NTFR 2025/1937 – Gebruik van standaardteksten rechtvaardigt geen lagere wegingsfactor
Alle pagina's gelinkt aan
Gerechtshof Amsterdam, 21 oktober 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2223
Samenvatting
Belanghebbende heeft bezwaar heeft gemaakt tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting. In het bezwaarschrift zijn inhoudelijke gronden aangevoerd. In het hoorgesprek heeft belanghebbende daaraan toegevoegd dat geen sprake is van parkeren, maar van uitstappen van personen. Op basis daarvan heeft de heffingsambtenaar het bezwaar gegrond verklaard en de aanslag vernietigd. De heffingsambtenaar heeft de proceskostenvergoeding op basis van wegingsfactor 0,25 vastgesteld. In beroep bij de rechtbank is deze vergoeding verhoogd tot wegingsfactor 0,5, vanwege de bewerkelijkheid en gecompliceerdheid van de zaak en het feit dat de aanslag op diverse inhoudelijke gronden is bestreden.
In hoger beroep is in geschil of de rechtbank terecht wegingsfactor 0,5 heeft toegepast voor de proceskostenvergoeding over de bezwaarfase, waarbij de heffingsambtenaar bepleit dat wegingsfactor 0,25 op zijn plaats is omdat het bezwaarschrift standaard en eenvoudig was. Het hof oordeelt dat de rechtbank een eigen waardering mag geven aan het gewicht van de zaak en dat bij inhoudelijk bestreden naheffingsaanslagen in parkeerbelastingzaken wegingsfactor 0,5 passend is. Het hof noemt expliciet de relevante maatstaven uit het Besluit proceskosten bestuursrecht en verwijst naar HR 23 september 2011, NTFR 2011/2248 en HR 9 september 2022, NTFR 2022/3244 over zelfstandige rechterlijke waardering en waarderingen van feitelijke aard. Het gebruik van een standaardtekst door de gemachtigde doet aan die waardering niet af. Het hof acht de zaak niet lichter dan een standaard parkeerbelastingzaak en bevestigt daarom het oordeel van de rechtbank en de proceskostenvergoeding op basis van wegingsfactor 0,5. De enkele omstandigheid dat standaardteksten zijn gebruikt, rechtvaardigt geen lagere wegingsfactor. Richtsnoeren van gerechtshoven zijn niet bindend voor de rechtbank of de heffingsambtenaar, maar het hof volgt de rechtbank in haar zelfstandige motivering.
(Hoger beroep ongegrond.)
Noot van mr. S.A.M. Verweij
Het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) regelt de hoogte van de forfaitaire proceskostenvergoeding voor rechtsbijstand door een derde. Om tot de hoogte van die proceskostenvergoeding te komen, doorloopt het Bpb drie stappen. Allereerst kent het een bepaald aantal punten toe per proceshandeling (A). Vervolgens wordt het aantal punten vermenigvuldigd met de waarde per punt, afhankelijk van het type procedure (B). Ten slotte wordt rekening gehouden met de wegingsfactoren, die bestaan uit het gewicht van de zaak (C1) en de samenhang met andere zaken (C2).
In deze zaak draait het om die één na laatste categorie: het gewicht van de zaak. Het gewicht van de zaak (C1) is onderverdeeld in vijf categorieën: zeer licht (factor 0,25), licht (0,5), gemiddeld (1), zwaar (1,5) en zeer zwaar (2). Naarmate de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandsverlener toenemen, wordt een hogere factor toegekend. Een beoordeling waar de gerechtshoven in een Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 handvatten voor hebben gegeven (vgl. hof Amsterdam 1 augustus 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2158; hof Den Bosch 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524; hof Arnhem-Leeuwarden 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335). Dat richtsnoer is niet bindend (HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:703, NTFR 2024/1113), maar biedt wel houvast. Zo kan bij de categorie ‘zeer licht’ worden gedacht aan een zaak waarin sprake is van een evidente tel- en rekenfout. Ook schaart het richtsnoer hier zaken onder die voor de rechtsbijstandsverlener slechts eenvoudige en beperkte werkzaamheden meebrengen. Voor parkeerbelastingzaken die (voor parkeerbelastingzaken) qua belang en complexiteit in de categorie gemiddeld vallen, geldt een wegingsfactor van 0,5.
Uit de feitenrechtspraak volgt dat de rechter, in parkeerbelastingzaken waarin een belanghebbende alleen zijn betaalbewijs hoeft te laten zien om de naheffingsaanslag vernietigd te krijgen, een wegingsfactor van 0,25 passend acht (hof Den Haag 4 maart 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:437). Ook toen een rechtsbijstandsverlener een standaardbezwaarschrift indiende en slechts de datum, de naam van de eiser en het aanslagnummer inplakte, vond de rechter een wegingsfactor van 0,25 terecht (rechtbank Noord-Holland 3 april 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:3995).
Interessant in deze zaak is dat de gemachtigde een bezwaarschrift indient met een standaardtekst die hij ook in andere parkeerbelastingzaken gebruikt. Volgens de heffingsambtenaar was de werkbelasting van de rechtsbijstandverlener daardoor zeer beperkt en rechtvaardigde dat een wegingsfactor van 0,25. Het hof gaat hier niet in mee en hecht daarbij waarde aan de omstandigheid dat de gemachtigde de naheffingsaanslag op verschillende gronden inhoudelijk heeft bestreden. Dat lijkt mij een juiste conclusie van het hof, zeker nu de gemachtigde tijdens de hoorzitting nog een bezwaargrond heeft toegevoegd die specifiek zag op onderhavige kwestie en waarvan uit de uitspraak niet is gebleken dat het een standaardoverweging was.
mr. S.A.M. Verweij
verweij@jaeger.nl
020 – 676 04 81
Stuur een reactie naar de auteur