NTFR 2026/648 – Legaliteitsbeginsel staat in de weg aan toepassen hoger belastingrentetarief
Alle pagina's gelinkt aan
Hoge Raad, 10 april 2026, 25/02195, ECLI:NL:HR:2026:591
Samenvatting
Aan belanghebbende is op 26 september 2020 een navorderingsaanslag Zvw 2016 opgelegd, alsmede een beschikking belastingrente. De belastingrente is berekend van 1 juli 2017 t/m 20 oktober 2020. Over de periode 1 oktober 2020 t/m 20 oktober 2020 is de belastingrente gesteld op 4%, zoals geregeld in art. 1 aanhef en onderdeel a Besluit belasting- en invorderingsrente (Bbi). Dit (verhoogde) rentetarief van 4% is op grond van het besluit van 24 september 2020 (Stb. 2020, 356) op 1 oktober 2020 in werking getreden. Volgens de Hoge Raad staat het legaliteitsbeginsel eraan in de weg dat belastingrente in rekening wordt gebracht terwijl de regeling waarop de berekening van die rente berust, nog niet in werking is getreden. Aangezien ten tijde van de rentebeschikking van de inspecteur (op 26 september 2020) de verhoging van de rente per 1 oktober 2020 naar 4% nog niet in werking was getreden, mocht de inspecteur dit verhoogde percentage niet toepassen met betrekking tot de periode 1 oktober 2020 t/m 20 oktober 2020. Over deze periode moet daarom de op 26 september 2020 geldende rente van 0,01% worden toegepast.
(Volgt gegrondverklaring.)
Noot van mr. S.A.M. Verweij
In strijd met het legaliteitsbeginsel
Het oordeel van de Hoge Raad doet geen wenkbrauwen fronsen. In tegenstelling tot de mening van het hof, is volgens de Hoge Raad sprake van schending van het legaliteitsbeginsel. Aanleiding voor het hof om daar anders over te denken was het arrest HR 2 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1892, NTFR 2009/93, waarin de Hoge Raad oordeelde dat de belastingrechter bij de toetsing van een beslissing moet uitgaan van het nieuwe voorschrift als een wettelijk voorschrift met terugwerkende kracht is ingevoerd of gewijzigd na de datum van de beslissing van het bestuursorgaan. De gedachte achter het eerste is dat anticiperend gedrag (snel handelen na aankondiging, maar voor in werking treden) moet kunnen worden tegengegaan. Achter het tweede schuilt de gedachte dat wijzigingen ten voordele altijd moeten doorwerken.
In dit geval gaat het echter allereerst niet om een wettelijk voorschrift, maar om het besluit van 24 september 2020 (Stb. 2020, 356). Bovendien kent het besluit geen terugwerkende kracht. Het valt ook niet te scharen onder de doelstelling van het genoemde arrest. Wat mij betreft heeft de Hoge Raad de gedachtegang van het hof, dat toch rekening moet worden gehouden met het inmiddels gewijzigde rentepercentage tenzij inbreuk wordt gemaakt op art. 1 EP EVRM, terecht terzijde geschoven.
4% belastingrente geen schending van art. 1 EP EVRM
De tweede vraag zag op de strijdigheid van het rentepercentage van 4% met art. 1 EP EVRM. De Hoge Raad had in HR 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, NTFR 2026/205 – dat zag op het in strijd met het evenredigheidsbeginsel verhoogde percentage voor de Vpb – in overwegingen ten overvloede direct de procedures over de belastingrente van 4% voor onder meer de inkomstenbelasting beslecht. De Hoge Raad volstaat daarom met een verwijzing naar dat arrest.
Kort gezegd ziet de Hoge Raad een redelijk evenwicht tussen de eisen van het algemene belang van de samenleving en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu, zodat de belastingrente van 4% geen disproportionele en buitensporig zware last oplevert. Volgens de Hoge Raad is de belastingrente evenredig zolang de absolute hoogte niet als excessief kan worden aangemerkt, zelfs als de invoering ervan berustte op budgettaire overwegingen. Dat roept wel de vraag op bij welk percentage de belastingrente in de absolute hoogte excessief is. Kan een belastingpercentage van 20% door de beugel, mits het voornoemde doelstellingen nastreeft en voor alle middelen geldt?
Is belastingrente wel een rente?
Daarnaast vraag ik me af hoe de huidige belastingrente moet worden gezien. De term ‘rente’ doelt op compensatie voor een objectief rentenadeel vanwege het feit dat iemand andermans (belasting)geld onder zich heeft. Bij de heffingsrente die gold vóór de per 1 januari 2013 ingevoerde belastingrente, stond die compensatiegedachte voorop. De betaaltermijn zelf, de periode tussen de dagtekening van de aanslag en de dag voordat deze invorderbaar was, was renteloos. De Hoge Raad oordeelde dat het in rekening brengen van heffingsrente geen bestraffend karakter had (HR 8 december 1993, ECLI:NL:HR:ZC5535), waardoor destijds geen sprake was van een criminal charge (HR 26 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4151, NTFR 2003/1669, met noot van Van de Wereld).
Met de invoering van de belastingrente per 1 januari 2013 is de wetgever van die compensatiegedachte af gestapt. De term belastingrente is in zekere zin misleidend, omdat de belastingrente voornamelijk moet fungeren als prikkel voor belastingplichtigen om op tijd juist aangifte te doen of om een voorlopige aanslag te verzoeken. Die reden was voor de wetgever aanleiding om niet langer aan te sluiten bij de compenserende wettelijke rente maar een ondergrens van inmiddels 4,5% te hanteren. Ook rekent de inspecteur op grond van art. 30fc AWR belastingrente over de betaaltermijn zelf, ook al betaalt de belastingplichtige de dag na de datum dagtekening van de aanslag. Dat roept de vraag op of met voornoemde nieuwe gewijzigde omstandigheden (de prikkel, het afhankelijk maken van het rentepercentage vanwege de budgettaire doelstelling en het berekenen van belastingrente over een periode waar een belastingplichtige mogelijkerwijs al heeft betaald) nog wel kan worden gesproken van rente. Heeft het nog een reparatoir karakter of is het inmiddels punitief?
Gelet op de volgende twee voorbeelden wordt een punitief karakter niet snel aangenomen. Zo volgde uit de conclusie van A-G Wattel van 15 oktober 2008 (ECLI:NL:PHR:2009:BG4156, NTFR 2008/2259, met noot van Vermeulen) dat de berekening van de kosten van een dwangbevel, inmiddels met een maximum van € 16.524 voor een per post bezorgd briefje geen criminal charge is en de niet-aftrekbaarheid van ‘criminele kosten’ evenmin (HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2048, NTFR 2021/70, met noot van Sitsen).
In HR 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, NTFR 2026/205 heeft de Hoge Raad – onder verwijzing naar HR 26 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4151, NTFR 2003/1669 – overwogen dat van het in het Besluit belasting- en invorderingsrente genoemde belastingrentepercentage niet kan worden gezegd dat het een punitief karakter heeft. Feitenrechters blijven ook nog steeds verwijzen naar het arrest HR 8 december 1993, ECLI:NL:HR:ZC5535, waarin de Hoge Raad oordeelde dat het in rekening brengen van heffingsrente geen bestraffend karakter heeft. Zie bijvoorbeeld hof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297, NTFR 2024/1576. Met de compensatiegedachte die in 1993 en 2003 centraal stond, is het ontbreken van een punitief karakter goed te volgen. Dat sinds de wijzigingen per 1 januari 2013 nog steeds geen sprake is van een bestraffend karakter, verdient wat mij betreft meer toelichting dan een verwijzing naar de oude arresten uit 1993 en 2003, omdat de compensatiegedachte per 1 januari 2013 is verlaten en de belastingrente inmiddels fungeert als prikkel om op tijd aangifte te doen.
Stuur een reactie naar de auteur