stilgezeten na het opleggen van de eerste serie navorderingsaanslagen. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond. De eerste serie navorderingsaanslagen is kennelijk opgelegd in december 2007 vanwege het verstrijken van de navorderingstermijn. Niet kan worden gezegd dat de Inspecteur onvoldoende voortvarend heeft gehandeld door te wachten met het opleggen van de tweede serie navorderingsaanslagen totdat X de toegezegde informatie zou hebben verstrekt of duidelijk werd dat X geen informatie meer zou verstrekken. Uit hetgeen het Hof, in cassatie onbestreden, heeft overwogen omtrent de check en de selectie voor afdoening via een civiel kort geding in 2008 valt daarom niet anders af te leiden dan dat geen sprake is geweest van onverklaarbaar stilzitten van de Inspecteur gedurende meer dan zes maanden na de ontkenning van X (in april 2008) rekeninghouder te zijn geweest

Dit bericht werd geplaatst in: Commentaren

Stuur een reactie naar de auteur